Handelingen van apostelen 22:1-30

22  ‘Mannen, broeders en vaders, luister naar mijn verdediging.’+  Toen ze hoorden dat hij hen in het Hebreeuws toesprak, werd het nog stiller. Hij zei:  ‘Ik ben een Jood,+ geboren in Ta̱rsus in Cili̱cië,+ maar in deze stad onderwezen aan de voeten van Gama̱liël.+ Mij is geleerd om me strikt te houden aan de wet van onze voorouders,+ en ik heb net zo veel ijver voor God als jullie.+  Ik heb de mannen en vrouwen van deze Weg tot de dood toe vervolgd door ze in boeien te slaan en aan gevangenissen over te leveren.+  De hogepriester en de hele raad van oudsten kunnen daarvan getuigen. Van hen kreeg ik ook brieven voor de broeders in Damaskus, en ik was op weg om degenen die daar waren, te boeien en naar Jeruzalem te brengen om te worden gestraft.  Maar terwijl ik onderweg was en dicht bij Damaskus kwam, rond het middaguur, werd ik plotseling omgeven door een fel licht uit de hemel.+  Ik viel op de grond en hoorde een stem zeggen: “Saul, Saul, waarom vervolg je mij?”  Ik zei: “Heer, wie bent u?” Hij antwoordde: “Ik ben Jezus de Nazarener, die jij vervolgt.”  De mannen die bij me waren, zagen wel het licht, maar hoorden niet de stem van degene die tegen me sprak.+ 10  Toen zei ik: “Wat moet ik doen, Heer?” De Heer zei tegen me: “Sta op, ga naar Damaskus. Daar zul je precies te horen krijgen welke taak je is opgelegd.”+ 11  Omdat ik door de schittering van het licht niets meer kon zien, namen degenen die bij me waren me bij de hand en brachten me naar Damaskus. 12  Anani̱as,+ een diepgelovig man die naar de wet leefde en over wie door alle Joden die daar woonden positief werd gesproken, 13  kwam naar me toe. Hij kwam bij me staan en zei: “Saul, broeder, je kunt weer zien!” Op hetzelfde moment keek ik op en ik kon hem zien.+ 14  Hij zei: “De God van onze voorvaders heeft jou uitgekozen om zijn wil te leren kennen en de rechtvaardige te zien+ en de stem van zijn mond te horen. 15  Jij moet namelijk voor hem bij alle mensen een getuige zijn van de dingen die je gezien en gehoord hebt.+ 16  Waarom aarzel je nog? Sta op, laat je dopen en was je zonden weg+ door zijn naam aan te roepen.”+ 17  Toen ik weer terug was in Jeruzalem+ en in de tempel aan het bidden was, kreeg ik een visioen 18  en zag ik hem. Hij zei tegen me: “Haast je en vertrek snel uit Jeruzalem, want ze zullen je getuigenis over mij niet aanvaarden.”+ 19  Ik zei: “Heer, ze weten heel goed dat ik degenen die in u geloven vroeger gevangen liet zetten en in de ene synagoge na de andere liet geselen.+ 20  En toen het bloed van uw getuige Ste̱fanus werd vergoten, stond ik erbij. Ik gaf er mijn goedkeuring aan en paste op de bovenkleren van degenen die hem om het leven brachten.”+ 21  Toch zei hij tegen me: “Ga, want ik zal je naar de heidenen* sturen, ver hiervandaan.”’+ 22  Ze luisterden naar hem tot hij dat zei. Toen begonnen ze te roepen: ‘Weg van de aarde met die man! Zo iemand verdient het niet te leven!’ 23  Omdat ze stonden te schreeuwen en met hun bovenkleren zwaaiden en stof in de lucht gooiden,+ 24  gaf de commandant opdracht Paulus naar de kazerne te brengen en hem onder geseling een verhoor af te nemen. Hij wilde precies weten waarom ze zo tegen Paulus tekeergingen. 25  Maar toen ze hem hadden vastgebonden om hem te geselen, zei Paulus tegen de legerofficier die erbij stond: ‘Is het jullie toegestaan om een Romein te geselen zonder dat hij veroordeeld is?’*+ 26  Toen de legerofficier dat hoorde, ging hij het aan de commandant vertellen. Hij zei: ‘Wat bent u van plan? Deze man is namelijk een Romein.’ 27  De commandant kwam daarom naar hem toe en vroeg: ‘Zeg eens, bent u een Romein?’ ‘Ja’, antwoordde hij. 28  De commandant zei: ‘Ik heb dat burgerrecht voor een groot bedrag gekocht.’ Daarop zei Paulus: ‘Maar ik ben als Romeins burger geboren.’+ 29  De mannen die op het punt stonden hem onder geseling te verhoren, lieten hem meteen met rust. En de commandant werd bang toen hij besefte dat Paulus een Romein was en dat hij hem had laten boeien.+ 30  Omdat hij zeker wilde weten waar de Joden Paulus eigenlijk van beschuldigden, liet hij hem de volgende dag vrij en gaf hij de overpriesters en het hele Sanhedrin opdracht bij elkaar te komen. Hij bracht Paulus erheen om voor hen te verschijnen.+

