Volgens Lukas 23:1-56

23  De hele menigte stond op en ze brachten hem naar Pilatus.+  Daar begonnen ze hem te beschuldigen:+ ‘We hebben vastgesteld dat deze man ons volk tot opstand aanzet en de mensen verbiedt belasting aan caesar te betalen.+ Hij zegt van zichzelf dat hij Christus is, een koning.’+  Pilatus vroeg hem: ‘Bent u de Koning van de Joden?’ Hij antwoordde: ‘U zegt het zelf.’+  Toen zei Pilatus tegen de overpriesters en de menigte: ‘Ik heb niets strafbaars bij deze man gevonden.’+  Maar ze hielden vol: ‘Hij hitst het volk in heel Judea op met zijn leer, van Galilea helemaal tot hier.’  Toen Pilatus dat hoorde, vroeg hij of de man een Galileeër was.  Nadat hij had vastgesteld dat Jezus onder het rechtsgebied van Herodes viel,+ stuurde hij hem door naar Herodes, die op dat moment ook in Jeruzalem was.  Herodes was heel blij toen hij Jezus zag. Hij wilde hem al een hele tijd ontmoeten omdat hij veel over hem gehoord had+ en hoopte hem een wonder* te zien doen.  Daarom ondervroeg hij hem uitgebreid, maar hij gaf geen antwoord.+ 10  De overpriesters en de schriftgeleerden stonden steeds op en beschuldigden hem fel. 11  Toen vernederden Herodes en zijn soldaten hem,+ en hij maakte hem belachelijk+ door hem in een schitterend gewaad te steken. Daarna stuurde hij hem terug naar Pilatus.+ 12  Op die dag werden Herodes en Pilatus vrienden, terwijl ze voor die tijd vijanden van elkaar waren geweest. 13  Pilatus riep de overpriesters, de regeerders en het volk bij elkaar 14  en zei tegen ze: ‘Jullie hebben deze man bij me gebracht als iemand die het volk tot opstand aanzet. Ik heb hem in jullie bijzijn verhoord, maar ik heb geen basis gevonden voor de beschuldigingen die jullie tegen hem inbrengen.+ 15  Ook Herodes trouwens niet, want hij heeft hem naar ons teruggestuurd. De man heeft niets gedaan waarop de doodstraf staat. 16  Ik zal hem daarom straffen+ en hem vrijlaten.’ 17  —— 18  Maar de hele menigte schreeuwde: ‘Weg met hem! Laat Bara̱bbas vrij!’+ 19  (Deze man was gevangengezet vanwege een oproer in de stad en vanwege moord.) 20  Pilatus sprak hen opnieuw toe, want hij wilde Jezus vrijlaten.+ 21  Toen begonnen ze te schreeuwen: ‘Aan de paal met hem! Aan de paal met hem!’+ 22  De derde keer zei hij tegen ze: ‘Waarom? Wat voor slechts heeft deze man gedaan? Ik heb niets gevonden waarvoor hij de dood verdient.+ Ik zal hem daarom straffen en hem vrijlaten.’ 23  Vervolgens gingen ze aandringen en eisten ze luidkeels dat hij aan de paal gehangen zou worden. Hun geschreeuw gaf de doorslag.+ 24  Pilatus besloot hun eis in te willigen. 25  De man om wie ze vroegen en die vanwege oproer en moord gevangen was gezet, liet hij vrij, maar met Jezus mochten ze doen wat ze wilden. 26  Toen ze hem meenamen, grepen ze Simon, een man uit Cyre̱ne, die net van het land kwam. Ze legden de martelpaal op zijn rug en lieten hem die achter Jezus aan dragen.+ 27  Een grote menigte volgde Jezus, onder wie vrouwen die zich op de borst sloegen en om hem huilden. 28  Jezus draaide zich om naar de vrouwen en zei: ‘Dochters van Jeruzalem, huil niet* om mij, maar huil om jezelf en je kinderen.+ 29  Want er komt een tijd dat mensen zullen zeggen: “Gelukkig de onvruchtbare vrouwen, de schoot die niet heeft gebaard en de borsten die niet hebben gevoed!”+ 30  Dan zullen ze tegen de bergen zeggen: “Val op ons!”, en tegen de heuvels: “Bedek ons!”+ 31  Als ze deze dingen al doen wanneer de boom nog leeft, wat zal er dan gebeuren wanneer de boom verdord is?’ 32  Er werden nog twee mannen weggeleid om met hem terechtgesteld te worden, twee misdadigers.+ 33  Ze kwamen op de plaats die Schedel wordt genoemd.+ Daar hingen ze hem aan de paal, met de misdadigers naast hem: één rechts en één links van hem.+ 34  Jezus zei: ‘Vader, vergeef hen, want ze weten niet wat ze doen.’+ En ze verdeelden zijn kleren door het lot te werpen.+ 35  Het volk stond toe te kijken, maar de regeerders bespotten hem en zeiden: ‘Anderen heeft hij gered! Laat hij zichzelf maar redden als hij de Christus van God is, de Uitverkorene.’+ 36  Zelfs de soldaten bespotten hem. Ze kwamen naar hem toe, boden hem zure wijn aan+ 37  en zeiden: ‘Als je de Koning van de Joden bent, red jezelf dan.’ 38  Ook hing boven hem het opschrift: ‘Dit is de Koning van de Joden’.+ 39  Een van de misdadigers die daar hing, zei spottend tegen hem:+ ‘Ben jij niet de Christus? Red jezelf dan en ons erbij!’ 40  Maar de ander wees hem terecht met de woorden: ‘Heb je dan zelfs geen ontzag voor God nu je dezelfde straf ondergaat? 41  En bij ons is het terecht, want wij krijgen ons verdiende loon. Maar deze man heeft niets verkeerds gedaan.’ 42  Daarna zei hij: ‘Jezus, denk aan mij wanneer je in je Koninkrijk gekomen bent.’+ 43  Hij antwoordde: ‘Ik verzeker je vandaag: jij zult met mij in het paradijs zijn.’+ 44  Het was nu rond het zesde uur, en toch viel er een duisternis over het hele land,* tot het negende uur.+ 45  Er was namelijk geen zonlicht. Toen scheurde het gordijn van het heiligdom+ doormidden.+ 46  En Jezus riep luid: ‘Vader, aan uw handen vertrouw ik mijn geest toe.’+ Nadat hij dat had gezegd, blies hij de laatste adem uit.+ 47  De legerofficier zag wat er gebeurde en loofde God. Hij zei: ‘Deze man was echt rechtvaardig.’+ 48  Toen de grote groepen mensen die waren gekomen om naar het schouwspel te kijken, zagen wat er gebeurde, gingen ze naar huis, terwijl ze zich op de borst sloegen. 49  Degenen die hem hadden gekend, stonden op een afstand. Er waren daar ook vrouwen die met hem waren meegekomen vanuit Galilea en die zagen wat er gebeurde.+ 50  Nu was er een goede en rechtvaardige man die Jozef heette en een lid van de Raad was.+ 51  (Hij had niet ingestemd met hun complot en daden.) Hij kwam uit Arimathe̱a, een stad van de Judeeërs, en hij verwachtte het Koninkrijk van God. 52  Deze man ging naar Pilatus en vroeg om het lichaam van Jezus. 53  Hij nam het van de paal af+ en wikkelde het in fijn linnen. Toen legde hij het in een graf dat in de rotsen was uitgehakt+ en waarin nog niemand had gelegen. 54  Het was voorbereidingsdag+ en de sabbat+ was bijna aangebroken. 55  De vrouwen die met Jezus waren meegereisd uit Galilea, volgden hem. Ze bekeken het graf en zagen hoe zijn lichaam erin werd gelegd.+ 56  Daarna gingen ze terug om specerijen en geurige oliën te bereiden. Maar op de sabbat rustten ze natuurlijk,+ zoals voorgeschreven.

