Handelingen van apostelen 18:1-28

18  Hierna vertrok hij uit Athene en ging naar Korinthe.  Daar ontmoette hij een Jood uit Po̱ntus die Aqu̱i̱la heette.+ Hij en zijn vrouw Priskilla waren kort daarvoor uit Italië gekomen omdat Claudius alle Joden had bevolen Rome te verlaten. Hij ging dus naar ze toe  en omdat hij net als zij tentenmaker van beroep was, ging hij bij ze wonen en werkte hij met ze samen.+  Elke sabbat+ hield hij een toespraak in de synagoge+ en overtuigde hij Joden en Grieken.  Toen Silas+ en Timotheüs+ uit Macedonië waren gekomen, ging Paulus zich helemaal op het woord richten door de Joden getuigenis te geven om te bewijzen dat Jezus de Christus is.+  Maar ze bleven zich tegen hem verzetten en spottend spreken. Daarom schudde hij zijn kleren uit+ en zei tegen ze: ‘Laat jullie bloed op je eigen hoofd neerkomen.+ Ik ben rein.+ Vanaf nu ga ik naar de heidenen.’*+  Hij vertrok daarvandaan en ging naar het huis van een man die Ti̱tius Ju̱stus heette, een aanbidder van God. Zijn huis stond naast de synagoge.  Cri̱spus,+ de bestuurder van de synagoge, ging in de Heer geloven, net als al zijn huisgenoten. En veel Korinthiërs die luisterden, gingen geloven en werden gedoopt.  Bovendien zei de Heer ’s nachts in een visioen tegen Paulus: ‘Wees niet bang, maar blijf spreken en zwijg niet, 10  want ik ben met je.+ Niemand zal je aanvallen en je kwaad doen, want ik heb veel mensen in deze stad.’ 11  Daarom bleef hij daar anderhalf jaar, terwijl hij hun het woord van God onderwees. 12  Toen Ga̱llio proconsul van Acha̱je was, keerden de Joden zich gezamenlijk tegen Paulus en brachten hem naar de rechterstoel. 13  Ze zeiden: ‘Deze man haalt mensen over om God te aanbidden op een manier die in strijd is met de wet.’+ 14  Maar nog voordat Paulus iets kon zeggen, zei Ga̱llio tegen de Joden: ‘Als het echt zou gaan om een of ander onrecht of een ernstig misdrijf, o Joden, zou ik reden hebben om jullie geduldig aan te horen. 15  Maar als het gaat om geruzie over woorden, namen en jullie eigen wet,+ dan moeten jullie het zelf maar uitzoeken. Over zulke dingen wil ik geen rechter zijn.’ 16  En hij joeg ze bij de rechterstoel weg. 17  Toen grepen ze met zijn allen So̱sthenes,+ de bestuurder van de synagoge, en ze gaven hem voor de rechterstoel een pak slaag. Maar Ga̱llio bemoeide zich er niet mee. 18  Paulus bleef daar nog een hele tijd. Toen nam hij afscheid van de broeders en vertrok per schip om naar Syrië te gaan, samen met Priskilla en Aqu̱i̱la. In Ke̱nchrea+ had hij zijn haar kort laten knippen vanwege een gelofte die hij had gedaan. 19  Ze kwamen in E̱feze aan en daar liet hij hen achter. Zelf ging hij naar de synagoge om met de Joden te redeneren.+ 20  Ze drongen erop aan dat hij langer zou blijven, maar op dat verzoek ging hij niet in. 21  Hij nam afscheid en zei tegen ze: ‘Ik kom weer bij jullie terug, als Jehovah het wil.’ Hij vertrok per schip uit E̱feze 22  en ging naar Cesare̱a.+ Hij reisde verder en groette de gemeente, en vervolgens ging hij naar Antiochi̱ë.+ 23  Nadat hij daar wat tijd had doorgebracht, vertrok hij en ging van plaats naar plaats door het gebied van Galatië en Frygië+ om alle discipelen op te bouwen.+ 24  Intussen arriveerde er in E̱feze een Jood die uit Alexandri̱ë kwam en Apollos heette.+ Hij was een welbespraakt man die veel wist van de Schrift 25  en die was onderwezen in de weg van Jehovah. Vurig van geest vertelde en onderwees hij nauwkeurig over Jezus, hoewel hij alleen de doop van Johannes kende.+ 26  Hij begon vrijmoedig in de synagoge te spreken. Toen Priskilla en Aqu̱i̱la+ hem hoorden, namen ze hem met zich mee en legden hem de weg van God nauwkeuriger uit. 27  Omdat hij graag naar Acha̱je wilde oversteken, schreven de broeders aan de discipelen en vroegen hun hem vriendelijk te ontvangen. Toen hij daar eenmaal was aangekomen, was hij een grote hulp voor degenen die dankzij Gods onverdiende goedheid gelovigen waren geworden. 28  Want in het openbaar bewees hij ijverig en grondig dat de Joden ongelijk hadden. Aan de hand van de Schrift liet hij ze zien dat Jezus de Christus is.+