Voetnoten

Of ‘zonder vorm van proces’.

Aantekeningen

Hebreeuws: In de Griekse Geschriften gebruikten de Bijbelschrijvers onder inspiratie het woord Hebreeuws voor de taal van de Joden (Jo 19:13, 17, 20; Han 21:40; 22:2; Opb 9:11; 16:16) en ook voor de taal waarin de uit de dood opgewekte en verheerlijkte Jezus Saulus van Tarsus aansprak (Han 26:14, 15). In Han 6:1 wordt onderscheid gemaakt tussen ‘Hebreeuwssprekende Joden’ en ‘Griekssprekende Joden’. Sommige geleerden zijn van mening dat ‘Hebreeuws’ in deze gevallen zou moeten worden vervangen door ‘Aramees’, maar er zijn goede redenen om te geloven dat het hier echt om de Hebreeuwse taal gaat. De arts Lukas vermeldt dat Paulus de inwoners van Jeruzalem ‘in het Hebreeuws’ toesprak. Paulus sprak toen mensen toe van wie het leven draaide om het bestuderen van de wet van Mozes in het Hebreeuws. Daarnaast is het grootste deel van de fragmenten en manuscripten van de Dode Zeerollen in het Hebreeuws geschreven (zowel Bijbelse als niet-Bijbelse teksten), wat laat zien dat de taal nog dagelijks werd gebruikt. Dat er ook enkele Aramese fragmenten waren, toont aan dat beide talen werden gebruikt. Het lijkt dus heel onwaarschijnlijk dat Bijbelschrijvers die het woord Hebreeuws gebruikten eigenlijk de Aramese of Syrische taal bedoelden (Han 21:40; 22:2; vergelijk Han 26:14). In de Hebreeuwse Geschriften werd onderscheid gemaakt tussen het ‘Aramees’ en ‘de taal van de Joden’ (2Kon 18:26), en de eerste-eeuwse Joodse geschiedschrijver Josephus vermeldt het ‘Syrisch’ (of Aramees) en het ‘Hebreeuws’ als afzonderlijke talen (De Oude Geschiedenis van de Joden, X, 8). Het is waar dat sommige woorden uit het Aramees zijn overgenomen in het Hebreeuws, woorden die in het Aramees en het Hebreeuws veel op elkaar lijken en misschien nog andere woorden. Maar er lijkt geen reden te zijn om aan te nemen dat de schrijvers van de Griekse Geschriften Hebreeuws zeiden als ze Aramees bedoelden.

in het Hebreeuws: Zie aantekening bij Jo 5:2.