Voetnoten

Lett.: ‘teken’.
Of ‘niet langer’.
Lett.: ‘aarde’.

Aantekeningen

caesar: Of ‘de keizer’. Tijdens Jezus’ bediening op aarde was Tiberius keizer van Rome, maar deze term was niet beperkt tot de heersende keizer. ‘Caesar’ kon duiden op de Romeinse overheid (de staat) en de aangestelde vertegenwoordigers ervan, die Paulus ‘de superieure autoriteiten’ noemt en Petrus ‘de koning’ en zijn ‘gouverneurs’ (Ro 13:1-7; 1Pe 2:13-17; Tit 3:1; zie Woordenlijst).

U zegt het zelf: Blijkbaar bevestigt Jezus met dit antwoord wat Pilatus had gezegd. (Vergelijk de aantekeningen bij Mt 26:25, 64.) Hoewel Jezus tegenover Pilatus toegeeft dat hij echt een koning is, is dat niet in de betekenis die Pilatus eraan geeft, want Jezus’ Koninkrijk is ‘geen deel van deze wereld’ en vormt dus geen bedreiging voor Rome (Jo 18:33-37).

Bent u de Koning van de Joden?: In alle vier de evangelieverslagen wordt deze vraag van Pilatus in precies dezelfde woorden vermeld (Mt 27:11; Mr 15:2; Lu 23:3; Jo 18:33). Geen enkele koning in het Romeinse Rijk kon zonder toestemming van caesar regeren. Blijkbaar wilde Pilatus Jezus daarom vooral ondervragen over zijn koningschap.

U zegt het zelf: Zie aantekening bij Mt 27:11.