Voetnoten

Aantekeningen

Achaje: In de Griekse Geschriften wordt met Achaje verwezen naar de Romeinse provincie in het zuiden van Griekenland waarvan de hoofdstad Korinthe was. Nadat Caesar Augustus in 27 v.Chr. de twee Griekse provincies Macedonië en Achaje had gereorganiseerd, sloeg de naam Achaje op de hele Peloponnesos en een deel van het vasteland van Griekenland. De provincie Achaje stond onder het bestuur van de Romeinse senaat en werd vanuit de hoofdstad Korinthe door een proconsul geregeerd (2Kor 1:1). Andere steden van de provincie Achaje die in de Griekse Geschriften worden vermeld, waren Athene en Kenchrea (Han 18:1, 18; Ro 16:1). Achaje en de aangrenzende provincie in het N, Macedonië, werden vaak samen genoemd (Han 19:21; Ro 15:26; 1Th 1:7, 8; zie App. B13).

Korinthe: Een van de oudste en belangrijkste steden van het oude Griekenland. De oude stad lag zo’n 5 km ten ZW van de huidige stad. Dat Korinthe zo rijk en belangrijk was, kwam voornamelijk door de strategische ligging ervan op de landengte (istmus) die het vasteland van Griekenland verbindt met het zuidelijke schiereiland, de Peloponnesos. Korinthe beheerste niet alleen de noord-zuidhandelsroute over land maar ook de oost-westhandelsroute over de Middellandse Zee, aangezien het veiliger was om over de istmus te reizen dan rond Griekenland te varen. Achaje, zoals de Romeinen het deel van Griekenland noemden dat buiten Macedonië lag, werd tijdens de regering van Caesar Augustus een Romeinse senaatsprovincie en Korinthe werd de hoofdstad. (Zie aantekening bij Han 18:12.) Een groot aantal Joden had zich in Korinthe gevestigd en er een synagoge gesticht, die ook een aantal Griekse volgelingen had getrokken (Han 18:4). Dat er in het oude Korinthe Joden woonden, wordt bevestigd door de eerste-eeuwse schrijver Philo en door een Oudgriekse inscriptie op een marmeren bovendorpel die in de buurt van de poort naar de haven Lechaeum is gevonden. De inscriptie luidt ‘[Suna]goge Hebr[aion]’ en betekent ‘Synagoge van de Hebreeën’. Sommigen denken dat de dorpel uit de tijd van Paulus is, maar de meesten zijn van mening dat de dorpel later gedateerd moet worden.

Aquila: Deze getrouwe christen en zijn loyale vrouw Priskilla (ook Priska genoemd) worden ‘medewerkers’ van Paulus genoemd (Ro 16:3). Ze worden in totaal zes keer in de Griekse Geschriften genoemd (Han 18:18, 26; 1Kor 16:19; 2Ti 4:19) en ze worden elke keer samen vermeld. Priskilla is de verkleinvorm van de naam Priska. De kortere vorm van de naam komt voor in de geschriften van Paulus en de langere vorm in die van Lukas. Zo’n variatie was gebruikelijk bij Romeinse namen. Aquila en Priskilla waren in Korinthe gaan wonen nadat ze ergens in 49 of begin 50 uit Rome waren verbannen na het decreet van keizer Claudius tegen de Joden. Toen Paulus daar in de herfst van 50 aankwam, ging hij samen met dit echtpaar tenten maken, een ambacht dat ze alle drie beheersten. Aquila en Priskilla hebben Paulus ongetwijfeld geholpen de nieuwe gemeente daar op te bouwen. Aquila kwam uit Pontus, een regio in het noorden van Klein-Azië aan de Zwarte Zee.

