Handelingen van apostelen 28:1-31

28  Pas toen we in veiligheid waren, hoorden we dat het eiland Malta heette.+  De plaatselijke bevolking was buitengewoon vriendelijk voor ons. Ze verwelkomden ons en staken een vuur aan, want het regende en het was koud.+  Paulus raapte een bos takken bij elkaar. Toen hij die op het vuur legde, kwam er door de hitte een adder uit tevoorschijn, die zich in zijn hand vastbeet.  Toen de plaatselijke bevolking het giftige beest aan zijn hand zag hangen, zeiden ze tegen elkaar: ‘Die man is vast een moordenaar. Hij is dan wel aan de zee ontsnapt, maar de Gerechtigheid wil niet dat hij in leven blijft.’  Maar hij schudde het beest van zich af in het vuur en bleef ongedeerd.  Ze verwachtten dat hij zou opzwellen of plotseling dood zou neervallen. Toen ze na lang wachten zagen dat er niets bijzonders met hem gebeurde, veranderden ze van mening en zeiden ze dat hij een god was.+  Niet ver daarvandaan had Pu̱blius, de bestuurder van het eiland, een landgoed. Hij verwelkomde ons en drie dagen lang waren we bij hem te gast.  Net in die tijd lag de vader van Pu̱blius ziek in bed, met koorts en dysenterie. Paulus ging naar hem toe en bad, legde zijn handen op hem en genas hem.+  Nadat dat gebeurd was, kwamen ook de andere zieken op het eiland naar hem toe en werden genezen.+ 10  Ze vereerden ons met allerlei geschenken, en bij ons vertrek gaven ze ons alles mee wat we nodig hadden. 11  Na drie maanden vertrokken we met een schip dat de ‘Zonen van Zeus’ als boegbeeld had. Het schip kwam uit Alexandri̱ë en had op het eiland overwinterd. 12  We deden de haven van Syracu̱se aan en bleven daar drie dagen. 13  Vandaar voeren we verder en kwamen in Re̱gium. Een dag later stak er een zuidenwind op en de tweede dag bereikten we Pute̱oli. 14  Daar troffen we broeders aan, die er bij ons op aandrongen een week bij hen te blijven. Vervolgens gingen we op weg naar Rome. 15  De broeders daar hoorden het nieuws over ons en kwamen ons tot aan de Marktplaats van A̱ppius en de Drie Taveernen tegemoet. Toen Paulus hen zag, dankte hij God en vatte moed.+ 16  Uiteindelijk kwamen we in Rome aan, waar Paulus toestemming kreeg om op zichzelf te wonen, onder bewaking van een soldaat. 17  Drie dagen later riep hij de voornaamste mannen onder de Joden bij zich. Toen ze bij elkaar waren gekomen, zei hij tegen ze: ‘Mannen, broeders, hoewel ik niets had gedaan wat tegen het volk was of tegen de gebruiken van onze voorouders,+ werd ik vanuit Jeruzalem als gevangene aan de Romeinen uitgeleverd.+ 18  Nadat ze me hadden verhoord,+ wilden ze me vrijlaten, want ik had niets gedaan waarop de doodstraf stond.+ 19  Maar toen de Joden bezwaar maakten, was ik gedwongen me op caesar te beroepen,+ maar niet omdat ik mijn volk ergens van wilde beschuldigen. 20  Dat is de reden waarom ik jullie wilde zien en toespreken, want het is vanwege de hoop van Israël dat ik deze boeien draag.’+ 21  Ze zeiden tegen hem: ‘We hebben uit Judea geen brieven over je gekregen, en niemand van de broeders die vandaar is gekomen, heeft iets slechts over je gemeld of gezegd. 22  Maar we willen graag van jou horen wat je denkt, want één ding is zeker: we weten dat deze sekte+ overal in opspraak is.’+ 23  Ze spraken een dag met hem af en kwamen toen met een nog grotere groep naar de plaats waar hij verbleef. Van ’s morgens tot ’s avonds gaf hij hun uitleg door grondig getuigenis te geven over Gods Koninkrijk, en aan de hand van de Wet van Mozes+ en de Profeten+ probeerde hij hen ervan te overtuigen om in Jezus te geloven.+ 24  Sommigen geloofden wat hij zei, maar anderen niet. 25  Omdat ze het niet met elkaar eens waren, maakten ze aanstalten om te vertrekken. Maar Paulus deed nog de volgende uitspraak: ‘Terecht heeft de heilige geest via de profeet Jesaja tot jullie voorouders gesproken 26  en gezegd: “Ga naar dit volk toe en zeg: ‘Jullie zullen wel horen maar niets begrijpen, en jullie zullen wel kijken maar niets zien.+ 27  Want het hart van dit volk is ongevoelig* geworden, hun oren hebben ze dichtgestopt en hun ogen hebben ze gesloten. Daardoor zullen ze nooit met hun ogen zien en met hun oren horen en zullen ze niet met hun hart begrijpen en terugkeren en door mij genezen worden.’”+ 28  Jullie moeten daarom weten dat deze redding, die van God komt, aan de heidenen* wordt bekendgemaakt.+ Die zullen er zeker naar luisteren.’+ 29  —— 30  Hij bleef twee volle jaren in het huis dat hij gehuurd had+ en iedereen die bij hem kwam, ontving hij vriendelijk. 31  Zonder belemmerd te worden en met grote vrijmoedigheid+ predikte hij Gods Koninkrijk+ tot hen en gaf hij onderwijs over de Heer Jezus Christus.