Herodes: Dat wil zeggen Herodes Antipas, de zoon van Herodes de Grote. Antipas was de districtsregeerder (tetrarch) van Galilea en Perea. Alleen Lukas vermeldt dat Jezus voor Herodes moest verschijnen (Lu 3:1; zie Woordenlijst).

scharlakenrode mantel: Het soort mantel dat koningen, magistraten en legerofficieren droegen. In Mr 15:17 en Jo 19:2 staat dat het om een purperen gewaad ging, maar in de oudheid was ‘purper’ de omschrijving voor elke kleur waarin rood en blauw voorkwam. Ook de hoek, lichtval en achtergrond kunnen invloed hebben gehad op de exacte kleur die werd waargenomen. Uit de variatie tussen de beschrijvingen van de kleur blijkt dat de evangelieschrijvers niet gewoon elkaars verslag overschreven.

deden hem een purperen gewaad aan: Dit werd gedaan om Jezus te bespotten en zijn koningschap belachelijk te maken. Volgens het verslag van Mattheüs (27:28) deden de soldaten Jezus ‘een scharlakenrode mantel’ om, het soort mantel dat koningen, magistraten en legerofficieren droegen. In het verslag van Markus en van Johannes (19:2) staat dat het om een purperen gewaad ging, maar in de oudheid was ‘purper’ de omschrijving voor elke kleur waarin rood en blauw voorkwam. Ook de hoek, lichtval en achtergrond kunnen invloed hebben gehad op de exacte kleur die werd waargenomen. Uit de variatie tussen de beschrijvingen van de kleur blijkt dat de evangelieschrijvers niet gewoon elkaars verslag overschreven.

een schitterend gewaad: Het kan zijn dat Herodes Antipas, districtsregeerder van Galilea en Perea en in naam een Jood, een van zijn eigen schitterende, mogelijk witte, koningsmantels heeft gebruikt om Jezus te verkleden als zogenoemde Koning van de Joden voordat hij hem naar Pilatus terugstuurde. Het Griekse woord dat hier voor gewaad wordt gebruikt (esthes) duidde meestal op een rijkversierd kledingstuk. Engelen verschenen in zulke kleding (Lu 24:4; zie ook Jak 2:2, 3). Dit Griekse woord wordt ook gebruikt voor het koninklijke gewaad dat Herodes Agrippa I droeg (Han 12:21). Het Griekse woord dat hier met ‘schitterend’ is weergegeven (lampros) komt van een woord dat ‘schijnen’, ‘stralen’, ‘schitteren’ betekent. Als het voor kleding wordt gebruikt, duidt het op mooie kleding en soms op glanzende of witte kleding. Blijkbaar is dit een ander gewaad dan de scharlakenrode mantel of het purperen gewaad dat Pilatus’ soldaten Jezus later omdeden bij het verblijf van de gouverneur (Mt 27:27, 28, 31; Jo 19:1, 2, 5; zie aantekeningen bij Mt 27:28 en Mr 15:17). Herodes, Pilatus en de Romeinse soldaten hadden blijkbaar dezelfde bedoeling toen ze Jezus deze twee verschillende kledingstukken aantrokken: hem belachelijk te maken als de zogenoemde Koning van de Joden (Jo 19:3).

In sommige manuscripten staat hier: ‘Hij moest op elk feest één man voor hen vrijlaten.’ Maar die woorden komen niet voor in verschillende oude, gezaghebbende manuscripten en maakten kennelijk geen deel uit van de oorspronkelijke tekst van Lukas. Een paar andere manuscripten voegen deze woorden toe na vers 19. Vergelijkbare verzen met iets andere bewoordingen zijn Mt 27:15 en Mr 15:6, waar geen onzekerheid bestaat over de tekst. Men denkt dat kopiisten deze woorden hier in Lukas hebben toegevoegd als uitleg op basis van de parallelverslagen in de evangeliën van Mattheüs en Markus.

gewoonte dat (...) een gevangene vrijliet: Dit voorval wordt door alle vier de evangelieschrijvers vermeld (Mr 15:6-15; Lu 23:16-25; Jo 18:39, 40). Er is in de Hebreeuwse Geschriften geen basis of precedent voor deze gewoonte. Maar blijkbaar was deze traditie onder de Joden ontstaan tegen de tijd dat Jezus op aarde kwam. De Romeinen zullen de gewoonte niet vreemd hebben gevonden, want er zijn aanwijzingen dat ze zelf ook gevangenen vrijlieten om de mensen tevreden te stellen.

