Volgens Mattheüs 24:1-51

24  Toen Jezus de tempel verliet, kwamen zijn discipelen naar hem toe om hem op de tempelgebouwen te wijzen.  Maar hij zei tegen ze: ‘Zien jullie dit allemaal? Ik verzeker jullie: Er zal hier niet één steen op de andere blijven. Alles zal worden afgebroken.’+  Terwijl hij op de Olijfberg+ zat, kwamen de discipelen naar hem toe. Ze waren alleen met hem en vroegen: ‘Vertel ons, wanneer zal dat allemaal gebeuren? En wat zal het teken zijn van je aanwezigheid+ en van het einde van het tijdperk?’+  Jezus antwoordde: ‘Pas op dat niemand je misleidt,+  want er zullen velen komen die mijn naam gebruiken en zeggen: “Ik ben de Christus”, en ze zullen veel mensen misleiden.+  Jullie zullen horen van oorlogen en berichten van oorlogen. Raak niet in paniek, want die dingen moeten gebeuren, maar het is nog niet het einde.+  Want het ene volk zal strijden tegen het andere, en het ene koninkrijk tegen het andere.+ In de ene plaats na de andere zullen voedseltekorten+ en aardbevingen+ zijn.  Al die dingen zijn het begin van de weeën.  Dan zullen mensen jullie uitleveren, onderdrukken+ en doden,+ en jullie zullen vanwege mijn naam door alle volken worden gehaat.+ 10  Ook zullen velen dan struikelen, elkaar verraden en elkaar haten. 11  Er zullen veel valse profeten verschijnen en zij zullen velen misleiden.+ 12  En omdat de mensen steeds wettelozer zullen worden, zal de liefde van de meesten bekoelen.+ 13  Maar wie volhardt tot het einde zal worden gered.+ 14  En dit goede nieuws van het Koninkrijk zal op de hele bewoonde aarde worden gepredikt als een getuigenis voor alle volken,+ en dan zal het einde komen. 15  Wanneer jullie daarom het walgelijke ding dat verwoesting veroorzaakt, waarover de profeet Daniël sprak, in een heilige plaats zien staan+ (lezer, gebruik inzicht), 16  dan moeten degenen die in Judea zijn naar de bergen vluchten.+ 17  Wie op het dak is, moet niet naar beneden gaan om spullen uit zijn huis te halen, 18  en wie op het veld is, moet niet teruggaan om zijn bovenkleed op te halen.+ 19  Wee de vrouwen die in die tijd zwanger zijn of een kind aan de borst hebben!+ 20  Blijf bidden dat jullie niet in de winter of op de sabbat hoeven te vluchten. 21  Want er zal dan een grote verdrukking zijn+ zoals er vanaf het begin van de wereld tot nu toe niet is voorgekomen en ook nooit meer zal voorkomen.+ 22  Als die tijd niet zou worden verkort, zou niemand* worden gered. Maar ter wille van de uitverkorenen zal die tijd worden verkort.+ 23  Als iemand dan tegen jullie zegt: “Kijk! Hier is de Christus”+ of: “Daar!”, moeten jullie het niet geloven.+ 24  Want er zullen valse christussen en valse profeten+ verschijnen, die grote tekenen en wonderen zullen doen in een poging zelfs de uitverkorenen te misleiden.+ 25  Maar ik heb jullie van tevoren gewaarschuwd. 26  Als mensen dus tegen jullie zeggen: “Kijk! Hij is in de woestijn”, ga er dan niet heen. En als ze zeggen: “Kijk! Hij is in de binnenkamers”, geloof het dan niet.+ 27  Want zoals de bliksem uit het oosten komt en schijnt tot in het westen, zo zal de aanwezigheid van de Mensenzoon zijn.+ 28  Waar het lijk is, daar zullen de arenden zich verzamelen.+ 29  Onmiddellijk na de verdrukking van die periode zal de zon worden verduisterd+ en zal de maan geen licht meer geven. De sterren zullen uit de hemel vallen en de hemelse krachten zullen worden geschud.+ 30  Dan zal het teken van de Mensenzoon aan de hemel verschijnen en zullen alle volken* op aarde zich van verdriet op de borst slaan.+ Ze zullen de Mensenzoon+ op de wolken van de hemel zien komen met kracht en grote majesteit.*+ 31  En hij zal zijn engelen onder luid trompetgeschal eropuit sturen om zijn uitverkorenen bijeen te brengen uit de vier windstreken, van het ene uiteinde van de hemel tot het andere.+ 32  Leer de volgende les van de vijgenboom: als de nieuwe takken uitlopen en er blaadjes aan komen, weet je dat het bijna zomer is.+ 33  Zo weten jullie ook, als jullie al die dingen zien, dat hij voor de deur staat.+ 34  Ik verzeker jullie dat deze generatie niet zal verdwijnen voordat al die dingen gebeuren. 35  Hemel en aarde zullen verdwijnen, maar mijn woorden zullen nooit verdwijnen.+ 36  Van die dag en dat uur weet niemand iets af,+ ook de engelen in de hemel en de Zoon niet, maar alleen de Vader.+ 37  De aanwezigheid van de Mensenzoon zal zijn als de tijd van Noach.+ 38  Want in de tijd vóór de vloed aten en dronken de mensen, mannen trouwden en vrouwen werden uitgehuwelijkt, tot de dag dat Noach de ark in ging.+ 39  En ze hadden er geen aandacht voor totdat de vloed kwam en ze allemaal wegvaagde.+ Zo zal ook de aanwezigheid van de Mensenzoon zijn. 40  Er zullen dan twee mannen op het veld zijn. De een zal worden meegenomen en de ander achtergelaten. 41  Twee vrouwen zullen samen graan malen. De een zal worden meegenomen en de ander achtergelaten.+ 42  Blijf dus waakzaam, want jullie weten niet op welke dag jullie Heer komt.+ 43  Maar weet dit: als de huiseigenaar had geweten hoe laat* de dief zou komen,+ zou hij wakker zijn gebleven en niet hebben toegelaten dat er in zijn huis werd ingebroken.+ 44  Zorg daarom dat je er klaar voor bent,+ want de Mensenzoon komt op een uur waarop je het niet verwacht. 45  Wie is echt de getrouwe en beleidvolle slaaf, die door zijn meester over zijn huisknechten is aangesteld om hun op het juiste moment hun voedsel te geven?+ 46  Gelukkig is die slaaf als hij daarmee bezig is wanneer zijn meester komt!+ 47  Ik verzeker jullie: hij zal hem aanstellen over al zijn bezittingen. 48  Maar stel dat de slaaf slecht is en bij zichzelf* zegt: “Mijn meester komt voorlopig niet”,+ 49  en hij begint zijn medeslaven te slaan en gaat met dronkaards eten en drinken. 50  Dan komt de meester van die slaaf op een dag waarop hij het niet verwacht en op een uur dat hij niet weet,+ 51  en hij zal hem heel zwaar straffen en hem hetzelfde lot laten ondergaan als de huichelaars. Daar zal hij jammeren en knarsetanden.+

Voetnoten

Lett.: ‘geen vlees’.
Lett.: ‘stammen’.
Of mogelijk ‘met grote kracht en heerlijkheid’.
Of ‘in welke nachtwake’.
Lett.: ‘in zijn hart’.