Voetnoten

Lett.: ‘dik (vet)’.

Aantekeningen

de Zee van Adria: In Paulus’ tijd werd deze term gebruikt voor een groter gebied dan de huidige Adriatische Zee. De Griekse geograaf Strabo zei dat de naam was ontleend aan de stad Atria, die aan de monding van de rivier de Po lag, aan wat nu de Golf van Venetië wordt genoemd (Geographica, 5, I, 8). De huidige Italiaanse stad Adria ligt iets van de kust vandaan. Het lijkt erop dat de naam Adria oorspronkelijk op de wateren in de omgeving van de oude stad werd toegepast, maar dat de naam later de volledige huidige Adriatische Zee, de Ionische Zee en het gedeelte van de Middellandse Zee ten O van Sicilië (en Malta) en ten W van Kreta ging omvatten. (Zie App. B13.)

Malta: In de Griekse tekst wordt het woord Melite gebruikt, dat al eeuwenlang wordt vereenzelvigd met het huidige eiland Malta. Het schip waarmee Paulus reisde werd door een sterke wind in zuidelijke richting gestuwd, van Knidus aan de ZW-punt van Klein-Azië tot onder Kreta (Han 27:7, 12, 13, 21). In Han 27:27 wordt gezegd dat ze ‘ronddreven op de Zee van Adria’, een benaming die in Paulus’ tijd gebruikt werd voor een gebied dat groter was dan de huidige Adriatische Zee. Dit gebied omvatte de Ionische Zee en het gedeelte ten O van Sicilië en ten W van Kreta, en dus ook de zee bij het huidige Malta. (Zie aantekening bij Han 27:27.) Gezien de richting van de stormwind Euraquilo (Han 27:14) is het waarschijnlijk dat het schip naar het W werd gestuwd en schipbreuk leed op het eiland Malta, ten Z van Sicilië. In de loop van de tijd hebben sommige geleerden andere eilanden geopperd als locatie van het Bijbelse Melite. Eén theorie noemde een eiland in de buurt van Korfoe, voor de westkust van Griekenland. Volgens een andere theorie (gebaseerd op het Griekse woord Melite) gaat het om Melite Illyrica, dat nu bekendstaat als Mljet, een eiland voor de kust van Kroatië, in de huidige Adriatische Zee. Maar gezien de beschrijving die de Bijbel van de route geeft, is het onwaarschijnlijk dat het schip in noordelijke richting helemaal naar Korfoe of Mljet is gevaren. (Zie App. B13.)