de gewoonte om (...) één gevangene vrij te laten: Dit voorval wordt door alle vier de evangelieschrijvers vermeld (Mt 27:15-23; Lu 23:16-25; Jo 18:39, 40). Er is in de Hebreeuwse Geschriften geen basis of precedent voor deze gewoonte. Maar blijkbaar was deze traditie onder de Joden ontstaan tegen de tijd dat Jezus op aarde kwam. De Romeinen zullen de gewoonte niet vreemd hebben gevonden, want er zijn aanwijzingen dat ze zelf ook gevangenen vrijlieten om de mensen tevreden te stellen.

bij jullie gebruikelijk dat ik (...) iemand vrijlaat: Het gebruik om een gevangene vrij te laten wordt ook in Mt 27:15 en Mr 15:6 vermeld. Kennelijk was het een Joodse traditie, want Pilatus zei tegen de Joden: ‘Het is bij jullie gebruikelijk.’ Er is in de Hebreeuwse Geschriften geen basis of precedent voor deze gewoonte. Maar blijkbaar was deze traditie onder de Joden ontstaan tegen de tijd dat Jezus op aarde kwam. De Romeinen zullen de gewoonte niet vreemd hebben gevonden, want er zijn aanwijzingen dat ze zelf ook gevangenen vrijlieten om de mensen tevreden te stellen.

Laat Barabbas vrij!: Het voorval dat in Lu 23:16-25 wordt beschreven, wordt door alle vier de evangelieschrijvers vermeld (Mt 27:15-23; Mr 15:6-15; Jo 18:39, 40). Maar Mattheüs, Markus en Johannes voegen eraan toe dat het de gewoonte was dat de gouverneur op het feest een gevangene vrijliet. (Zie aantekeningen bij Mt 27:15, Mr 15:6 en Jo 18:39.)

Cyrene: Een stad aan de Noord-Afrikaanse kust, ten ZZW van het eiland Kreta. (Zie App. B13.) Misschien was Simon geboren in Cyrene en had hij zich later in Israël gevestigd.

martelpaal: Of ‘terechtstellingspaal’. (Zie Woordenlijst ‘Martelpaal’ en ‘Paal’; zie ook Lu 9:23 en 14:27, waar de term in een figuurlijke betekenis wordt gebruikt.)

wanneer de boom nog leeft, (...) wanneer de boom verdord is: Of ‘wanneer de boom nog vochtig is, (...) wanneer de boom verdord is’. Jezus verwijst hiermee kennelijk naar het Joodse volk. Dat was als een stervende boom waar nog maar een klein beetje leven in zat, want Jezus was er nog en ook een aantal Joden die in hem geloofden. Maar Jezus zou binnenkort terechtgesteld worden en trouwe Joden zouden met heilige geest gezalfd worden en bij het geestelijke Israël gaan horen (Ro 2:28, 29; Ga 6:16). Dan zou het letterlijke Israël geestelijk dood zijn, te vergelijken met een verdorde boom (Mt 21:43).

misdadigers: Het Griekse woord dat hier wordt gebruikt (kakourgos) betekent letterlijk ‘iemand die zich bezighoudt met kwaaddoen’. In de parallelverslagen in Mt 27:38, 44 en Mr 15:27 wordt het Griekse leistes gebruikt, dat kan slaan op een gewelddadige beroving en ook wel werd gebruikt voor rovers of rebellen. Hetzelfde woord wordt gebruikt voor Barabbas (Jo 18:40), die volgens Lu 23:19 gevangenzat voor ‘oproer’ en ‘moord’.

Golgotha: Van een Hebreeuws woord dat ‘schedel’ betekent. (Zie Jo 19:17; vergelijk Re 9:53, waar het Hebreeuwse goelgoleth met ‘schedel’ is weergegeven.) In Jezus’ tijd bevond de plaats zich buiten de stadsmuren van Jeruzalem. Maar de locatie ervan is niet zeker. (Zie App. B12.) In de Bijbel staat niet dat Golgotha op een heuvel lag, maar er staat wel dat sommigen de terechtstelling van een afstand zagen (Mr 15:40; Lu 23:49).

Schedel: De Griekse term Kranion komt overeen met het Hebreeuwse Golgotha. (Zie Jo 19:17 en aantekening bij Mt 27:33.) Sommige Bijbelvertalingen gebruiken hier het woord Calvarië, dat is afgeleid van calvaria, het Latijnse woord voor schedel dat in de Vulgaat wordt gebruikt.

vergeef hen: In de context staat niet voor wie Jezus dit verzoek deed, maar waarschijnlijk had hij de menigte in gedachte die aandrong op zijn terechtstelling. Sommigen van hen hadden kort daarna berouw (Han 2:36-38; 3:14, 15). Ook de Romeinse soldaten die Jezus aan de paal hingen beseften niet wie hij echt was en hoe ernstig het was wat ze deden. Maar hij zal zijn Vader niet hebben gevraagd de overpriesters te vergeven, die verantwoordelijk waren voor zijn dood. Zij wisten precies wat ze deden toen ze plannen smeedden om Jezus te doden. Ze hadden hem uit jaloezie overgeleverd (Mt 27:18; Mr 15:10; Jo 11:45-53). Het is ook onwaarschijnlijk dat hij zijn Vader vroeg om de misdadigers te vergeven die naast hem aan een paal hingen, want geen van hen was verantwoordelijk voor zijn dood.