Aantekeningen

Ik verzeker jullie: ‘Verzeker’ is een weergave van het Griekse amen, een transliteratie van het Hebreeuwse ʼamen, dat ‘zo zij het’ of ‘zeker’ betekent. Jezus gebruikt deze uitdrukking vaak om een uitspraak, een belofte of een profetie in te leiden en de absolute betrouwbaarheid ervan te beklemtonen. Dat Jezus het op die manier gebruikt is naar verluidt uniek in religieuze geschriften. Als het woord wordt herhaald (amen amen), zoals in het hele evangelie van Johannes, wordt Jezus’ uitdrukking vertaald met ‘echt, ik verzeker jullie’. (Zie aantekening bij Jo 1:51.)

Ik verzeker jullie: Zie aantekening bij Mt 5:18.

Er zal hier niet één steen op de andere blijven: Jezus’ profetie ging in het jaar 70 op een bijzondere manier in vervulling toen de Romeinen Jeruzalem en de tempel verwoestten. Op een paar delen van de muur na werd de stad met de grond gelijkgemaakt.

einde: Of ‘daadwerkelijke einde’. In het Grieks wordt hier een ander woord (telos) gebruikt dan in Mt 24:3 (sunteleia). (Zie aantekening bij Mt 24:3 en Woordenlijst ‘Einde van het tijdperk’.)

einde: Of ‘daadwerkelijke einde’, ‘volledige einde’. (Zie aantekeningen Mt 24:3, 6.)

Olijfberg: Ligt ten O van Jeruzalem en wordt van de stad gescheiden door het Kidrondal. Vanaf dit uitkijkpunt konden Jezus en zijn discipelen ‘Petrus, Jakobus, Johannes en Andreas’ (Mr 13:3, 4) de stad en de tempel zien.

aanwezigheid: Het Griekse parousia (in veel vertalingen weergegeven met ‘komst’) betekent letterlijk ‘zijn naast (bij)’. Het duidt op aanwezigheid gedurende een tijdsperiode en niet alleen op een komst of aankomst. Deze betekenis van parousia blijkt uit Mt 24:37-39, waar ‘de tijd van Noach (...) vóór de vloed’ wordt vergeleken met ‘de aanwezigheid van de Mensenzoon’. Paulus gebruikt dit Griekse woord als hij het heeft over zijn aanwezigheid in contrast met zijn afwezigheid (Fil 2:12, vtn.).

einde: Vertaling van het Griekse sunteleia, dat ‘gemeenschappelijk (gecombineerd) einde’, ‘gezamenlijk einde’ betekent (Mt 13:39, 40, 49; 28:20; Heb 9:26). Het duidt op een tijdsperiode waarin een combinatie van gebeurtenissen zou leiden tot het daadwerkelijke einde waarover Mt 24:6, 14 spreekt, waar een ander Grieks woord (telos) wordt gebruikt. (Zie aantekeningen bij Mt 24:6, 14 en Woordenlijst ‘Einde van het tijdperk’.)

tijdperk: Of ‘samenstel van dingen’. Het Griekse aion duidt hier op de bestaande toestand of de kenmerken die een bepaald tijdperk onderscheiden. (Zie Woordenlijst ‘Samenstel van dingen’.)

de Christus: Grieks: ho Christos. Deze titel komt overeen met ‘de Messias’ (van het Hebreeuwse masjiach). Beide woorden betekenen ‘gezalfde’. De Joodse geschiedschrijver Josephus geeft aan dat er in de eerste eeuw een aantal zelfverklaarde profeten of bevrijders opstonden die beloofden het volk van de Romeinse onderdrukkers te redden. Misschien werden die door hun volgelingen als een politieke messias bezien.

einde: Vertaling van het Griekse sunteleia, dat ‘gemeenschappelijk (gecombineerd) einde’, ‘gezamenlijk einde’ betekent (Mt 13:39, 40, 49; 28:20; Heb 9:26). Het duidt op een tijdsperiode waarin een combinatie van gebeurtenissen zou leiden tot het daadwerkelijke einde waarover Mt 24:6, 14 spreekt, waar een ander Grieks woord (telos) wordt gebruikt. (Zie aantekeningen bij Mt 24:6, 14 en Woordenlijst ‘Einde van het tijdperk’.)

einde: Of ‘daadwerkelijke einde’. In het Grieks wordt hier een ander woord (telos) gebruikt dan in Mt 24:3 (sunteleia). (Zie aantekening bij Mt 24:3 en Woordenlijst ‘Einde van het tijdperk’.)

op de hele bewoonde aarde (...) alle volken: Beide uitdrukkingen laten de omvang van de prediking uitkomen. In een ruime betekenis slaat het Griekse woord voor ‘bewoonde aarde’ (oikoumene) op de aarde als woonplaats van de mensheid (Lu 4:5; Han 17:31; Ro 10:18; Opb 12:9; 16:14). In de eerste eeuw werd het woord ook gebruikt voor het enorme Romeinse Rijk waarover de Joden waren verspreid (Lu 2:1; Han 24:5). In algemene zin slaat het Griekse woord voor volk (ethnos) op een groep mensen die min of meer aan elkaar verwant zijn door bloed en die een gemeenschappelijke taal hebben. Zo’n nationale of etnische groep woont vaak in een afgebakend geografisch gebied.

volk: Het Griekse ethnos heeft een ruime betekenis en kan duiden op mensen die binnen bepaalde politieke of geografische grenzen wonen, zoals een land, maar kan ook op een etnische groep slaan. (Zie aantekening bij Mt 24:14.)

strijden: Of ‘worden opgewekt’, ‘worden opgericht’. Lett.: ‘opstaan’. Het Grieks brengt hier de gedachte over van ‘vijandig uittrekken’ en kan ook worden vertaald met ‘de wapens opnemen’ of ‘ten strijde trekken’.