tentenmaker: Het Griekse skenopoios wordt hier gebruikt voor het ambacht van Paulus, Aquila en Priskilla. Er bestaan verschillende ideeën over wat voor ambachtsman er precies mee wordt aangeduid (tentenmaker, tapijtwever of touwslager), maar meerdere geleerden zijn van mening dat het waarschijnlijk ‘tentenmaker’ betekent. Paulus kwam uit Tarsus in Cilicië, een omgeving die bekendstond om cilicium, een geitenharen stof waarvan tenten werden gemaakt (Han 21:39). In de eerste eeuw vonden de Joden het eervol als een jonge man een vak leerde, zelfs als hij ook hoger onderwijs zou krijgen. Waarschijnlijk heeft Paulus het vak dus in zijn jeugd geleerd. Het was geen makkelijk werk, want cilicium was stug en ruw en daarom was het snijden en naaien ervan zwaar werk.

hield hij een toespraak: Of ‘redeneerde hij met mensen’. Het Griekse werkwoord dialegomai is wel gedefinieerd als ‘debatteren’, ‘een gesprek voeren’. Het kan duiden op het houden van een educatieve lezing en ook op een interactie tussen mensen waarbij ideeën worden uitgewisseld. (Andere verzen waar hetzelfde Griekse woord wordt gebruikt: Han 17:2, 17; 18:19; 19:8, 9; 20:7, 9.)

ging Paulus zich helemaal op het woord richten: Of ‘ging Paulus helemaal op in de prediking van het woord’. Deze uitdrukking wijst erop dat Paulus vanaf dit punt al zijn tijd besteedde aan de prediking.

zij schudden het stof van hun voeten tegen hen af: Paulus en Barnabas pasten hier Jezus’ instructie toe die staat in Mt 10:14, Mr 6:11 en Lu 9:5. Vrome Joden die terugkwamen van een reis door heidens gebied schudden ‘onrein’ stof van hun sandalen voordat ze weer op Joods grondgebied kwamen. Maar Jezus had blijkbaar een andere betekenis in gedachten toen hij zijn discipelen deze instructies gaf. Met dit gebaar wezen de discipelen de verantwoordelijkheid af voor de consequenties, die van God zouden komen. Toen Paulus in Korinthe iets vergelijkbaars deed door zijn kleren uit te schudden, zei hij bij wijze van uitleg: ‘Laat jullie bloed op je eigen hoofd neerkomen. Ik ben rein.’ (Zie aantekening bij Han 18:6.)

schud het stof van je voeten: Vrome Joden die terugkwamen van een reis door heidens gebied schudden ‘onrein’ stof van hun sandalen voordat ze weer op Joods grondgebied kwamen. Maar Jezus had blijkbaar een andere betekenis in gedachten toen hij zijn discipelen deze instructies gaf. Met dit gebaar zouden de discipelen de verantwoordelijkheid afwijzen voor de consequenties, die van God zouden komen. Een vergelijkbare uitdrukking komt voor in Mt 10:14 en Mr 6:11. Markus voegt daaraan de uitdrukking ‘als een getuigenis voor hen’ toe en Lukas voegt als een getuigenis tegen hen toe. Paulus en Barnabas pasten deze instructie toe in Antiochië in Pisidië (Han 13:51). Toen Paulus in Korinthe iets vergelijkbaars deed door zijn kleren uit te schudden, zei hij bij wijze van uitleg: ‘Laat jullie bloed op je eigen hoofd neerkomen. Ik ben rein’ (Han 18:6).

Laat zijn bloed over ons en over onze kinderen komen: Dat wil zeggen: ‘Wij en onze nakomelingen nemen de verantwoordelijkheid voor zijn dood.’

dat ik rein ben van het bloed van alle mensen: Paulus had geen bloedschuld in Gods ogen, omdat hij niet had nagelaten het goede nieuws van het Koninkrijk te prediken. Hij had mensen niet de levensreddende informatie onthouden die deze boodschap bevat (Han 18:6; vergelijk Ez 33:6-8). Paulus bracht ‘alle raad van God’ aan de discipelen in Efeze over, omdat hij niet wilde dat iemand zijn leven zou verliezen op Gods Oordeelsdag (Han 20:27). Een christen zou in Gods ogen ook bloedschuld op zich laden door een moord te plegen of door bloedvergieten — dit zou ook betrekking hebben op het actief of stilzwijgend ondersteunen van een organisatie die bloedschuld heeft, zoals ‘Babylon de Grote’ (Opb 17:6; 18:2, 4), of van andere organisaties die onschuldig bloed hebben vergoten (Opb 16:5, 6; vergelijk Jes 26:20, 21). Ook als iemand in de een of andere vorm bloed eet of drinkt, zou hij bloedschuld op zich laden (Han 15:20).