De plaatselijke bevolking: Of ‘de mensen, die een vreemde taal spraken’. Sommige oudere Bijbelvertalingen geven het Griekse barbaros dat hier gebruikt wordt weer met ‘Barbaren’. De herhaling ‘bar bar’ in dit Griekse woord bracht de gedachte over van stamelen, brabbelen of onverstaanbaar spreken. Daarom gebruikten de Grieken het woord oorspronkelijk voor een buitenlander die een andere taal sprak. In die tijd bracht het woord niet de gedachte over van onbeschaafde, ruwe, onbehouwen mensen en sprak er ook geen minachting uit. Barbaros werd gewoon gebruikt om niet-Grieken van Grieken te onderscheiden. Enkele Joodse schrijvers, onder wie Josephus, erkenden dat ze met deze term werden aangeduid (De Oude Geschiedenis van de Joden, XIV, 187 [x, 1]; Tegen de Grieken, I, 58 [11]). Het was zelfs zo dat de Romeinen zichzelf barbaren noemden voordat ze de Griekse cultuur overnamen. De term werd hier dus toegepast op de inwoners van Malta, die kennelijk een eigen taal spraken die niet verwant was aan het Grieks, waarschijnlijk Punisch. (Zie aantekening bij Ro 1:14.)

vriendelijk: Of ‘menslievend’. Het Griekse woord filanthropia betekent letterlijk ‘genegenheid (liefde) voor de mensheid’. Die vriendelijkheid kan de gedachte omvatten van oprechte belangstelling tonen en gastvrijheid verlenen door in de behoeften van anderen te voorzien. Zoals uit dit gedeelte blijkt, kunnen mensen deze eigenschap die God graag ziet al tonen voordat ze Jehovah leren kennen. Een soortgelijk voorbeeld staat in Han 27:3, waar het verwante filanthropos wordt gebruikt om de manier te beschrijven waarop Julius, de legerofficier, Paulus behandelde. In Tit 3:4 wordt filanthropia gebruikt om Jehovah’s gevoelens te beschrijven en is het vertaald met ‘liefde voor de mensen’.

een adder: Tegenwoordig zijn er geen adders meer op het eiland Malta. Maar dit verslag laat zien dat de inwoners in de eerste eeuw deze slangen kenden. In de loop van de eeuwen kan deze slangensoort op Malta uitgestorven zijn door veranderingen in de leefomgeving of door de bevolkingsgroei.

Gerechtigheid: Het Griekse woord voor Gerechtigheid dat hier wordt gebruikt, is dike. Het kan slaan op een godin die de wrekende gerechtigheid voorstelt of op het concept gerechtigheid. In de Griekse mythologie was Dikè de naam van de godin van het recht. Er werd gedacht dat zij het doen en laten van de mens in de gaten hield en onrecht dat niet werd gezien aan Zeus meldde, zodat de schuldige partij gestraft zou worden. Misschien hebben de bewoners van Malta gedacht dat Paulus wel aan de schipbreuk was ontsnapt, maar nu door een soort goddelijke gerechtigheid alsnog gestraft werd via een slang.

Zonen van Zeus: Volgens de Griekse en de Romeinse mythologie waren de ‘Zonen van Zeus’ (Grieks: Dioskouroi) de tweeling Castor en Pollux, zonen van de god Zeus (Jupiter) en de Spartaanse koningin Leda. Ze werden onder andere gezien als beschermgoden van de zeelieden. Dit detail over het boegbeeld van het schip is nog een bewijs dat het verslag is geschreven door een ooggetuige.

Syracuse: Een stad met een mooie haven aan de ZO-kust van het eiland Sicilië (Italië). Volgens de Griekse geschiedschrijver Thucydides werd de stad in 734 v.Chr. door de Korinthiërs gesticht. Syracuse was de geboorteplaats van enkele bekende figuren uit de oudheid, zoals de wiskundige Archimedes. Syracuse werd in 212 v.Chr. door de Romeinen veroverd. (Zie App. B13.)