weeën: Het Griekse woord duidt letterlijk op de intense pijn die wordt ervaren tijdens een bevalling. Hier verwijst het woord naar ellende, pijn en leed in algemene zin, maar misschien wordt ermee gesuggereerd dat de voorspelde problemen en ellende net als barensweeën in frequentie, intensiteit en duur zullen toenemen in de tijdsperiode vóór de grote verdrukking die in Mt 24:21 wordt genoemd.

naam: De persoonlijke naam van God, die bestaat uit de vier Hebreeuwse letters יהוה (JHWH) en in het Nederlands wordt weergegeven als ‘Jehovah’. In de Nieuwewereldvertaling komt de naam 6979 keer voor in de Hebreeuwse Geschriften en 237 keer in de Griekse Geschriften. (Zie voor meer informatie over Gods naam in de Griekse Geschriften App. A5 en App. C.) In de Bijbel duidt het woord naam soms ook op de persoon zelf, zijn reputatie en alles wat hij zelf zegt dat hij is. (Vergelijk Ex 34:5, 6; Opb 3:4, vtn.)

vanwege mijn naam: In de Bijbel duidt ‘naam’ soms op de persoon die de naam draagt, zijn reputatie en alles waar hij voor staat. (Zie aantekening bij Mt 6:9.) In Jezus’ geval staat zijn naam ook voor de autoriteit en positie die hij van zijn Vader heeft gekregen (Mt 28:18; Fil 2:9, 10; Heb 1:3, 4). Jezus legt hier uit waarom mensen in de wereld zijn volgelingen dingen zouden aandoen: omdat ze degene die hem heeft gestuurd niet kennen. Als ze God zouden kennen, zouden ze begrijpen en erkennen waar Jezus’ naam voor staat (Han 4:12). Dat omvat Jezus’ positie als Gods aangestelde Regeerder, de Koning der koningen, aan wie alle mensen zich moeten onderwerpen om leven te krijgen (Jo 17:3; Opb 19:11-16; vergelijk Ps 2:7-12).

vanwege mijn naam: In de Bijbel duidt ‘naam’ soms op de persoon die de naam draagt, zijn reputatie en alles waar hij voor staat. (Zie aantekening bij Mt 6:9.) In Jezus’ geval staat zijn naam ook voor de autoriteit en positie die hij van zijn Vader heeft gekregen (Mt 28:18; Fil 2:9, 10; Heb 1:3, 4). Jezus legt hier uit dat mensen zijn volgelingen zouden haten vanwege dat waar zijn naam voor staat: zijn positie als Gods aangestelde Regeerder, de Koning der koningen, aan wie alle mensen zich moeten onderwerpen om leven te krijgen. (Zie aantekening bij Jo 15:21.)

ze namen aanstoot aan hem: Of ‘ze struikelden vanwege hem’. In deze context duidt het Griekse skandalizo op struikelen in figuurlijke zin en betekent het ‘aanstoot nemen’. Het kan ook worden weergegeven met ‘ze weigerden in hem te geloven’. In andere contexten wordt het Griekse woord gebruikt in de betekenis van vervallen of aanzetten tot zonde. (Zie aantekening bij Mt 5:29.)

struikelblokken: Men denkt dat de oorspronkelijke betekenis van het Griekse woord skandalon, dat met ‘struikelblok’ wordt weergegeven, te maken had met een val. Sommigen zeggen dat het de stok in de val was waaraan het aas was bevestigd. Bij uitbreiding ging het verwijzen naar elke hindernis waarover iemand kon struikelen of vallen. In figuurlijke zin slaat het op een actie of situatie die ertoe leidt dat iemand voor verkeerd gedrag kiest, dat hij in moreel opzicht struikelt of valt of dat hij tot zonde vervalt. Het verwante werkwoord skandalizo, dat in Mt 18:8, 9 wordt weergegeven met ‘laat struikelen’, kan ook worden vertaald met ‘een strik wordt’, ‘laat zondigen’.

zullen (...) struikelen: In de Griekse Geschriften duidt skandalizo op struikelen in figuurlijke zin, wat tot zonde vervallen of aanzetten kan inhouden. Zoals het woord in de Bijbel wordt gebruikt, kan het bij de zonde gaan om het overtreden van Gods morele wetten, geloof verliezen of valse leer aanvaarden. In deze context kan het woord ook worden vertaald met ‘zullen (...) tot zonde vervallen’, ‘zullen (...) van het geloof afvallen’. Het Griekse woord kan ook worden gebruikt in de betekenis van ‘aanstoot nemen’. (Zie aantekeningen bij Mt 13:57 en 18:7.)

wettelozer: Het Griekse woord dat met ‘wettelozer’ is weergegeven, brengt de gedachte over van schending van en minachting voor wetten, van mensen die zich gedragen alsof er geen wetten zijn. In de Bijbel duidt het op minachting voor Gods wetten (Mt 7:23; 2Kor 6:14; 2Th 2:3-7; 1Jo 3:4).

de meesten: Duidt niet alleen op ‘velen’ in het algemeen zoals sommige vertalingen dit weergeven, maar op ‘de meerderheid’ van degenen die zijn beïnvloed door de valse profeten en de wetteloosheid waar Mt 24:11, 12 het over heeft.

einde: Of ‘daadwerkelijke einde’. In het Grieks wordt hier een ander woord (telos) gebruikt dan in Mt 24:3 (sunteleia). (Zie aantekening bij Mt 24:3 en Woordenlijst ‘Einde van het tijdperk’.)

einde: Of ‘daadwerkelijke einde’, ‘volledige einde’. (Zie aantekeningen Mt 24:3, 6.)

volhardt: Het Griekse werkwoord hupomeno betekent letterlijk ‘onder blijven’. Vaak wordt het gebruikt in de betekenis ‘blijven in plaats van vluchten’, ‘standhouden’, ‘volhouden’, ‘standvastig blijven’ (Mt 10:22; Ro 12:12; Heb 10:32; Jak 5:11). In deze context duidt het erop dat Christus’ discipelen vasthouden aan hun handelwijze ondanks tegenstand en beproevingen (Mt 24:9-12).

einde: Zie aantekeningen bij Mt 24:6, 14.

Koninkrijk: De eerste keer dat het Griekse woord basileia voorkomt, dat kan verwijzen naar zowel een koninklijke regering als het gebied en de onderdanen van een koning. Van de 162 keer dat het Griekse woord in de Griekse Geschriften voorkomt, staat het 55 keer in het verslag van Mattheüs. Meestal duidt het op Gods hemelse bestuur. Mattheüs gebruikt de term zo vaak dat zijn evangelie het Koninkrijksevangelie genoemd kan worden. (Zie Woordenlijst ‘Gods Koninkrijk’.)

het goede nieuws: De eerste keer dat het Griekse euaggelion voorkomt, dat in sommige Bijbelvertalingen met ‘evangelie’ wordt weergegeven. Het verwante Griekse euaggelistes, dat met ‘evangelieprediker’ wordt vertaald, betekent ‘verkondiger van goed nieuws’ (Han 21:8; Ef 4:11, vtn.; 2Ti 4:5, vtn.).