Gamaliël: Een wetsleraar die in Handelingen twee keer wordt vermeld, hier en in Han 22:3. Men denkt dat het Gamaliël de Oudere was, zoals hij in niet-Bijbelse bronnen bekendstaat. Gamaliël was de kleinzoon of mogelijk de zoon van Hillel de Oudere, van wie wordt gezegd dat hij de aanzet heeft gegeven tot een liberalere stroming onder de farizeeën. Gamaliël had zo veel aanzien onder het volk dat hij naar verluidt als eerste de eretitel ‘Rabban’ kreeg. Hij had grote invloed op de Joodse samenleving van zijn tijd doordat hij veel zonen van farizeeën opleidde, zoals Saulus van Tarsus (Han 22:3; 23:6; 26:4, 5; Ga 1:13, 14). Hij interpreteerde de wet en tradities vaak op een manier die relatief ruimdenkend was. Er wordt bijvoorbeeld van hem gezegd dat hij wetten heeft vastgesteld om vrouwen tegen een gewetenloze echtgenoot te beschermen en weduwen tegen gewetenloze kinderen. Naar verluidt heeft hij ook betoogd dat arme heidenen dezelfde rechten op het nalezen van de oogst moesten hebben als arme Joden. Deze tolerante houding is terug te zien in de manier waarop Gamaliël Petrus en de andere apostelen behandelde (Han 5:35-39). Maar uit rabbijnse verslagen blijkt dat Gamaliël meer nadruk legde op de rabbijnse tradities dan op de Heilige Schrift. Over het algemeen waren zijn leringen daarom vergelijkbaar met die van de meesten van zijn rabbijnse voorvaders en de religieuze leiders van die tijd (Mt 15:3-9; 2Ti 3:16, 17; zie Woordenlijst ‘Farizeeën’ en ‘Sanhedrin’).

Gamaliël: Een wetsleraar die in Handelingen twee keer wordt genoemd, hier en in Han 5:34. (Zie aantekening bij Han 5:34.)

hun Sanhedrin: Of ‘hun Sanhedrinzaal’. Het Sanhedrin was de Joodse Hoge Raad in Jeruzalem. Het Griekse woord (sunedrion) betekent letterlijk ‘bijeenzitting’. Het was een algemene term voor een vergadering of bijeenkomst, maar in Israël kon het duiden op een religieus rechtscollege of rechtsorgaan. Het Griekse woord kan slaan op de leden van het gerechtshof of op het gebouw of de locatie waar het hof zitting houdt. (Zie aantekening bij Mt 5:22 en Woordenlijst; zie voor de mogelijke locatie van de Sanhedrinzaal App. B12.)

raad van oudsten: Of ‘vergadering van oudsten’. Het Griekse woord presbuterion dat hier wordt gebruikt, is verwant aan presbuteros (lett.: ‘oudere man’), dat in de Bijbel voornamelijk wordt gebruikt voor personen die gezag en verantwoordelijkheid dragen in een gemeenschap of natie. Hoewel de term soms duidt op leeftijd (zoals in Lu 15:25 en Han 2:17), wordt die niet uitsluitend toegepast op ouderen. De uitdrukking ‘raad van oudsten’ verwijst hier kennelijk naar het Sanhedrin, de Joodse Hoge Raad in Jeruzalem die bestond uit overpriesters, schriftgeleerden en oudsten. Deze drie groepen worden vaak in één adem genoemd (Mt 16:21; 27:41; Mr 8:31; 11:27; 14:43, 53; 15:1; Lu 9:22; 20:1; zie aantekening bij Lu 22:66).

de Nazarener: Een bijnaam voor Jezus en later ook voor zijn volgelingen (Han 24:5). Omdat de naam Jezus veel voorkwam onder de Joden, werd er vaak een aanduiding aan toegevoegd. In Bijbelse tijden was het heel gebruikelijk om de naam van mensen te verbinden aan de plaats waar ze vandaan kwamen (2Sa 3:2, 3; 17:27; 23:25-39; Na 1:1; Han 13:1; 21:29). Jezus woonde het grootste deel van zijn aardse leven in Nazareth in Galilea, dus het was niet vreemd om die term in verband met hem te gebruiken. Jezus werd vaak ‘de Nazarener’ genoemd, in verschillende situaties en door verschillende personen (Mr 1:23, 24; 10:46, 47; 14:66-69; 16:5, 6; Lu 24:13-19; Jo 18:1-7). Jezus zelf aanvaardde en gebruikte die naam (Jo 18:5-8; Han 22:6-8). Pilatus liet op de martelpaal een opschrift bevestigen met in het Hebreeuws, Latijn en Grieks de woorden: ‘Jezus de Nazarener, de Koning van de Joden’ (Jo 19:19, 20). Vanaf Pinksteren 33 spraken zowel de apostelen als anderen vaak over Jezus als de Nazarener of als degene die uit Nazareth kwam (Han 2:22; 3:6; 4:10; 6:14; 10:38; 26:9; zie ook aantekening bij Mt 2:23).