(...) doen: Het eerste deel van dit vers komt in bepaalde oude manuscripten niet voor. Maar omdat deze woorden wel voorkomen in andere oude, gezaghebbende manuscripten, zijn ze opgenomen in de Nieuwewereldvertaling en in veel andere Bijbelvertalingen.

zure wijn: Of ‘wijnazijn’. Waarschijnlijk werd hiermee een lichte, wrange of zure wijn bedoeld die in het Latijn als acetum (azijn) bekendstond, of als posca wanneer de wijn met water verdund was. Dit was een goedkope drank die arme mensen, onder wie Romeinse soldaten, meestal dronken om hun dorst te lessen. De Septuaginta gebruikt het Griekse oxos ook in Ps 69:21, waar werd geprofeteerd dat de Messias ‘azijn’ te drinken zou krijgen.

zure wijn: Zie aantekening bij Mt 27:48.

boven hem het opschrift: Sommige manuscripten hebben een toevoeging die kan worden weergegeven als ‘(geschreven) in Griekse en Latijnse en Hebreeuwse letters’. Maar die woorden komen niet voor in oude, gezaghebbende manuscripten, en men denkt dat kopiisten ze hebben toegevoegd om het vers te laten overeenstemmen met Jo 19:20.

een paal: Of ‘een boom’. Het Griekse woord xulon (lett.: ‘hout’) wordt hier gebruikt als synoniem voor het Griekse stauros (vertaald met ‘martelpaal’) en beschrijft het terechtstellingswerktuig waaraan Jezus werd gehangen. In de Griekse Geschriften wordt xulon door Lukas, Paulus en Petrus vijf keer in deze betekenis gebruikt (Han 5:30; 10:39; 13:29; Ga 3:13; 1Pe 2:24). In de Septuaginta wordt xulon in De 21:22, 23 als vertaling van het Hebreeuwse equivalent ʽets (boom, hout, stuk hout) gebruikt in de zin ‘en je hem aan een paal hebt gehangen’. In Ga 3:13 citeert Paulus dit vers en gebruikt hij xulon in de zin: ‘Vervloekt is iedereen die aan een paal is gehangen.’ Het Griekse woord komt ook in de Septuaginta voor in Ezr 6:11 (1 Esdras 6:31, LXX) als vertaling van het Aramese woord ʼaʽ, dat overeenkomt met het Hebreeuwse ʽets. Over personen die een voorschrift van de Perzische koning overtraden wordt daar gezegd: ‘Er moet een balk uit zijn huis worden getrokken en hij moet daaraan worden gehangen.’ Dat Bijbelschrijvers xulon gebruiken als synoniem voor stauros vormt een extra bewijs dat Jezus aan een rechtopstaande paal zonder dwarsbalk werd gehangen, want dat is wat xulon hier betekent.

hing: Hier wordt niet het Griekse werkwoord stauroo (aan een paal hangen) gebruikt, maar kremannumi ([op]hangen). In verband met de terechtstelling van Jezus wordt dit werkwoord gebruikt in combinatie met de woorden epi xulou (aan een paal of boom) (Ga 3:13; zie aantekening bij Han 5:30). In de Septuaginta wordt dit werkwoord vaak gebruikt voor iemand die aan een paal of boom wordt gehangen (Ge 40:19; De 21:22; Es 8:7).

Ik verzeker je vandaag: De oudste beschikbare manuscripten van de Griekse Geschriften hebben een Grieks schrift dat uit alleen maar hoofdletters bestaat. De tekst bevatte geen spaties of leestekens zoals dat in moderne talen gebruikelijk is. Hoewel kopiisten in de oudheid af en toe tekens aan de tekst toevoegden die misschien als interpunctie bedoeld waren, werden zulke tekens niet vaak en niet consequent gebruikt. De interpunctie in moderne Bijbelvertalingen is dan ook gebaseerd op de grammatica van de Griekse tekst en de context van het vers. In dit vers laat de grammatica van de Griekse tekst ruimte voor het plaatsen van een komma of dubbelepunt vóór of na het woord vandaag. Maar de keuze van interpunctie in vertalingen van Jezus’ uitspraak hangt af van hoe vertalers begrijpen wat Jezus zei en van wat de Bijbel als geheel leert. Wetenschappelijke uitgaven van de Griekse tekst, zoals die van Westcott en Hort, van Nestle en Aland en van de United Bible Societies, zetten een komma vóór het Griekse woord voor vandaag of heden. Maar het plaatsen van een komma of dubbelepunt na ‘vandaag’ is in harmonie met eerdere uitspraken van Jezus en met wat de rest van de Bijbel leert. Zo zei Jezus dat hij zou sterven en tot de derde dag ‘in het binnenste van de aarde’ (het graf) zou zijn (Mt 12:40; Mr 10:34). Hij zei meerdere keren tegen zijn discipelen dat hij gedood zou worden en op de derde dag zou worden opgewekt (Lu 9:22; 18:33). De Bijbel zegt ook dat Jezus werd opgewekt als ‘de eersteling van hen die zijn gestorven’ en dat hij 40 dagen later naar de hemel opsteeg (1Kor 15:20; Jo 20:17; Han 1:1-3, 9; Kol 1:18). Jezus werd niet opgewekt op de dag dat hij stierf, maar op de derde dag na zijn dood, dus het is duidelijk dat de misdadiger niet met Jezus in het paradijs kon zijn op de dag waarop Jezus met hem sprak.