Gods Koninkrijk: Overal in de Griekse Geschriften houdt het goede nieuws nauw verband met Gods Koninkrijk, het thema van Jezus’ prediking en onderwijs. De uitdrukking ‘Gods Koninkrijk’ (of ‘het Koninkrijk van God’) komt 32 keer voor in Lukas’ evangelie, 14 keer in Markus’ evangelie en 4 keer in Mattheüs’ evangelie. Maar Mattheüs gebruikt de synonieme uitdrukking ‘het Koninkrijk van de hemel’ zo’n 30 keer. (Zie aantekeningen bij Mt 3:2; 24:14 en Mr 1:15.)

prediken: De grondbetekenis van het Griekse woord is ‘aankondigen als een openbare boodschapper’. De nadruk ligt op de methode van aankondigen: meestal een verklaring in het openbaar en geen preek gericht tot een groep.

getuigen van mij: Als trouwe Joden waren Jezus’ eerste discipelen al getuigen van Jehovah en getuigden ze ervan dat Jehovah de enige ware God is (Jes 43:10-12; 44:8). Maar nu moesten de discipelen getuigen zijn van Jehovah en Jezus. Ze moesten vertellen over Jezus’ belangrijke rol in de heiliging van Jehovah’s naam door middel van Zijn Messiaanse Koninkrijk, een nieuw aspect van Jehovah’s voornemen. Handelingen gebruikt de Griekse woorden voor ‘getuige’ (martus), ‘getuigen’ (martureo), ‘grondig getuigenis geven’ (diamarturomai) en verwante woorden vaker dan elk ander Bijbelboek, met uitzondering van het evangelie van Johannes. (Zie aantekening bij Jo 1:7.) Een getuige zijn en een grondig getuigenis geven over Gods voornemens — met inbegrip van zijn Koninkrijk en de belangrijke rol van Jezus — is een thema dat als een rode draad door het boek Handelingen loopt (Han 2:32, 40; 3:15; 4:33; 5:32; 8:25; 10:39; 13:31; 18:5; 20:21, 24; 22:20; 23:11; 26:16; 28:23). Sommige christenen in de eerste eeuw konden uit persoonlijke ervaring getuigen van de historische feiten over Jezus’ leven, dood en opstanding (Han 1:21, 22; 10:40, 41). Degenen die later in Jezus gingen geloven, legden getuigenis af door de betekenis van zijn leven, dood en opstanding te verkondigen (Han 22:15; zie aantekening bij Jo 18:37).

einde: Vertaling van het Griekse sunteleia, dat ‘gemeenschappelijk (gecombineerd) einde’, ‘gezamenlijk einde’ betekent (Mt 13:39, 40, 49; 28:20; Heb 9:26). Het duidt op een tijdsperiode waarin een combinatie van gebeurtenissen zou leiden tot het daadwerkelijke einde waarover Mt 24:6, 14 spreekt, waar een ander Grieks woord (telos) wordt gebruikt. (Zie aantekeningen bij Mt 24:6, 14 en Woordenlijst ‘Einde van het tijdperk’.)

einde: Of ‘daadwerkelijke einde’. In het Grieks wordt hier een ander woord (telos) gebruikt dan in Mt 24:3 (sunteleia). (Zie aantekening bij Mt 24:3 en Woordenlijst ‘Einde van het tijdperk’.)

dit goede nieuws: Het Griekse euaggelion is samengesteld uit de woorden eu, dat ‘goed’ betekent, en aggellos, ‘iemand die nieuws brengt’, ‘iemand die bekendmaakt (aankondigt)’. (Zie Woordenlijst.) In sommige vertalingen wordt het weergegeven met ‘evangelie’. Het verwante Griekse euaggelistes, dat met ‘evangelieprediker’ wordt vertaald, betekent ‘verkondiger van goed nieuws’ (Han 21:8; Ef 4:11, vtn.; 2Ti 4:5, vtn.).

het Koninkrijk: Dat wil zeggen Gods Koninkrijk. Overal in de Griekse Geschriften houdt het ‘goede nieuws’ (zie de vorige aantekening bij dit goede nieuws) nauw verband met Gods Koninkrijk, het thema van Jezus’ prediking en onderwijs. (Zie aantekeningen bij Mt 3:2; 4:23 en Lu 4:43.)

op de hele bewoonde aarde (...) alle volken: Beide uitdrukkingen laten de omvang van de prediking uitkomen. In een ruime betekenis slaat het Griekse woord voor ‘bewoonde aarde’ (oikoumene) op de aarde als woonplaats van de mensheid (Lu 4:5; Han 17:31; Ro 10:18; Opb 12:9; 16:14). In de eerste eeuw werd het woord ook gebruikt voor het enorme Romeinse Rijk waarover de Joden waren verspreid (Lu 2:1; Han 24:5). In algemene zin slaat het Griekse woord voor volk (ethnos) op een groep mensen die min of meer aan elkaar verwant zijn door bloed en die een gemeenschappelijke taal hebben. Zo’n nationale of etnische groep woont vaak in een afgebakend geografisch gebied.

gepredikt: Of ‘in het openbaar aangekondigd’. (Zie aantekening bij Mt 3:1.)

als een getuigenis: Of ‘als een getuigenverklaring’, dat wil zeggen een verzekering dat alle volken het goede nieuws zouden horen. Het Griekse marturion (getuigenis, getuigenverklaring) en verwante Griekse woorden duiden vaak op het vertellen van de feiten en gebeurtenissen die met een onderwerp verband houden. (Zie aantekening bij Han 1:8.) In dit geval zegt Jezus dat er wereldwijd getuigd zou worden van wat Gods Koninkrijk zou realiseren en dat er verteld zou worden over gebeurtenissen die verband houden met dat Koninkrijk. Jezus geeft aan dat de wereldwijde prediking van het Koninkrijk een belangrijk kenmerk zou zijn van ‘het teken van zijn aanwezigheid’ (Mt 24:3). Dat alle volken dit getuigenis zouden krijgen, betekent niet dat alle volken tot het ware christendom bekeerd zouden worden — alleen dat ze het getuigenis zouden horen.

einde: Of ‘daadwerkelijke einde’, ‘volledige einde’. (Zie aantekeningen Mt 24:3, 6.)