Puteoli: Het huidige Pozzuoli. Deze belangrijke haven ten ZO van Rome lag zo’n 10 km ten WZW van Napels. Er zijn daar nog steeds uitgestrekte ruïnes van een oude pier. Josephus noemt de plaats bij haar oudere naam, Dicaearchia, en zegt dat daar een Joodse kolonie gevestigd was (De Oude Geschiedenis van de Joden, XVII, 328, xii, 1). Onderweg naar zijn rechtszaak voor caesar in Rome deed Paulus rond 59 Puteoli aan. Het schip kwam uit Regium (nu Reggio di Calabria), een havenstad in de zuidpunt van Italië tegenover Sicilië, zo’n 320 km ten ZZO van Puteoli. De broeders in Puteoli drongen er bij Paulus en zijn reisgenoten op aan dat ze een week bij hen zouden blijven (Han 28:14). Dat wijst erop dat Paulus ondanks zijn gevangenschap een mate van vrijheid had. (Zie App. B13.)

Vervolgens gingen we op weg naar Rome: De afstand tussen Puteoli en Rome was 245 km, een reis van ongeveer een week. Paulus en zijn reisgenoten gingen waarschijnlijk van Puteoli naar Capua en reisden vandaar nog 212 km naar Rome over de Via Appia. De Via Appia was vernoemd naar Appius Claudius Caecus, de Romeinse staatsman die in 312 v.Chr. met de aanleg ervan begon. De weg verbond Rome uiteindelijk met de haven van Brundisium (het huidige Brindisi), een belangrijke poort naar het O. Een groot deel van de weg was geplaveid met grote blokken vulkanisch gesteente. De breedte van de weg wisselde nogal: sommige delen waren nog geen 3 m breed en andere ruim 6 m breed. Het algemene criterium was dat twee voertuigen elkaar in tegengestelde richting moesten kunnen passeren zonder elkaar te hinderen. Op bepaalde punten was de Middellandse Zee zichtbaar. Een deel van de weg liep door de Pontijnse moerassen, een drassig gebied naar aanleiding waarvan een Romeinse schrijver klaagde over de muggen en de stank. Langs de weg liep een kanaal, en als de weg overstroomd was, gebruikten reizigers boten om zich door het gebied te verplaatsen. Even ten N van deze moerassen lagen de Marktplaats van Appius, zo’n 65 km van Rome, en de Drie Taveernen, een pleisterplaats zo’n 50 km van de stad.

de Marktplaats van Appius: Of ‘het Forum van Appius’. Latijn: Appii Forum. Een marktplaats zo’n 65 km ten ZO van Rome. Dit was een bekende pleisterplaats aan de beroemde Romeinse heerweg Via Appia, die van Rome via Capua naar Brundisium (nu Brindisi) liep. Zowel de weg als de marktplaats waren vernoemd naar degene die het initiatief had genomen tot de aanleg ervan, Appius Claudius Caecus (4de eeuw v.Chr.). Omdat reizigers vanuit Rome aan het einde van hun eerste reisdag meestal bij dit poststation stopten, werd het een druk handelscentrum en een marktplaats. De ligging ervan aan een kanaal dat langs de weg en door de Pontijnse moerassen liep, droeg bij aan het belang van de plaats. Reizigers werden naar verluidt ’s avonds over dit kanaal vervoerd in een schuit die door muildieren getrokken werd. De Romeinse dichter Horatius beschrijft de ongemakken van de reis, klaagt over de kikkers en muggen en zegt dat de Marktplaats van Appius ‘wemelend van scheepslui en van gierige herbergiers’ was (Satiren, I, V, 1-6). Maar ondanks alle ongemakken was de delegatie uit Rome graag bereid Paulus en zijn reisgenoten op te wachten om hen voor de veiligheid te vergezellen op het laatste deel van hun reis. Op de plaats van het Forum van Appius (Foro Appio) ligt nu het dorpje Borgo Faiti, aan de Via Appia. (Zie App. B13.)