In lijn met die redenatie geeft een Syrische vertaling van Lukas’ verslag uit de vijfde eeuw, de Syrus Curetonianus, deze tekst als volgt weer: ‘Amen, ik zeg u heden dat gij met mij in de Hof van Eden zult zijn’ (F.C. Burkitt, The Curetonian Version of the Four Gospels, Deel I, Cambridge, 1904). Het is ook interessant dat zowel vroege als latere Griekse schrijvers en commentators aangaven dat er onenigheid was over de weergave van deze woorden. Zo schreef Hesychius van Jeruzalem, die in de vierde en vijfde eeuw leefde, over Lu 23:43: ‘Sommigen lezen het inderdaad op deze manier: “Voorwaar, ik zeg u heden”, en plaatsen dan een komma. Daarna vervolgen ze: “Gij zult met mij in het paradijs zijn.”’ (De Griekse tekst staat in Patrologiae Graecae, vol. 93, kol. 1432, 1433.) Theophylactus, die in de 11de en 12de eeuw leefde, schreef over personen die ervoor pleitten ‘een leesteken na “heden” te zetten, zodat het zo zou luiden: “Voorwaar, ik zeg u heden”; daarna vervolgen ze met de uitdrukking: “Gij zult met mij in het paradijs zijn” (Patrologiae Graecae, vol. 123, kol. 1104). G.M. Lamsa zegt over het gebruik van ‘vandaag’ of ‘heden’ in Lu 23:43: ‘De klemtoon ligt in deze tekst op het woord heden en de tekst moet luiden: “Voorwaar, ik zeg u heden: Gij zult met mij in het paradijs zijn.” De belofte werd op die dag gedaan en zou later uitkomen. Dit is een kenmerk van oriëntaals taalgebruik waarmee wordt aangegeven dat de belofte op een bepaalde dag werd gedaan en beslist nagekomen zou worden’ (Gospel Light — Comments on the Teachings of Jesus From Aramaic and Unchanged Eastern Customs, blz. 303, 304). De Griekse uitdrukking in Lu 23:43 kan dus een weergave zijn van een Semitische manier om iets te beklemtonen. In de Hebreeuwse Geschriften staan talloze voorbeelden van zo’n idiomatisch gebruik van ‘vandaag’ in plechtige uitdrukkingen, zoals beloften en geboden (De 4:26; 6:6; 7:11; 8:1, 19; 30:15; Za 9:12). Het bewijsmateriaal hierboven wijst erop dat Jezus het woord vandaag gebruikte om de aandacht te vestigen op het moment waarop de belofte werd gedaan en niet op het moment waarop de misdadiger in het paradijs zou zijn.

Verschillende Bijbelvertalers erkennen dat de klemtoon moet worden gelegd op het moment waarop de belofte wordt gedaan en niet op het moment waarop die uitkomt. Dit blijkt bijvoorbeeld uit de Engelse vertalingen van Rotherham en van Lamsa (editie van 1933) en de Duitse van L. Reinhardt en van W. Michaelis. Die vertalingen gebruiken een vergelijkbare weergave als de Nieuwewereldvertaling.