het Inwijdingsfeest: De Hebreeuwse naam van dit feest is Chanoeka (chanoekkah), dat ‘inwijding’ betekent. Het duurde acht dagen en begon op de 25ste dag van de maand kislev, rond het wintersolstitium of de winterzonnewende (zie aantekening bij winter in dit vers en App. B15). Het werd gevierd ter herdenking van de herinwijding van de tempel in Jeruzalem in 165 v.Chr. De Syrische koning Antiochus IV Epiphanes had minachting getoond voor Jehovah, de God van de Joden, door Zijn tempel te ontheiligen. Hij had bijvoorbeeld een altaar gebouwd boven op het grote altaar waarop voorheen het dagelijks brandoffer was gebracht. Om de ontwijding van de tempel compleet te maken liet Antiochus op 25 kislev 168 v.Chr. een varken op het altaar offeren en de hele tempel met het vleesnat ervan besprenkelen. Hij verbrandde de tempelpoorten, brak de vertrekken van de priesters af en nam het gouden altaar, de tafel voor het toonbrood en de gouden lampenstandaard mee. Vervolgens wijdde hij Jehovah’s tempel aan de heidense god Zeus Olympios. Twee jaar later heroverde Judas de Makkabeeër de stad en de tempel. Na de reiniging van de tempel was er een herinwijding op 25 kislev 165 v.Chr., precies drie jaar nadat Antiochus op het altaar dat walgelijke offer aan Zeus had gebracht. Daarna werden de dagelijkse brandoffers voor Jehovah hervat. Er staat niet letterlijk in de geïnspireerde Schrift dat Jehovah Judas de Makkabeeër de overwinning gaf en hem opdracht gaf de tempel te herstellen. Maar Jehovah had mannen uit andere landen, zoals Cyrus van Perzië, gebruikt om bepaalde voornemens in verband met de aanbidding te realiseren (Jes 45:1). Het is dus redelijk om te concluderen dat Jehovah iemand van zijn opgedragen volk kan gebruiken om zijn wil uit te voeren. De Bijbel laat zien dat de profetieën over de Messias, zijn bediening en zijn offer alleen vervuld konden worden als de tempel er stond en functioneerde. Ook moesten de Levitische slachtoffers doorgaan totdat de Messias het grotere slachtoffer, zijn leven, voor de mensheid gaf (Da 9:27; Jo 2:17; Heb 9:11-14). Christus’ volgelingen kregen niet de opdracht het Inwijdingsfeest te vieren (Kol 2:16, 17). Maar er wordt nergens gezegd dat Jezus of zijn discipelen de viering van dit feest veroordeelden.

heilige stad: Verwijst naar Jeruzalem, dat vaak heilig wordt genoemd omdat het de plaats was waar Jehovah’s tempel stond (Ne 11:1; Jes 52:1).

het walgelijke ding dat verwoesting veroorzaakt: Daniël voorspelde dat ‘walgelijke dingen’ met verwoesting gepaard zouden gaan (Da 9:27). Jezus geeft hier aan dat ‘het walgelijke ding dat verwoesting veroorzaakt’ nog niet was verschenen. Dat zou in de toekomst gebeuren. En 33 jaar na Jezus’ dood zagen christenen de eerste vervulling van die profetie toen ze een walgelijk ding in een heilige plaats zagen staan. In het parallelverslag in Lu 21:20 staat: ‘Wanneer jullie zien dat Jeruzalem door legertroepen omsingeld is, weet dan dat de verwoesting van de stad dichtbij is.’ In 66 omsingelden heidense Romeinse legertroepen ‘de heilige stad’, Jeruzalem, een plaats die de Joden als heilig bezagen en die het centrum was van de Joodse opstand tegen Rome (Mt 4:5; 27:53). Dat was voor oplettende christenen, die het Romeinse leger met de afgodische banieren herkenden als ‘het walgelijke ding’, het definitieve signaal om ‘naar de bergen te vluchten’ (Mt 24:15, 16; Lu 19:43, 44; 21:20-22). Nadat de christenen waren gevlucht, werd zowel de stad als de natie door de Romeinen verwoest. Jeruzalem werd in het jaar 70 vernietigd, en het laatste Joodse bastion, Masada, werd in 73 door de Romeinen veroverd. (Vergelijk Da 9:25-27.) De uitgebreide eerste vervulling van deze profetie geeft een goede basis voor vertrouwen in de grotere vervulling, waarin Jezus uiteindelijk ‘op de wolken van de hemel komt met kracht en grote majesteit’ (Mt 24:30). Velen gaan voorbij aan de uitspraak van Jezus die laat uitkomen dat Daniëls profetie na Jezus’ tijd in vervulling zou gaan. In navolging van de Joodse traditie passen ze de uitdrukking ‘het walgelijke ding dat verwoesting veroorzaakt’ toe op de ontheiliging van Jehovah’s tempel in Jeruzalem in 168 v.Chr. door de Syrische koning Antiochus IV (Epiphanes). Antiochus had geprobeerd de aanbidding van Jehovah uit te roeien. Hij had zelfs een altaar gebouwd boven op het grote altaar van Jehovah en varkens geofferd aan de heidense god Zeus Olympios. (Zie aantekening bij Jo 10:22.) Het apocriefe boek 1 Makkabeeën (1:54) gebruikt een uitdrukking die lijkt op de uitdrukking in het boek Daniël (die walgelijke dingen in verband brengt met verwoesting) en past die toe op de gebeurtenis in 168 v.Chr. Maar de Joodse traditie en het verslag in 1 Makkabeeën zijn menselijke interpretaties, geen geïnspireerde openbaringen. Antiochus riep zeker gevoelens van walging op toen hij de tempel ontheiligde, maar zijn aanval leidde niet tot de verwoesting van Jeruzalem, de tempel of de Joodse natie.

heilige plaats: Duidt in de eerste vervulling van deze profetie op Jeruzalem en de tempel. (Zie aantekening bij Mt 4:5.)

(lezer, gebruik inzicht): Lezers moeten altijd inzicht gebruiken als ze Gods Woord bestuderen, maar blijkbaar is het nodig extra alert te zijn op de toepassing van dit gedeelte van Daniëls profetie. Jezus maakte zijn toehoorders erop attent dat de vervulling van deze profetie niet in het verleden maar nog in de toekomst lag. (Zie aantekening bij het walgelijke ding dat verwoesting veroorzaakt in dit vers.)