de Nazarener: Zie aantekening bij Mr 10:47.

hoorden wel een stem: In Han 22:6-11 vertelt Paulus wat hem onderweg naar Damaskus overkwam. In combinatie met dit hoofdstuk geeft dat verslag een volledig beeld van wat er gebeurde. In beide verslagen worden dezelfde Griekse woorden gebruikt, maar de grammatica verschilt. Het Griekse fone kan zowel met ‘geluid’ als met ‘stem’ worden vertaald. Hier staat het in de tweede naamval en wordt het vertaald met ‘hoorden een stem’. (In Han 22:9 staat hetzelfde Griekse woord in de vierde naamval en is het vertaald met ‘stem’.) De mannen die bij Paulus waren hoorden dus wel een stem maar konden blijkbaar niet horen en begrijpen wat er gezegd werd. Ze hoorden de stem dus niet op dezelfde manier als Paulus (Han 26:14; zie aantekening bij Han 22:9).

hoorden niet de stem: Of ‘begrepen niet de stem’. In Han 9:3-9 beschrijft Lukas wat Paulus onderweg naar Damaskus overkwam. Deze verslagen geven samen een volledig beeld van wat er gebeurde. Zoals in de aantekening bij Han 9:7 wordt uitgelegd, hoorden de mannen die bij Paulus waren een stem, maar konden ze blijkbaar niet begrijpen wat er gezegd werd. Ze hoorden de stem dus niet op dezelfde manier als Paulus. Dat komt overeen met hoe het Griekse woord voor horen in Han 22:7 wordt gebruikt, waar Paulus uitlegt dat hij ‘een stem hoorde’, wat betekent dat hij hoorde en begreep wat er gezegd werd. In tegenstelling daarmee begrepen Paulus’ reisgenoten niet welke boodschap aan Paulus werd overgebracht, misschien omdat de stem op de een of andere manier gedempt of vervormd klonk. Blijkbaar was het in die betekenis dat ze ‘de stem niet hoorden’. (Vergelijk Mr 4:33 en 1Kor 14:2, waar hetzelfde Griekse woord voor horen kan worden vertaald met ‘begrijpen’ of ‘verstaan’.)

je kunt weer zien!: Lett.: ‘kijk omhoog!’ Het Griekse woord heeft als grondbetekenis ‘omhoogkijken’ (Mt 14:19; Lu 19:5), maar kan ook slaan op iemand die voor het eerst kan zien (Jo 9:11, 15, 18) of iemand van wie het gezichtsvermogen hersteld wordt (Mr 10:52; Lu 18:42; Han 9:12).

was je zonden weg door zijn naam aan te roepen: Of ‘was je zonden weg en roep zijn naam aan’. Iemands zonden worden niet weggewassen door het water waarin hij gedoopt wordt, maar doordat hij de naam van Jezus aanroept. Dat houdt in dat hij in Jezus gelooft en dat ook toont door christelijke daden (Han 10:43; Jak 2:14, 18; zie aantekening bij Ro 10:13).

had hij een visioen: Of ‘raakte hij in trance’. Het Griekse woord ekstasis (van ek, ‘uit’ of ‘buiten’, en stasis, ‘staan’ of ‘positie’) duidt erop dat iemand buiten zijn normale geestesgesteldheid treedt door verbazing, verbijstering of een visioen van God. Het Griekse woord wordt ook wel vertaald met ‘blijdschap’ (Mr 5:42), ‘versteld’ (Lu 5:26) en ‘overstuur’ (Mr 16:8). In Handelingen wordt het woord in verband gebracht met iets wat van God afkomstig is. Kennelijk bracht de heilige geest soms in iemands geest een visioen of beeld van Gods voornemen over terwijl de persoon zich in een toestand van diepe concentratie of een met een slaap te vergelijken toestand bevond. Iemand die in trance was, was zich totaal niet bewust van zijn omgeving en was ontvankelijk voor een visioen. (Zie aantekening bij Han 22:17.)