schudde hij zijn kleren uit: Met dit gebaar gaf Paulus aan dat hij de verantwoordelijkheid afwees voor de Joden in Korinthe die weigerden de levensreddende boodschap over de Christus te aanvaarden. Paulus had zijn plicht gedaan en zou niet meer ter verantwoording worden geroepen voor hun leven. (Zie aantekening Laat jullie bloed op je eigen hoofd neerkomen bij dit vers.) Dit gebaar komt vaker in de Bijbel voor. Toen Nehemia de Joden toesprak die naar Jeruzalem waren teruggegaan, schudde hij de plooi van zijn gewaad uit om aan te geven dat iemand die zich niet aan een bepaalde belofte hield door God zou worden afgewezen (Ne 5:13). Paulus maakte in Pisidisch Antiochië een soortgelijk gebaar toen hij ‘het stof van zijn voeten afschudde’ tegen de inwoners van die stad die hem tegenstand boden. (Zie aantekeningen bij Han 13:51 en Lu 9:5.)

Laat jullie bloed op je eigen hoofd neerkomen: Paulus gebruikt deze uitdrukking om aan te geven dat hij niet verantwoordelijk is voor de gevolgen die de Joden zouden ondervinden als ze de boodschap over Jezus, de Messias, niet wilden aanvaarden. Vergelijkbare uitspraken in de Hebreeuwse Geschriften brengen de gedachte over dat iemand die een handelwijze volgt die de dood verdient, zelf verantwoordelijk is voor het verlies van zijn leven (Joz 2:19; 2Sa 1:16; 1Kon 2:37; Ez 33:2-4; zie aantekening bij Mt 27:25). Paulus voegt eraan toe: Ik ben rein, dat wil zeggen: ‘Ik ben onschuldig [mij treft geen blaam].’ (Zie aantekening bij Han 20:26.)

die God aanbaden: Het Griekse sebomai, dat hier is weergegeven met ‘die God aanbaden’, betekent ‘aanbidden’, ‘vereren’. Het kan ook worden vertaald met ‘godvrezend’, ‘vroom’. (Zie aantekening bij Han 13:50.) De Syrische Pesjitta vertaalt het met ‘die ontzag voor God hadden’. Eén vertaling van de Griekse Geschriften in het Hebreeuws (in App. C4 J18 genoemd) gebruikt hier Gods naam, en de volledige uitdrukking kan worden weergegeven met ‘die ontzag voor Jehovah hadden’.

Jehovah opende haar hart: Van Lydia wordt gezegd dat ze God aanbad, wat erop duidt dat ze een joodse proseliet was (Han 13:43). Op de sabbat kwam ze met andere vrouwen samen op een gebedsplaats bij een rivier buiten Filippi (Han 16:13). Misschien waren er in Filippi weinig Joden en was er geen synagoge. Het kan zijn dat Lydia de aanbidding van Jehovah had leren kennen in Thyatira, waar ze vandaan kwam. Daar woonden namelijk veel Joden en was een Joodse vergaderplaats. Jehovah, de God die ze aanbad, merkte op dat ze vol aandacht was. (Zie App. C.)

vertrok daarvandaan: Dat wil zeggen van de synagoge naar het huis van Titius Justus, waar Paulus verderging met prediken. Paulus bleef in het huis van Aquila en Priskilla wonen terwijl hij in Korinthe was, maar het huis van Justus werd blijkbaar het centrum vanwaaruit de apostel predikte (Han 18:3).

Titius Justus: Een gelovige in Korinthe die een aanbidder van God wordt genoemd, wat erop duidt dat hij een joodse proseliet was. (Zie aantekeningen bij Han 13:43 en 16:14.)

proconsul: De titel van de gouverneur van een provincie die door de Romeinse senaat werd bestuurd. Sommige Romeinse provincies, zoals Judea, waren keizerlijke provincies die rechtstreeks onder het bestuur vielen van de keizer, die er een gouverneur over aanstelde. Omdat Cyprus in 22 v.Chr. een senaatsprovincie werd, kwam het eiland onder het bestuur van een proconsul. Er is een munt van Cyprus gevonden met op de ene kant de beeltenis en titel van de Romeinse keizer Claudius (in het Latijn) en op de andere kant ‘Onder Cominius Proclus, proconsul van de Cyprioten’ (in het Grieks). (Zie Woordenlijst.)

proconsul: Een provinciebestuurder voor de Romeinse senaat. Hier wordt van Gallio gezegd dat hij proconsul was van de provincie Achaje. Lukas gebruikt hier terecht de term proconsul, want Achaje was van 27 v.Chr. tot 15 n.Chr. en opnieuw vanaf 44 n.Chr. een senaatsprovincie. (Zie aantekening bij Han 13:7.) Een inscriptie in Delphi waarin naar de proconsul Gallio wordt verwezen, laat zien dat Lukas’ verslag nauwkeurig is en helpt om vast te stellen in welke periode Gallio’s ambtstermijn was.