Judea: Dat wil zeggen de Romeinse provincie Judea.

naar de bergen: Volgens de geschiedschrijver Eusebius uit de vierde eeuw staken de christenen in Judea en Jeruzalem de Jordaan over en vluchtten ze naar Pella, een stad in het bergachtige gebied van de Dekapolis.

op het dak: De daken van de huizen waren plat en werden voor veel doelen gebruikt, zoals opslag (Joz 2:6), rust (2Sa 11:2), slaap (1Sa 9:26) en religieuze feesten (Ne 8:16-18). Daarom was een muurtje rond het dak verplicht (De 22:8). Meestal kon een huisbewoner het dak via een trap of ladder buitenom verlaten zonder dat hij het huis weer in hoefde te gaan, wat laat uitkomen hoe dringend Jezus’ waarschuwing om te vluchten was.

in de winter: Door de zware regenval, overstromingen en kou zou het in dit jaargetijde zwaar zijn om te reizen en zou er niet makkelijk aan voedsel en onderdak te komen zijn (Ezr 10:9, 13).

op de sabbat: In gebieden zoals Judea zou het door de beperkingen van de sabbatswet lastig zijn om grote afstanden af te leggen en bagage te vervoeren. Bovendien bleven de stadspoorten op de sabbat dicht. (Zie Han 1:12 en App. B12.)

de Christus: Grieks: ho Christos. Deze titel komt overeen met ‘de Messias’ (van het Hebreeuwse masjiach). Beide woorden betekenen ‘gezalfde’. De Joodse geschiedschrijver Josephus geeft aan dat er in de eerste eeuw een aantal zelfverklaarde profeten of bevrijders opstonden die beloofden het volk van de Romeinse onderdrukkers te redden. Misschien werden die door hun volgelingen als een politieke messias bezien.

valse christussen: Of ‘valse messiassen’. Het Griekse pseudochristos komt alleen hier en in het parallelverslag in Mr 13:22 voor. Het slaat op iedereen die ten onrechte de rol van de Christus of de Messias (lett.: ‘gezalfde’) op zich neemt. (Zie aantekening bij Mt 24:5.)

aanwezigheid: Het Griekse parousia (in veel vertalingen weergegeven met ‘komst’) betekent letterlijk ‘zijn naast (bij)’. Het duidt op aanwezigheid gedurende een tijdsperiode en niet alleen op een komst of aankomst. Deze betekenis van parousia blijkt uit Mt 24:37-39, waar ‘de tijd van Noach (...) vóór de vloed’ wordt vergeleken met ‘de aanwezigheid van de Mensenzoon’. Paulus gebruikt dit Griekse woord als hij het heeft over zijn aanwezigheid in contrast met zijn afwezigheid (Fil 2:12, vtn.).

Mensenzoon: Of ‘Zoon van een mens’. Deze uitdrukking komt in de evangeliën zo’n 80 keer voor. Jezus paste die op zichzelf toe, blijkbaar om te beklemtonen dat hij echt een mens was, geboren uit een vrouw, en dat hij een passende menselijke tegenhanger van Adam was, met de macht om de mensheid te verlossen van zonde en de dood (Ro 5:12, 14, 15). Deze term laat ook uitkomen dat Jezus de Messias was, de Christus (Da 7:13, 14; zie Woordenlijst).

aanwezigheid: Zie aantekening bij Mt 24:3.

Mensenzoon: Zie aantekening bij Mt 8:20.

het teken van de Mensenzoon: Dit teken is niet hetzelfde als ‘het teken van [Jezus’] aanwezigheid’ uit Mt 24:3. Het teken dat hier wordt vermeld, houdt verband met het moment dat de Mensenzoon tijdens de grote verdrukking als Rechter ‘komt’ om het oordeel uit te spreken en te voltrekken. (Zie aantekening bij komen in dit vers.)

zich van verdriet op de borst slaan: Of ‘rouwen’. Mensen sloegen herhaaldelijk met hun handen op hun borst als uiting van extreem verdriet of van schuldgevoelens en spijt (Jes 32:12; Na 2:7; Lu 23:48).

de wolken van de hemel: Over het algemeen belemmeren wolken het zicht, maar waarnemers kunnen ‘zien’ met de ogen van hun verstand (Han 1:9).

zien: Het Griekse werkwoord dat met ‘zien’ is vertaald, kan letterlijk ‘een voorwerp zien’, ‘kijken naar’, ‘aanschouwen’ betekenen, maar het kan ook als metafoor gebruikt worden voor geestelijk gezichtsvermogen en ‘onderscheiden’, ‘waarnemen’ betekenen (Ef 1:18).

komen: De eerste van de acht keer dat in Mattheüs 24 en 25 over Jezus’ komst wordt gesproken (Mt 24:42, 44, 46; 25:10, 19, 27, 31). Al die keren wordt een vorm van het Griekse werkwoord erchomai (komen) gebruikt. Het woord wordt hier gebruikt in de betekenis van de aandacht op de mensheid richten, vooral als het gaat om Jezus’ komst als Rechter tijdens de grote verdrukking om het oordeel uit te spreken en te voltrekken.

de vier windstreken: Lett.: ‘de vier winden’, een idioom dat duidt op de vier windrichtingen van het kompas (O, W, N en Z) en ‘alle richtingen’, ‘overal’ betekent (Jer 49:36; Ez 37:9; Da 8:8).

illustraties: Of ‘gelijkenissen’, ‘parabels’. Het Griekse parabole betekent letterlijk ‘naast elkaar (samen) plaatsen’ en wordt gebruikt voor beeldspraak zoals parabels, gelijkenissen en spreuken. Jezus verklaart dingen vaak door iets wat erop lijkt ‘ernaast te plaatsen’ of ermee te vergelijken (Mr 4:30). Zijn illustraties waren korte, meestal fictieve verhalen waaruit een morele of geestelijke waarheid te leren viel.

les: Of ‘illustratie’, ‘parabel’. (Zie aantekening bij Mt 13:3.)