kreeg ik een visioen: Of ‘raakte ik in trance’. Zie voor een bespreking van het Griekse woord ekstasis, dat hier met ‘een visioen’ is weergegeven, de aantekening bij Han 10:10. In sommige vertalingen van de Griekse Geschriften in het Hebreeuws (in App. C4 J13, 14, 17, 22 genoemd) staat: ‘Jehovah’s hand was op mij.’ Een andere vertaling (J18 genoemd) zegt: ‘Jehovah’s geest bekleedde mij.’

getuigen van mij: Als trouwe Joden waren Jezus’ eerste discipelen al getuigen van Jehovah en getuigden ze ervan dat Jehovah de enige ware God is (Jes 43:10-12; 44:8). Maar nu moesten de discipelen getuigen zijn van Jehovah en Jezus. Ze moesten vertellen over Jezus’ belangrijke rol in de heiliging van Jehovah’s naam door middel van Zijn Messiaanse Koninkrijk, een nieuw aspect van Jehovah’s voornemen. Handelingen gebruikt de Griekse woorden voor ‘getuige’ (martus), ‘getuigen’ (martureo), ‘grondig getuigenis geven’ (diamarturomai) en verwante woorden vaker dan elk ander Bijbelboek, met uitzondering van het evangelie van Johannes. (Zie aantekening bij Jo 1:7.) Een getuige zijn en een grondig getuigenis geven over Gods voornemens — met inbegrip van zijn Koninkrijk en de belangrijke rol van Jezus — is een thema dat als een rode draad door het boek Handelingen loopt (Han 2:32, 40; 3:15; 4:33; 5:32; 8:25; 10:39; 13:31; 18:5; 20:21, 24; 22:20; 23:11; 26:16; 28:23). Sommige christenen in de eerste eeuw konden uit persoonlijke ervaring getuigen van de historische feiten over Jezus’ leven, dood en opstanding (Han 1:21, 22; 10:40, 41). Degenen die later in Jezus gingen geloven, legden getuigenis af door de betekenis van zijn leven, dood en opstanding te verkondigen (Han 22:15; zie aantekening bij Jo 18:37).

uw getuige: Het Griekse woord voor getuige (martus), slaat op iemand die toeschouwer is bij een daad of voorval. Sommige christenen in de eerste eeuw konden uit persoonlijke ervaring getuigen van de historische feiten over Jezus’ leven, dood en opstanding (Han 1:21, 22; 10:40, 41). Degenen die later in Jezus gingen geloven, konden getuigenis afleggen door de betekenis van zijn leven, dood en opstanding te verkondigen (Han 22:15). In zijn woorden tot Jezus gebruikte Paulus het woord in die betekenis toen hij Stefanus ‘uw getuige’ noemde. Stefanus had voor het Sanhedrin een krachtig getuigenis over Jezus afgelegd. Stefanus was ook de eerste die ervan getuigde dat hij in een speciaal visioen Jezus had gezien, die naar de hemel was teruggegaan en aan de rechterhand van God stond, zoals was geprofeteerd in Ps 110:1 (Han 7:55, 56). Christenen die getuigden kregen vaak te maken met tegenstand, arrestaties, slaag en zelfs de dood, zoals in het geval van Stefanus, Jakobus en anderen. Daarom kreeg martus later de betekenis ‘iemand die getuigt ten koste van zijn leven, een martelaar’, dat wil zeggen iemand die liever sterft dan dat hij zijn geloof afzweert. In die betekenis werd Stefanus de eerste christelijke martelaar, van wie het bloed (...) werd vergoten vanwege het getuigenis dat hij over Christus gaf. (Zie aantekening bij Han 1:8.)