Drie Taveernen: Latijn: Tres Tabernae. Deze pleisterplaats lag aan de Via Appia en wordt ook in andere oude geschriften vermeld. De plek ligt zo’n 50 km ten ZO van Rome en zo’n 15 km van de Marktplaats van Appius. Tegenwoordig zijn op die plek nog een paar Romeinse ruïnes. (Zie App. B13.)

caesar: Of ‘de keizer’. In die tijd regeerde Nero als keizer van Rome. Zijn bestuur begon in 54 en eindigde in 68, toen hij zelfmoord pleegde op de leeftijd van ongeveer 31 jaar. Alle verwijzingen naar caesar in Handelingen 25-28 slaan op Nero. (Zie aantekeningen bij Mt 22:17, Han 17:7 en Woordenlijst.)

sekte: Het Griekse woord dat hier wordt gebruikt (hairesis), had blijkbaar oorspronkelijk de betekenis van ‘een keuze’. Zo wordt het woord in Le 22:18 in de Septuaginta gebruikt, waar wordt gezegd dat de Israëlieten offers brachten ‘naar al hun keuzes’. In de Griekse Geschriften wordt het woord gebruikt voor een groep mensen die vasthoudt aan kenmerkende opvattingen of leerstellingen. De term wordt toegepast op de twee belangrijkste takken van het jodendom: de farizeeën en de sadduceeën (Han 5:17, vtn.; zie aantekeningen bij Han 15:5 en 26:5). Niet-christenen noemden het christendom een ‘sekte’ of ‘de sekte van de Nazarenen’, mogelijk omdat ze het als een afscheiding van het jodendom bezagen (Han 24:5, 14; 28:22). Het Griekse hairesis werd ook gebruikt voor groepen die in de christelijke gemeente ontstonden. Jezus beklemtoonde dat er eenheid onder zijn volgelingen moest zijn en bad daar om (Jo 17:21). De apostelen streefden ernaar de eenheid binnen de christelijke gemeente te bewaren (1Kor 1:10; Ju 17-19). Als de leden van de gemeenten zich in groepen zouden verdelen, zou dat de eenheid verstoren. Het Griekse hairesis werd gebruikt om zulke groepen te beschrijven en kreeg dan ook de negatieve betekenis van een afgescheiden groep, een sekte. Onenigheid in het geloof kon leiden tot hevige discussies, tweedracht en zelfs vijandigheid. (Vergelijk Han 23:7-10.) Sekten moesten dus vermeden worden en werden bezien als een uiting van ‘de werken van het vlees’ (Ga 5:19-21; 1Kor 11:19; 2Pe 2:1).

deze sekte: Zie aantekening bij Han 24:5.

als getuige: Of ‘tot (voor) een getuigenis’. Het Griekse zelfstandig naamwoord voor getuige (marturia) komt twee keer zo vaak voor in het evangelie van Johannes als in de drie andere evangeliën bij elkaar. Het verwante werkwoord, dat wordt vertaald met getuigen (martureo), komt in Johannes’ evangelie 39 keer voor — en maar 2 keer in de andere evangeliën (Mt 23:31; Lu 4:22, vtn.). Dit Griekse werkwoord wordt zo vaak in verband met Johannes de Doper gebruikt dat hij volgens sommigen ‘Johannes de Getuige’ moet worden genoemd (Jo 1:8, 15, 32, 34; 3:26; 5:33; zie aantekening bij Jo 1:19). In Johannes’ evangelie wordt dit werkwoord vaak ook gebruikt in verband met Jezus’ bediening. Van Jezus wordt vaak gezegd dat hij ‘getuigt’ (Jo 8:14, 17, 18). Vooral interessant zijn Jezus’ woorden tot Pontius Pilatus: ‘Hiervoor ben ik geboren en hiervoor ben ik in de wereld gekomen: om te getuigen van de waarheid’ (Jo 18:37). In de Openbaring aan Johannes wordt Jezus ‘de Trouwe Getuige’ en ‘de trouwe en ware getuige’ genoemd (Opb 1:5; 3:14).