Hemel en aarde zullen verdwijnen: Uit andere Bijbelteksten blijkt dat hemel en aarde altijd zullen blijven bestaan (Ge 9:16; Ps 104:5; Pr 1:4). Jezus’ woorden kunnen dan ook begrepen worden als een hyperbool die betekent dat zelfs als het onmogelijke zou gebeuren en hemel en aarde zouden verdwijnen, zijn woorden toch vervuld zouden worden. (Vergelijk Mt 5:18.) Maar hemel en aarde kunnen hier ook heel goed slaan op de figuurlijke hemel en aarde die in Opb 21:1 ‘de vroegere hemel en de vroegere aarde’ worden genoemd.

mijn woorden zullen nooit verdwijnen: Of ‘mijn woorden zullen beslist niet verdwijnen’. In het Grieks geeft het gebruik van twee ontkenningen bij het werkwoord aan dat een gedachte nadrukkelijk wordt afgewezen. Dat beklemtoont op een levendige manier hoe onvergankelijk Jezus’ woorden zijn.

aanwezigheid: Het Griekse parousia (in veel vertalingen weergegeven met ‘komst’) betekent letterlijk ‘zijn naast (bij)’. Het duidt op aanwezigheid gedurende een tijdsperiode en niet alleen op een komst of aankomst. Deze betekenis van parousia blijkt uit Mt 24:37-39, waar ‘de tijd van Noach (...) vóór de vloed’ wordt vergeleken met ‘de aanwezigheid van de Mensenzoon’. Paulus gebruikt dit Griekse woord als hij het heeft over zijn aanwezigheid in contrast met zijn afwezigheid (Fil 2:12, vtn.).

aanwezigheid: Het Griekse parousia (in veel vertalingen weergegeven met ‘komst’) betekent letterlijk ‘zijn naast (bij)’. Het duidt op aanwezigheid gedurende een tijdsperiode en niet alleen op een komst of aankomst. Deze betekenis van parousia blijkt uit Mt 24:37-39, waar ‘de tijd van Noach (...) vóór de vloed’ wordt vergeleken met ‘de aanwezigheid van de Mensenzoon’. Paulus gebruikt dit Griekse woord als hij het heeft over zijn aanwezigheid in contrast met zijn afwezigheid (Fil 2:12, vtn.).

aanwezigheid: Zie aantekening bij Mt 24:3.

de tijd van Noach: In de Bijbel wordt ‘tijd van’ (of ‘dagen van’) soms gebruikt voor de periode waarin een bepaalde persoon leefde (Jes 1:1; Jer 1:2, 3; Lu 17:28). Hier wordt ‘de tijd van Noach’ vergeleken met de aanwezigheid van de Mensenzoon. In een vergelijkbare uitspraak in Lu 17:26 wordt de uitdrukking ‘de tijd van de Mensenzoon’ gebruikt. Noachs tijd bereikte een uiteindelijke climax met de dag waarop de vloed kwam, maar Jezus beperkt de vergelijking niet daartoe. Omdat ‘de tijd van Noach’ een periode van jaren besloeg, is er reden om te geloven dat de voorspelde ‘aanwezigheid’ of ‘tijd’ van de Mensenzoon ook een periode van jaren zal beslaan. Zoals Noachs tijd een climax bereikte met de komst van de vloed, zo zal ‘de aanwezigheid van de Mensenzoon’ een climax bereiken met de vernietiging van degenen die niet gered willen worden. (Zie aantekening bij Mt 24:3.)

vloed: Of ‘zondvloed’, ‘overstroming’. Het Griekse kataklusmos duidt op een grote overstroming met vernietigende kracht, en de Bijbel gebruikt het woord voor de zondvloed van Noachs tijd (Mt 24:39; Lu 17:27; 2Pe 2:5).

ark: Het Griekse woord kan ook worden weergegeven met ‘kist’, ‘doos’, misschien om de vorm van het bouwwerk aan te geven. In de Vulgaat wordt dit Griekse woord weergegeven met arca, wat ‘kist’ betekent en waarvan het Nederlandse ‘ark’ is afgeleid.

worden meegenomen: Het Griekse woord dat met ‘meegenomen’ is weergegeven, wordt in verschillende contexten gebruikt, vaak in positieve zin. In Mt 1:20 is het weergegeven met ‘mee naar huis te nemen’, in Mt 17:1 met ‘nam (...) met zich mee’ en in Jo 14:3 met ‘meenemen’. In deze context duidt het er kennelijk op dat iemand de goedkeuring van de Heer krijgt en gered wordt (Lu 17:37). Het kan ook overeenkomen met het feit dat Noach op de dag van de vloed in de ark werd ‘meegenomen’ en dat Lot bij de hand werd genomen en uit Sodom werd weggehaald (Lu 17:26-29). Achtergelaten worden zou dan betekenen dat iemand veroordeeld wordt tot de vernietiging.

worden meegenomen (...) achtergelaten: Zie aantekening bij Lu 17:34.

Blijf (...) waken: Lett.: ‘blijf wakker’. Jezus had al eerder beklemtoond dat zijn discipelen geestelijk wakker moesten blijven omdat ze de dag en het uur van zijn komst niet wisten. (Zie aantekeningen bij Mt 24:42 en 25:13.) Die aansporing herhaalt hij hier en in Mt 26:41, waar hij geestelijk wakker blijven in verband brengt met voortdurend bidden. Vergelijkbare aansporingen komen overal in de Griekse Geschriften voor, waaruit blijkt dat geestelijke alertheid van groot belang is voor ware christenen (1Kor 16:13; Kol 4:2; 1Th 5:6; 1Pe 5:8; Opb 16:15).

Blijf waakzaam: Het Griekse woord heeft als grondbetekenis ‘wakker blijven’, maar in veel contexten betekent het ‘op je hoede zijn’, ‘waakzaam zijn’. Mattheüs gebruikt het in Mt 24:43; 25:13 en 26:38, 40, 41. In Mt 24:44 brengt hij het in verband met de noodzaak om er ‘klaar’ voor te zijn. (Zie aantekening bij Mt 26:38.)

beheerder: Of ‘huismeester’, ‘huisbestuurder’. Het Griekse oikonomos duidt op iemand die over bedienden is aangesteld, hoewel hij zelf ook een bediende is. Vroeger was dat vaak een trouwe slaaf die het beheer kreeg over de belangen van zijn meester. Het was dus een vertrouwenspositie. Abrahams dienaar ‘die het beheer had over al zijn bezittingen’ was zo’n beheerder of huisbestuurder (Ge 24:2). Dat gold ook voor Jozef, zoals wordt beschreven in Ge 39:4. Het woord beheerder in Jezus’ illustratie staat in het enkelvoud, maar dat betekent niet per se dat de beheerder slechts één bepaalde persoon afbeeldt. In de Bijbel wordt wel vaker met een enkelvoudig zelfstandig naamwoord verwezen naar een collectieve groep. Jehovah sprak bijvoorbeeld het volk Israël als groep toe en zei tegen hen: ‘Jullie zijn mijn getuigen [meervoud], (...) mijn dienaar [enkelvoud] die ik heb uitgekozen’ (Jes 43:10). Zo gaat ook deze illustratie over een samengestelde beheerder. In de parallelle illustratie in Mt 24:45 wordt deze beheerder ‘de getrouwe en beleidvolle slaaf’ genoemd.