paradijs: Het Nederlandse woord paradijs is afgeleid van het Griekse paradeisos, en vergelijkbare woorden komen voor in het Hebreeuws (pardes in Ne 2:8; Pr 2:5; Hgl 4:13) en het Perzisch (pairidaeza). Al die woorden brengen de grondgedachte over van een schitterend park of een prachtige tuin. De vertalers van de Septuaginta gebruikten in Ge 2:8 het Griekse paradeisos als vertaling van het Hebreeuwse woord voor tuin (gan) in de uitdrukking ‘tuin van Eden’. Sommige vertalingen van de Griekse Geschriften in het Hebreeuws (in App. C J17, 18, 22 genoemd) geven Lu 23:43 weer als: ‘Je zult met mij in de tuin van Eden zijn.’ Jezus’ belofte aan de misdadiger naast hem ging niet over ‘het paradijs van God’ dat in Opb 2:7 wordt genoemd, aangezien die belofte werd gedaan aan ‘wie overwint’, oftewel aan Christus’ mederegeerders in het hemelse Koninkrijk (Lu 22:28-30). Deze misdadiger was niet iemand die met Jezus Christus de wereld had overwonnen en hij was ook niet ‘uit water en geest geboren’ (Jo 3:5; 16:33). Kennelijk zal hij een van ‘de onrechtvaardigen’ zijn die uit de dood worden opgewekt als aardse onderdanen van het Koninkrijk wanneer Christus duizend jaar over het paradijs op aarde regeert (Han 24:15; Opb 20:4, 6).

Rond het derde uur: Dat wil zeggen rond 9.00 uur. In de eerste eeuw had een dag voor de Joden 12 uur, te beginnen met zonsopgang rond 6.00 uur (Jo 11:9). Het derde uur was dus rond 9.00 uur, het zesde uur rond 12.00 uur en het negende uur rond 15.00 uur. Omdat de mensen geen nauwkeurige uurwerken hadden, werd meestal alleen de geschatte tijd van een gebeurtenis vermeld (Jo 1:39; 4:6; 19:14; Han 10:3, 9).

Rond het derde uur: Dat wil zeggen rond 9.00 uur. In de eerste eeuw had een dag voor de Joden 12 uur, te beginnen met zonsopgang rond 6.00 uur (Jo 11:9). Het derde uur was dus rond 9.00 uur, het zesde uur rond 12.00 uur en het negende uur rond 15.00 uur. Omdat de mensen geen nauwkeurige uurwerken hadden, werd meestal alleen de geschatte tijd van een gebeurtenis vermeld (Jo 1:39; 4:6; 19:14; Han 10:3, 9).

rond het zesde uur: Dat wil zeggen rond 12.00 uur. (Zie aantekening bij Mt 20:3.)

een duisternis: De duisternis was een wonder en werd door God veroorzaakt. Het kan geen zonsverduistering geweest zijn. Die vindt namelijk altijd plaats bij nieuwemaan, maar het was nu de paschatijd en dus vollemaan. Bovendien hield de duisternis drie uur aan, veel langer dus dan een totale zonsverduistering, die nooit langer dan zo’n acht minuten duurt. Hier in het verslag van Lukas wordt nog toegevoegd dat er ‘geen zonlicht’ was (Lu 23:45).

het negende uur: Dat wil zeggen rond 15.00 uur. (Zie aantekening bij Mt 20:3.)

gordijn: Dit prachtig versierde gordijn vormde in de tempel de scheiding tussen het heilige en het allerheiligste. Volgens de Joodse traditie was dit zware gordijn zo’n 18 m hoog, 9 m breed en 7 cm dik. Door het gordijn in tweeën te scheuren, liet Jehovah niet alleen zien dat hij woedend was op de moordenaars van zijn Zoon maar ook dat het nu mogelijk was de hemel zelf binnen te gaan (Heb 10:19, 20; zie Woordenlijst).

heiligdom: Het Griekse naos slaat hier op het centrale gebouw met het heilige en het allerheiligste.

gordijn: Zie aantekening bij Mt 27:51.

heiligdom: Zie aantekening bij Mt 27:51.

hij gaf de geest: Of ‘hij blies de laatste adem uit’, ‘hij hield op met ademen’. Het woord geest (Grieks: pneuma) kan hier worden opgevat als de ‘adem’ of ‘levenskracht’, wat wordt ondersteund door het gebruik van het Griekse werkwoord ekpneo (lett.: ‘uitademen’) in het parallelverslag in Mr 15:37 (waar het wordt weergegeven met ‘blies de laatste adem uit’). Sommigen denken dat het gebruik van het Griekse woord dat met ‘geven’ is vertaald erop duidt dat Jezus vrijwillig zijn doodsstrijd opgaf, aangezien alles was volbracht (Jo 19:30). Bereidwillig ‘heeft hij zijn leven uitgestort in de dood’ (Jes 53:12; Jo 10:11).

vertrouw ik mijn geest toe: Jezus citeert hier uit Ps 31:5, waar David God vraagt om zijn geest of levenskracht te beschermen, er zorg voor te dragen. Dat was een manier om te zeggen dat hij zijn leven in Gods handen legde. Bij zijn dood vertrouwde Jezus zijn levenskracht aan Jehovah toe. Zijn vooruitzicht op toekomstig leven lag volledig in Jehovah’s handen. (Zie Woordenlijst.)