de bevelhebber: De Griekse term chiliarchos (chiliarch) betekent letterlijk ‘heerser over duizend’ soldaten. Het duidt op een Romeinse krijgstribuun. Elk Romeins legioen had zes tribunen. Het legioen was niet in zes legerafdelingen verdeeld, maar elke tribuun voerde een zesde van de tijd het commando over het hele legioen. Zo’n legerofficier had grote autoriteit. Hij kon bijvoorbeeld centurio’s benoemen en toewijzen. Het Griekse woord kon ook duiden op hoge legerofficieren in het algemeen. Er was een Romeinse bevelhebber bij de soldaten die Jezus arresteerden.

de commandant: De Griekse term chiliarchos (chiliarch) betekent letterlijk ‘heerser over duizend’ soldaten. Het duidt op een Romeinse krijgstribuun. (Zie aantekening bij Jo 18:12.) Rond 56 was Claudius Lysias de commandant van het garnizoen in Jeruzalem (Han 23:22, 26). In Handelingen 21-24 wordt gezegd dat hij Paulus redde van de menigte en van het tumult in het Sanhedrin. Hij schreef ook een brief met uitleg aan gouverneur Felix toen Paulus in het geheim naar Cesarea werd gebracht.

we Romeinen zijn: Dat wil zeggen Romeinse burgers. Paulus was een Romeins burger en Silas blijkbaar ook. Volgens de Romeinse wet had een burger altijd recht op een eerlijk proces en mocht hij nooit zonder veroordeling in het openbaar gestraft worden. Een Romeins staatsburger had binnen het keizerrijk bepaalde rechten en privileges. Hij stond onder de Romeinse wet, en niet onder de wet van andere steden in het rijk. Als hij ergens van beschuldigd werd, kon hij ermee instemmen volgens de lokale wetgeving berecht te worden, maar hij behield het recht om door een Romeinse rechtbank gehoord te worden. Als hij ter dood werd veroordeeld, had hij het recht om bij de keizer in beroep te gaan. Paulus predikte overal in het Romeinse Rijk. Hij maakte bij minstens drie voorvallen gebruik van zijn rechten als Romeins burger. De eerste keer was hier in Filippi, toen hij de magistraten erop wees dat ze zijn rechten geschonden hadden door hem te slaan. (Zie voor de andere twee voorvallen de aantekeningen bij Han 22:25 en 25:11.)

Ik beroep me op caesar!: Dit is het derde voorval in het Bijbelse verslag waarbij Paulus gebruikmaakt van zijn rechten als Romeins burger. (Zie voor de andere twee voorvallen de aantekeningen bij Han 16:37 en 22:25.) Zo’n beroep op caesar kon worden gedaan na de rechterlijke uitspraak of al tijdens de behandeling van de zaak. Festus gaf aan dat hij in deze kwestie geen uitspraak wilde doen, en een rechtszaak in Jeruzalem bood praktisch geen hoop op een rechtvaardige behandeling. Daarom vroeg Paulus formeel om door het hoogste gerechtshof van het rijk berecht te worden. Blijkbaar kon het beroep in sommige gevallen worden afgewezen, bijvoorbeeld in het geval van een dief, zeerover of opruier die op heterdaad betrapt was. Waarschijnlijk overlegde Festus om die reden eerst met ‘zijn raadgevers’ voordat hij het beroep aanvaardde (Han 25:12). Het daaropvolgende verhoor tijdens het bezoek van Herodes Agrippa II vond plaats zodat Festus nauwkeuriger informatie zou hebben als hij Paulus’ zaak overdroeg aan ‘de Augustus’, Nero (Han 25:12-27; 26:32; 28:19). Doordat Paulus zich op caesar beriep, kon hij naar Rome gaan, een wens die hij al eerder geuit had (Han 19:21). Jezus’ profetische belofte en de boodschap die Paulus later via een engel kreeg, bewijzen dat deze gebeurtenissen onder Gods leiding plaatsvonden (Han 23:11; 27:23, 24).

de legerofficier: Of ‘de centurio’. Een centurio was iemand die in het Romeinse leger het bevel had over zo’n 100 soldaten.