beleidvolle: Het Griekse woord brengt de gedachte over van verstand in combinatie met inzicht, overleg, een goed oordeel, voorzichtigheid en praktische wijsheid. Hetzelfde Griekse woord wordt gebruikt in Mt 7:24 en 25:2, 4, 8, 9. De Septuaginta gebruikt dit woord in Ge 41:33, 39 in verband met Jozef.

slaaf: Het woord slaaf in Jezus’ illustratie staat in het enkelvoud, maar dat betekent niet per se dat de slaaf slechts één bepaalde persoon afbeeldt. In de Bijbel wordt wel vaker met een enkelvoudig zelfstandig naamwoord verwezen naar een collectieve groep. Jehovah sprak bijvoorbeeld het volk Israël als groep toe en zei tegen hen: ‘Jullie zijn mijn getuigen [meervoud], (...) mijn dienaar [enkelvoud] die ik heb uitgekozen’ (Jes 43:10). In de parallelle illustratie in Lu 12:42 wordt deze slaaf ‘de getrouwe en beleidvolle beheerder’ genoemd. (Zie aantekening bij Lu 12:42.)

zijn huisknechten: Of ‘zijn huisbedienden’. Het woord slaat op iedereen die in het huishouden van de meester werkt.

komen: De eerste van de acht keer dat in Mattheüs 24 en 25 over Jezus’ komst wordt gesproken (Mt 24:42, 44, 46; 25:10, 19, 27, 31). Al die keren wordt een vorm van het Griekse werkwoord erchomai (komen) gebruikt. Het woord wordt hier gebruikt in de betekenis van de aandacht op de mensheid richten, vooral als het gaat om Jezus’ komst als Rechter tijdens de grote verdrukking om het oordeel uit te spreken en te voltrekken.

die slaaf: De slaaf die hier wordt genoemd is de beheerder uit Lu 12:42. Als ‘die slaaf’ trouw is, zal hij beloond worden (Lu 12:43, 44). Maar als ‘die slaaf’ ontrouw is, zal zijn meester ‘hem heel zwaar straffen’ (Lu 12:46). Jezus’ woorden hier zijn in feite een waarschuwing die gericht is tot de getrouwe beheerder. Dat geldt ook voor de parallelle illustratie in Mt 24:45-51. Als Jezus daar zegt: ‘Stel dat de slaaf slecht is en bij zichzelf zegt’, is het niet zo dat hij een ‘slechte slaaf’ voorspelt of aanstelt. In plaats daarvan waarschuwt hij de getrouwe slaaf wat er zou gebeuren als hij de eigenschappen van een slechte slaaf zou ontwikkelen.

stel dat de slaaf slecht is: Jezus’ woorden hier zijn in feite een waarschuwing die gericht is tot de getrouwe en beleidvolle slaaf die genoemd wordt in Mt 24:45. Het is niet zo dat Jezus een ‘slechte slaaf’ voorspelt of aanstelt. In plaats daarvan waarschuwt hij de getrouwe slaaf wat er zou gebeuren als hij de eigenschappen van een slechte slaaf zou ontwikkelen. Als de slaaf ontrouw zou worden, zou zijn meester ‘hem heel zwaar straffen’ (Mt 24:51; zie aantekening bij Lu 12:45).

huichelaars: Het Griekse woord hupokrites duidde oorspronkelijk op Griekse (en later Romeinse) toneelspelers die grote maskers droegen om hun stem te versterken. In de loop van de tijd werd de term als metafoor gebruikt voor iemand die zijn ware bedoelingen of aard verbergt door een oneerlijk spel te spelen of door te veinzen. Jezus noemt de Joodse religieuze leiders hier huichelaars of hypocrieten (Mt 6:5, 16).

knarsetanden: Of ‘de tanden op elkaar klemmen’. Het kan de gedachte overbrengen van frustratie, wanhoop en boosheid, mogelijk geuit door bittere woorden en geweld.

hem heel zwaar straffen: Lett.: ‘hem in tweeën hakken’. Deze plastische term moet duidelijk niet letterlijk worden opgevat maar brengt de gedachte over aan een zware straf.

huichelaars: Zie aantekening bij Mt 6:2.

knarsetanden: Zie aantekening bij Mt 8:12.

Media

Stenen van de Tempelberg
Stenen van de Tempelberg

Deze stenen zijn gevonden op het zuidelijke deel van de Westmuur en men denkt dat ze deel hebben uitgemaakt van de gebouwen op de Tempelberg in de eerste eeuw. Ze liggen daar nog als een sombere herinnering aan de verwoesting van Jeruzalem en de tempel door de Romeinen.

Olijfberg
Olijfberg

De Olijfberg (1) is een keten van koepelvormige kalksteenheuvels die ten oosten van Jeruzalem ligt en door het Kidrondal van de stad gescheiden is. De top tegenover de Tempelberg (2) is zo’n 812 m hoog. Het is deze berg die in de Bijbel over het algemeen de Olijfberg wordt genoemd. Vanaf een plek op de Olijfberg vertelde Jezus zijn discipelen over het teken van zijn aanwezigheid.

Bovenkleed
Bovenkleed

Het Griekse woord voor bovenkleed, himation, komt waarschijnlijk overeen met het Hebreeuwse woord simlah. In sommige gevallen was het kennelijk een losse mantel of jas, maar vaak was het een rechthoekige lap stof. Een bovenkleed kon makkelijk aan- en uitgedaan worden.

Vijgenboom
Vijgenboom

Een tak van een vijgenboom in de lente met bladeren en vroege vijgen. In Israël verschijnen de eerste knoppen aan de vijgenbomen meestal in februari en komen de bladeren eind april of in mei, een teken dat de zomer eraan komt (Mt 24:32). De bomen leverden twee oogsten per jaar op: de eerste rijpe vijgen of vroege vijgen, die in juni of begin juli rijp zijn (Jes 28:4; Jer 24:2; Ho 9:10), en de late vijgen, die op het nieuwe hout groeien en de belangrijkste oogst vormen en die meestal vanaf augustus beginnen te rijpen.

Handmolen
Handmolen

In Bijbelse tijden werd het graan vaak gemalen met een handmolen, die meestal door twee vrouwen werd rondgedraaid (Lu 17:35). Ze zaten tegenover elkaar en hielden allebei een hand aan het handvat om de bovenste maalsteen rond te draaien. De ene vrouw deed met de hand die ze vrij had telkens een beetje graan in het vulgat van de bovenste steen, terwijl de andere het meel verzamelde dat over de rand van de molen in de bak of op de doek daaronder viel. Vrouwen stonden elke ochtend vroeg op om graan te malen voor het brood van die dag.