blies hij de laatste adem uit: Het Griekse werkwoord ekpneo (lett.: ‘uitademen’) kan hier ook worden vertaald met ‘stierf’. (Zie aantekening bij Mt 27:50.) Uit de Bijbel blijkt duidelijk dat toen Jezus’ geest uitging, hij niet onderweg was naar de hemel. Hij blies de laatste adem uit of stierf. Jezus voorspelde zelf dat hij pas ‘op de derde dag’ uit de dood zou worden opgewekt (Mt 16:21; Lu 9:22). En Han 1:3, 9 laat zien dat hij pas 40 dagen later echt naar de hemel opsteeg.

legerofficier: Of ‘centurio’, dat wil zeggen iemand die in het Romeinse leger het bevel had over zo’n 100 soldaten. Volgens de parallelverslagen in Mattheüs en Markus erkende hij ook dat Jezus ‘Gods Zoon was’ (Mt 27:54; Mr 15:39).

Jozef: Het eigen karakter van elke evangelieschrijver blijkt uit de verschillende details die ze over Jozef vermelden. De belastinginner Mattheüs zegt dat hij ‘een rijke man’ was. Markus, die vooral voor de Romeinen schrijft, noemt hem ‘een vooraanstaand lid van de Raad’ dat Gods Koninkrijk verwachtte. Lukas, de sympathieke arts, zegt dat hij ‘een goede en rechtvaardige man’ was die niet had ingestemd met wat de Raad Jezus had aangedaan. En alleen Johannes vermeldt dat hij ‘uit angst voor de Joden in het geheim een discipel van Jezus was’ (Mt 27:57-60; Mr 15:43-46; Lu 23:50-53; Jo 19:38-42).

Sanhedrin: Dat wil zeggen de Joodse Hoge Raad in Jeruzalem. Het Griekse woord (sunedrion) betekent letterlijk ‘bijeenzitting’. Het was een algemene term voor een vergadering of bijeenkomst, maar in Israël kon het duiden op een religieus rechtscollege of rechtsorgaan. (Zie aantekening bij Mt 5:22 en Woordenlijst; zie voor de mogelijke locatie van de Sanhedrinzaal App. B12.)

Jozef: Zie aantekening bij Mr 15:43.

lid van de Raad: Of ‘raadsheer’, dat wil zeggen raadslid van het Sanhedrin, de Joodse Hoge Raad in Jeruzalem. (Zie aantekening bij Mt 26:59 en Woordenlijst ‘Sanhedrin’.)

Arimathea: De naam van deze stad komt van een Hebreeuws woord dat ‘hoogte’ betekent. In Lu 23:51 wordt het ‘een stad van de Judeeërs’ genoemd. (Zie App. B10.)

Arimathea: Zie aantekening bij Mt 27:57.

graf: Of ‘herinneringsgraf’. Geen natuurlijke grot, maar een grafkamer of -kelder die was uitgehouwen in de zachte kalksteenrotsen. In zulke graven waren vaak nissen of holten uitgehouwen waar lichamen in gelegd konden worden. (Zie Woordenlijst.)

voorbereidingsdag: Een naam die wordt toegepast op de dag vóór de wekelijkse sabbat. Op die dag bereidden de Joden zich op de sabbat voor door extra maaltijden klaar te maken en werk af te maken dat niet tot na de sabbat kon wachten. In dit geval viel voorbereidingsdag op 14 nisan (Mr 15:42; zie Woordenlijst).

voorbereidingsdag: Zie aantekening bij Mt 27:62.

graf: Of ‘herinneringsgraf’. (Zie Woordenlijst.)

Media

Spijker in hielbeen
Spijker in hielbeen

Dit is een foto van een replica van een menselijk hielbeen dat met een ijzeren spijker van 11,5 cm is doorboord. Het oorspronkelijke bot is in 1968 gevonden bij opgravingen in het noorden van Jeruzalem en dateert uit de tijd van de Romeinen. Het vormt archeologisch bewijs dat er bij terechtstellingen waarschijnlijk spijkers werden gebruikt om de veroordeelde aan een houten paal te nagelen. Misschien hebben de Romeinse soldaten spijkers als deze gebruikt om Jezus aan de paal te nagelen. Het bot is gevonden in een ossuarium, een stenen kist waarin de droge botten van een overledene werden gelegd nadat het vlees vergaan was. Dat duidt erop dat iemand die aan een paal terechtgesteld was, een begrafenis kon krijgen.

Grafkamer
Grafkamer

De Joden begroeven hun doden gewoonlijk in een grot of in een ruimte die in de rotsen was uitgehakt. Deze graven bevonden zich meestal buiten de steden, met uitzondering van de graven van de koningen. De Joodse graven die gevonden zijn, vallen op door hun eenvoud. Kennelijk kwam dat doordat het geloof van de Joden geen verering van de doden toestond en niet het idee ondersteunde dat iemand na de dood voortleefde in een geestenwereld.