Achaje: In de Griekse Geschriften wordt met Achaje verwezen naar de Romeinse provincie in het zuiden van Griekenland waarvan de hoofdstad Korinthe was. Nadat Caesar Augustus in 27 v.Chr. de twee Griekse provincies Macedonië en Achaje had gereorganiseerd, sloeg de naam Achaje op de hele Peloponnesos en een deel van het vasteland van Griekenland. De provincie Achaje stond onder het bestuur van de Romeinse senaat en werd vanuit de hoofdstad Korinthe door een proconsul geregeerd (2Kor 1:1). Andere steden van de provincie Achaje die in de Griekse Geschriften worden vermeld, waren Athene en Kenchrea (Han 18:1, 18; Ro 16:1). Achaje en de aangrenzende provincie in het N, Macedonië, werden vaak samen genoemd (Han 19:21; Ro 15:26; 1Th 1:7, 8; zie App. B13).

Kenchrea: Kenchrea was een zeehaven van Korinthe en lag op de smalle istmus (landengte) aan de kant van de Saronische Golf, zo’n 11 km ten O van Korinthe. Het was de haven van Korinthe voor plaatsen ten O van Griekenland, terwijl Lechaeum, aan de andere kant van de istmus, als haven voor Italië en het W fungeerde. In de buurt van het dorp Kechries (Kechriais) zijn nog ruïnes van onder meer gebouwen en havendammen. Volgens Ro 16:1 was er in Kenchrea een christelijke gemeente.

de wil van Jehovah: Het Griekse woord voor wil (thelema) zoals dat in de Griekse Geschriften wordt gebruikt, wordt meestal in verband gebracht met Gods wil (Mt 7:21; 12:50; Mr 3:35; Ro 12:2; 1Kor 1:1; Heb 10:36; 1Pe 2:15; 4:2; 1Jo 2:17). In de Septuaginta wordt thelema vaak gebruikt om Hebreeuwse uitdrukkingen voor Gods wil (of waarmee hij ingenomen is) te vertalen, en het woord is te vinden in passages waarin Gods naam voorkomt (Ps 40:8, 9 [39:9, 10, LXX]; 103:21 [102:21, LXX]; 143:9-11 [142:9-11, LXX]; Jes 44:24, 28; Jer 9:24 [9:23, LXX]; Mal 1:10). Jezus uitte een vergelijkbare gedachte toen hij volgens Mt 26:42 tot zijn Vader bad: ‘Laat uw wil gebeuren.’ (Zie App. C.)

als Jehovah het wil: Een uitdrukking die laat uitkomen dat we rekening moeten houden met Gods wil als we plannen maken of iets doen. Paulus hield dat principe goed in gedachte (1Kor 4:19; 16:7; Heb 6:3). De discipel Jakobus moedigde zijn lezers aan om te zeggen: ‘Als Jehovah het wil, zullen we in leven zijn en dit of dat doen’ (Jak 4:15). Zo’n uitspraak moet geen loze kreet zijn. Iemand die oprecht zegt ‘als Jehovah het wil’, moet proberen in overeenstemming met Jehovah’s wil te handelen. Dat hoeft niet altijd hardop gezegd te worden, maar wordt vaak alleen in het hart geuit. (Zie aantekeningen bij Han 21:14, 1Kor 4:19, Jak 4:15 en App. C.)

Hij reisde verder: Of ‘hij ging op’. Hoewel Jeruzalem niet specifiek in de Griekse tekst wordt vermeld, ging Paulus blijkbaar naar die stad. Jeruzalem ligt zo’n 750 m boven zeeniveau, en in de Bijbel wordt vaak gezegd dat aanbidders ‘naar Jeruzalem opgingen’. Het Griekse werkwoord anabaino (opgaan, stijgen) wordt vaak gebruikt wanneer Jeruzalem als bestemming wordt vermeld (Mt 20:17; Mr 10:32; Lu 18:31; 19:28; Jo 2:13; 5:1; 11:55; Han 11:2; 21:12, 15; 24:11; 25:1, 9; Ga 2:1). Bovendien wordt in dit vers ook een werkwoord gebruikt dat ‘afdalen’ betekent (katabaino), en dat werkwoord wordt soms gebruikt in verband met een vertrek uit Jeruzalem (Mr 3:22; Lu 10:30, 31; Han 24:1, 22; 25:7).