een Romein: Dat wil zeggen een Romeins burger. Dit is het tweede van drie opgetekende gevallen waarin Paulus gebruikmaakte van zijn rechten als Romeins burger. De Romeinse overheid bemoeide zich meestal nauwelijks met Joodse kwesties. Maar de Romeinen raakten niet alleen betrokken bij Paulus’ zaak omdat er een rel ontstond toen hij de tempel bezocht, maar ook omdat hij een Romeins burger was. Het burgerschap gaf iemand bepaalde privileges die in het hele rijk erkend en gerespecteerd werden. Het was bijvoorbeeld niet toegestaan om een Romein die niet veroordeeld was vast te binden of te slaan, omdat men zo’n behandeling alleen passend vond voor slaven. (Zie voor de andere twee voorvallen de aantekeningen bij Han 16:37 en 25:11.)

heb dat burgerrecht (...) gekocht: Of ‘heb dat burgerschap (...) gekocht’. Zoals dit verslag laat zien, was het onder bepaalde omstandigheden mogelijk het Romeins burgerschap voor een bedrag te kopen. Paulus zei tegen Claudius Lysias dat hijzelf als Romeins burger geboren was, wat erop duidt dat een van Paulus’ voorvaders het burgerschap verkregen moet hebben. Er waren nog meer manieren om Romeins burger te worden. Soms werd een vorm van het burgerschap door de keizer aan afzonderlijke personen of zelfs aan alle vrijen in een stad of district verleend als beloning. Een slaaf kon het burgerschap krijgen als hij zichzelf vrijkocht van een Romeins burger of vrijheid van hem kreeg. Een veteraan van de hulptroepen die uit het Romeinse leger was ontslagen, kreeg het burgerschap. Iemand kon het burgerschap ook erven. In de eerste eeuw zullen er in Judea niet veel Romeinse burgers hebben gewoond. Pas in de derde eeuw kregen alle onderdanen in de provincies het Romeins burgerschap.

Media

Saulus en Damaskus
Saulus en Damaskus

In de eerste eeuw was de indeling van de stad Damaskus waarschijnlijk ongeveer zoals die op de plattegrond hier te zien is. Damaskus was een belangrijk handelscentrum en dankzij het water uit de nabijgelegen rivier de Barada (de Abana in 2Kon 5:12) was de omgeving van de stad te vergelijken met een oase. In Damaskus waren meerdere synagogen. Saulus kwam naar die stad met de bedoeling ‘alle aanhangers van De Weg die hij aantrof’ te arresteren — een uitdrukking die gebruikt werd voor de volgelingen van Jezus (Han 9:2; 19:9, 23; 22:4; 24:22). Maar terwijl Saulus onderweg was naar Damaskus, verscheen de verheerlijkte Jezus aan hem. Daarna bleef Saulus een tijdlang in Damaskus in het huis van Judas, een man die in de Rechtestraat woonde (Han 9:11). In een visioen gaf Jezus de discipel Ananias opdracht naar het huis van Judas te gaan om Saulus’ gezichtsvermogen te herstellen, en later werd Saulus gedoopt. In plaats van de Joodse christenen te vervolgen, sloot Saulus zich dus bij hen aan. Hij begon zijn leven als evangelieprediker in de synagogen van Damaskus. Nadat hij naar Arabië en toen terug naar Damaskus was gereisd, ging Saulus weer naar Jeruzalem, waarschijnlijk rond het jaar 36 (Han 9:1-6, 19-22; Ga 1:16, 17).

A. Damaskus

1. Weg naar Jeruzalem

2. Rechtestraat

3. Agora

4. Tempel van Jupiter

5. Theater

6. Muziektheater (?)

B. Jeruzalem

Sanhedrin
Sanhedrin

De Joodse Hoge Raad, ook het Grote Sanhedrin genoemd, telde 71 leden en zetelde in Jeruzalem. (Zie Woordenlijst.) Volgens de Misjna zaten de leden in drie rijen in een halve cirkel en waren er twee griffiers aanwezig om de beslissingen van het gerechtshof vast te leggen. Sommige architectonische kenmerken op de afbeelding zijn gebaseerd op overblijfselen in Jeruzalem van wat volgens sommigen de raadskamer uit de eerste eeuw was. (Zie Appendix B12, kaart ‘Jeruzalem en omgeving’.)

1. Hogepriester

2. Leden Sanhedrin

3. Gedaagde

4. Griffiers