Apollos: Een Joodse christen die blijkbaar in Alexandrië was grootgebracht, de hoofdstad van de Romeinse provincie Egypte. Alexandrië was een centrum van hoger onderwijs, beroemd om zijn grote bibliotheek. Na Rome was het de grootste stad van het Romeinse Rijk en er waren veel Joodse inwoners. Het was een van de belangrijkste centra van cultuur en onderwijs voor zowel Joden als Grieken. De Griekse vertaling van de Hebreeuwse Geschriften die bekendstaat als de Septuaginta werd daar gemaakt. Die achtergrond kan verklaren waarom van Apollos gezegd wordt dat hij veel wist van [lett.: ‘machtig in’] de Schrift, dat wil zeggen de geïnspireerde Hebreeuwse Geschriften.

De Weg: Een aanduiding die in Handelingen wordt gebruikt voor de christelijke levenswijze en voor de christelijke gemeente in de eerste eeuw. Misschien is de aanduiding gebaseerd op Jezus’ uitspraak in Jo 14:6: ‘Ik ben de weg.’ Over de volgelingen van Jezus werd gezegd dat ze hoorden bij ‘De Weg’, dat wil zeggen dat ze in hun manier van leven Jezus’ voorbeeld volgden (Han 19:9). Zijn leven draaide om de aanbidding van de enige ware God, Jehovah. Bij christenen was deze levenswijze ook gericht op geloof in Jezus Christus. Ergens na het jaar 44 werden de discipelen van Jezus in Syrisch Antiochië ‘door Gods voorzienigheid voor het eerst christenen genoemd’ (Han 11:26). Maar zelfs daarna sprak Lukas nog steeds over de gemeente als ‘De Weg’ of ‘deze Weg’ (Han 19:23; 22:4; 24:22; zie aantekeningen bij Han 18:25 en 19:23).

Jehovah: In dit citaat uit Jes 40:3 komt Gods naam (weergegeven met vier Hebreeuwse medeklinkers, getranslitereerd als JHWH) voor in de oorspronkelijke Hebreeuwse tekst. (Zie App. C.) Mattheüs past deze profetie toe op wat Johannes de Doper deed om de weg voor Jezus vrij te maken. In het evangelie van Johannes past Johannes de Doper deze profetie toe op zichzelf (Jo 1:23).

Jehovah: In dit citaat uit Jes 40:3 komt Gods naam (weergegeven met vier Hebreeuwse medeklinkers, getranslitereerd als JHWH) voor in de oorspronkelijke Hebreeuwse tekst. (Zie App. C.) Markus past deze profetie toe op wat Johannes de Doper (Mr 1:4) deed om de weg voor Jezus vrij te maken. (Zie aantekening bij Mt 3:3.)

Jehovah: In dit citaat uit Jes 40:3 komt Gods naam (weergegeven met vier Hebreeuwse medeklinkers, getranslitereerd als JHWH) voor in de oorspronkelijke Hebreeuwse tekst. (Zie App. C.) Lukas past deze profetie toe op Johannes de Doper. Johannes zou de weg van Jehovah vrijmaken in de zin dat hij de voorloper zou zijn van Jezus, die zijn Vader zou vertegenwoordigen en in de naam van zijn Vader zou komen (Jo 5:43; 8:29). In het evangelie van de apostel Johannes past Johannes de Doper deze profetie toe op zichzelf (Jo 1:23).

Jehovah: In dit citaat uit Jes 40:3 komt Gods naam (weergegeven met vier Hebreeuwse medeklinkers, getranslitereerd als JHWH) voor in de oorspronkelijke Hebreeuwse tekst. (Zie App. A5 en C.) De evangelieschrijvers Mattheüs, Markus en Lukas passen deze profetie toe op Johannes de Doper, en hier in het evangelie van Johannes past Johannes de Doper de profetie toe op zichzelf. Johannes zou de weg van Jehovah rechtmaken in de zin dat hij de voorloper zou zijn van Jezus, die zijn Vader zou vertegenwoordigen en in de naam van zijn Vader zou komen (Jo 5:43; 8:29).

De Weg: Zoals uit de aantekening bij Han 9:2 blijkt, werd ‘De Weg’ in de eerste eeuw gebruikt als aanduiding voor de christelijke gemeente. Bij het ware christendom gaat het niet om de buitenkant of om formele aanbidding. Het is een manier van leven waarbij de aanbidding van God centraal staat en iemand zich laat leiden door Zijn geest (Jo 4:23, 24). In de Syrische Pesjitta staat ‘de weg van God’, de Latijnse Vulgaat (Clementina) zegt ‘de weg van de Heer’ en sommige vertalingen van de Griekse Geschriften in het Hebreeuws (in App. C4 J17, 18 genoemd) gebruiken hier Gods naam en zeggen: ‘Jehovah’s weg’.

zette de geest hem ertoe aan (...) te gaan: Of ‘bewoog de actieve kracht hem ertoe (...) te gaan’. Het Griekse pneuma verwijst hier naar Gods geest, die als een aandrijvende kracht kan werken en iemand ertoe kan aanzetten dingen te doen in overeenstemming met Gods wil (Lu 4:1; zie Woordenlijst).

onderwezen: Het Griekse werkwoord katecheo betekent letterlijk ‘weerklinken’ of ‘doorklinken’ en kan de gedachte van mondeling onderwijs omvatten. Als de waarheden uit Gods woord herhaaldelijk ‘weerklinken’ in het hart en de geest van een leerling, kan hij anderen gaan onderwijzen. (Vergelijk Ga 6:6, waar twee keer hetzelfde Griekse woord wordt gebruikt.)

de weg van Jehovah: In het volgende vers wordt de synonieme uitdrukking ‘de weg van God’ gebruikt. De christelijke leefwijze draait om de aanbidding van de enige ware God, Jehovah, en geloof in zijn Zoon, Jezus Christus. In Handelingen wordt deze manier van leven eenvoudig ‘De Weg’ of ‘deze Weg’ genoemd (Han 19:9, 23; 22:4; 24:22; zie aantekening bij Han 9:2). Bovendien komt de uitdrukking ‘de weg van Jehovah’ vier keer in de evangeliën voor als onderdeel van een citaat uit Jes 40:3. (Zie aantekeningen bij Mt 3:3, Mr 1:3, Lu 3:4 en Jo 1:23.) In Jes 40:3 staat in de oorspronkelijke Hebreeuwse tekst het Tetragrammaton. De uitdrukking ‘de weg van Jehovah’ (of ‘Jehovah’s weg’) komt ook voor in Re 2:22 en Jer 5:4, 5. (Zie aantekening bij Han 19:23 en App. C.)

Vurig van geest: Lett.: ‘kokend aan de geest’. Het Griekse woord dat met ‘vurig’ is weergegeven betekent letterlijk ‘koken’, maar hier wordt het metaforisch gebruikt voor overvloeien van ijver en enthousiasme. In deze uitdrukking verwijst het Griekse woord voor geest (pneuma) blijkbaar naar Gods heilige geest, die als een aandrijvende kracht kan werken en iemand ertoe kan aanzetten en de kracht kan geven dingen te doen in overeenstemming met Jehovah’s wil. (Zie aantekening bij Mr 1:12.) Maar met ‘geest’ kan ook gedoeld worden op de aandrijvende kracht die van iemands figuurlijke hart uitgaat en hem ertoe aanzet dingen op een bepaalde manier te zeggen en te doen. Dit vers kan dus de gedachte bevatten dat iemand ijver en enthousiasme toont voor wat juist is doordat hij wordt geleid door Gods geest. Maar sommigen vinden dat de uitdrukking in deze context gewoon een idioom is voor grote vurigheid en enthousiasme. Als dat zo is, kan het verklaren hoe Apollos ‘vurig van geest’ kon zijn terwijl hij de doop in de naam van Jezus nog niet kende. In elk geval moest Apollos’ geest geleid worden door Gods geest om enthousiasme te tonen voor de juiste dingen en om bereid te zijn leringen te aanvaarden die nauwkeuriger waren. (Zie Woordenlijst ‘Geest’.)

de doop van Johannes: Door deze doop liet iemand in het openbaar zien dat hij berouw had van zijn zonden tegen de wet die Jehovah aan Mozes gegeven had, een wet waaraan de Joden hadden beloofd zich te houden (Ex 24:7, 8). Maar de doop van Johannes was niet meer geldig na Pinksteren 33, toen er een eind kwam aan het wetsverbond (Ro 10:4; Ga 3:13; Ef 2:13-15; Kol 2:13, 14). Vanaf die tijd was de enige doop die door Jehovah werd goedgekeurd de doop waartoe Jezus zijn discipelen opdracht had gegeven (Mt 28:19, 20). De gebeurtenissen waarbij Apollos betrokken was, vonden plaats rond het jaar 52.

Gods: Lett.: ‘de’. Hoewel hier in de Griekse tekst niet het woord voor ‘Gods’ staat, zijn veel geleerden het erover eens dat het geïmpliceerd wordt. In Handelingen wordt de uitdrukking ‘onverdiende goedheid’ meestal in verband gebracht met God (Han 11:23; 13:43; 14:26; 20:24, 32).

Media

Keizer Claudius
Keizer Claudius

In Handelingen wordt de Romeinse keizer Claudius twee keer bij naam genoemd (Han 11:28; 18:2). Hij volgde zijn neef Caligula (die van 37-41 regeerde en niet in de Bijbel vermeld wordt) op als vierde keizer van Rome en regeerde van 41-54. Rond 49/50 beval Claudius alle Joden om Rome te verlaten. Om die reden vertrokken Priskilla en Aquila naar Korinthe, waar ze Paulus ontmoetten. Naar verluidt werd Claudius in 54 vergiftigd door zijn vierde vrouw. Hij werd opgevolgd door keizer Nero.

Gallio-inscriptie
Gallio-inscriptie

Deze inscriptie, die gevonden is in Delphi (Griekenland) en dateert van halverwege de eerste eeuw, spreekt over de proconsul Gallio. (Zijn naam is gemarkeerd.) In Han 18:12 wordt correct gezegd dat ‘Gallio proconsul van Achaje was’ in de tijd dat de Joden in Korinthe Paulus naar Gallio brachten om hem te laten berechten.

Rechterstoel in Korinthe
Rechterstoel in Korinthe

Op de foto zijn de restanten te zien van de ‘rechterstoel’ (bema) in Korinthe. Het was een groot, verhoogd podium dat gebruikt werd om mensen toe te spreken. De rechterstoel in Korinthe lag ongeveer in het midden van de agora, een groot openbaar plein. Magistraten maakten vanaf dit platform hun oordelen bekend. De rechterstoel was van wit en blauw marmer en was rijk versierd. Mensen die de magistraat moesten spreken, wachtten in aangrenzende kamers met mozaïekvloeren en banken. Hier is ook een artistieke impressie te zien van hoe de Korinthische rechterstoel er in de eerste eeuw uitgezien kan hebben. Men denkt dat de Joden Paulus hiernaartoe brachten om voor de proconsul Gallio te verschijnen.

Cesarea
Cesarea

1. Romeins theater

2. Paleis

3. Hippodroom

4. Heidense tempel

5. Haven

In dit filmpje van de ruïnes van Cesarea zie je 3D-reconstructies die een indruk geven van hoe sommige van de hoofdgebouwen er misschien hebben uitgezien. De havenstad Cesarea is aan het eind van de eerste eeuw v.Chr. gebouwd door Herodes de Grote. Hij vernoemde de stad naar Caesar Augustus. Cesarea lag aan de Middellandse Zee, zo’n 87 kilometer ten noordwesten van Jeruzalem, en werd een belangrijke havenstad. Er was een Romeins theater (1), een paleis dat in zee uitstak (2), een hippodroom — een stadion waar paardenrennen en andere evenementen werden gehouden met ruimte voor naar schatting 30.000 toeschouwers (3), en een heidense tempel (4). De aangelegde haven (5) was een bouwkundig meesterwerk. Een aquaduct voorzag Cesarea van vers water, en de stad had een eigen rioleringssysteem. Paulus en andere christenen reisden per schip van en naar Cesarea (Han 9:30; 18:21, 22; 21:7, 8, 16). Paulus heeft er zo’n twee jaar gevangengezeten (Han 24:27). De evangelieprediker Filippus sloot een predikingstocht af in Cesarea, en mogelijk heeft hij zich daar gevestigd (Han 8:40; 21:8). De eerste heidenen die christenen werden, Cornelius en zijn familie, woonden in deze stad (Han 10:1, 24, 34, 35, 45-48). En waarschijnlijk heeft Lukas er zijn evangelie geschreven.