getuigen van mij: Als trouwe Joden waren Jezus’ eerste discipelen al getuigen van Jehovah en getuigden ze ervan dat Jehovah de enige ware God is (Jes 43:10-12; 44:8). Maar nu moesten de discipelen getuigen zijn van Jehovah en Jezus. Ze moesten vertellen over Jezus’ belangrijke rol in de heiliging van Jehovah’s naam door middel van Zijn Messiaanse Koninkrijk, een nieuw aspect van Jehovah’s voornemen. Handelingen gebruikt de Griekse woorden voor ‘getuige’ (martus), ‘getuigen’ (martureo), ‘grondig getuigenis geven’ (diamarturomai) en verwante woorden vaker dan elk ander Bijbelboek, met uitzondering van het evangelie van Johannes. (Zie aantekening bij Jo 1:7.) Een getuige zijn en een grondig getuigenis geven over Gods voornemens — met inbegrip van zijn Koninkrijk en de belangrijke rol van Jezus — is een thema dat als een rode draad door het boek Handelingen loopt (Han 2:32, 40; 3:15; 4:33; 5:32; 8:25; 10:39; 13:31; 18:5; 20:21, 24; 22:20; 23:11; 26:16; 28:23). Sommige christenen in de eerste eeuw konden uit persoonlijke ervaring getuigen van de historische feiten over Jezus’ leven, dood en opstanding (Han 1:21, 22; 10:40, 41). Degenen die later in Jezus gingen geloven, legden getuigenis af door de betekenis van zijn leven, dood en opstanding te verkondigen (Han 22:15; zie aantekening bij Jo 18:37).

door grondig getuigenis te geven over Gods Koninkrijk: Handelingen gebruikt de Griekse woorden voor ‘getuige’ (martus), ‘getuigen’ (martureo), ‘grondig getuigenis geven’ (diamarturomai) en verwante woorden vaker dan elk ander Bijbelboek, met uitzondering van het evangelie van Johannes. (Zie aantekeningen bij Jo 1:7 en Han 1:8.) Een getuige zijn en een grondig getuigenis geven over Gods voornemens — met inbegrip van zijn Koninkrijk en de belangrijke rol van Jezus — is een thema dat als een rode draad door het boek Handelingen loopt (Han 2:32, 40; 3:15; 4:33; 5:32; 8:25; 10:39; 13:31; 18:5; 20:21, 24; 22:20; 23:11; 26:16).

deze redding, die van God komt: Of ‘dit, het middel waardoor God redt’. Het Griekse soterion kan niet alleen duiden op redding maar ook op het middel waardoor redding of bevrijding tot stand komt (Lu 2:30; 3:6, vtnn.). Bij uitbreiding kan het ook de boodschap omvatten over hoe God de mensheid zal redden.

Sommige latere Griekse manuscripten en oude vertalingen in andere talen voegen het volgende toe: ‘Nadat hij dat had gezegd, gingen de Joden weg terwijl ze hevig met elkaar discussieerden.’ Maar die woorden komen niet voor in de oudste en betrouwbaarste manuscripten en maken blijkbaar geen deel uit van de oorspronkelijke tekst van Handelingen. (Zie App. A3.)

Hij bleef twee volle jaren: In deze periode van twee jaar schreef Paulus zijn brief aan de Efeziërs (Ef 4:1; 6:20), aan de Filippenzen (Fil 1:7, 12-14), aan de Kolossenzen (Kol 4:18), aan Filemon (Flm 9) en blijkbaar ook aan de Hebreeën. Waarschijnlijk is zijn huisarrest geëindigd rond het jaar 61, toen zijn rechtszaak kennelijk voorkwam — misschien voor keizer Nero of een van zijn vertegenwoordigers — en hij onschuldig werd verklaard. Zoals typerend was voor Paulus, is hij na zijn vrijlating actief gebleven. Misschien is hij in deze periode naar Spanje gegaan, zoals hij van plan was (Ro 15:28). Clemens van Rome schreef rond 95 dat Paulus ‘het uiterste westen had bereikt’, dat wil zeggen van het Romeinse Rijk. Uit Paulus’ drie brieven uit de periode na zijn vrijlating (1 en 2 Timotheüs en Titus) blijkt dat Paulus waarschijnlijk Efeze, Kreta, Macedonië, Milete, Nikopolis en Troas heeft bezocht (1Ti 1:3; 2Ti 4:13; Tit 1:5; 3:12). Volgens sommigen werd hij opnieuw gearresteerd in Nikopolis (Griekenland) en zat hij rond 65 weer gevangen in Rome. Maar dit keer kende Nero blijkbaar geen genade. Het jaar ervoor was Rome door een brand verwoest, en volgens de Romeinse geschiedschrijver Tacitus gaf Nero de christenen daar de schuld van en liet hij hen meedogenloos vervolgen. Toen Paulus zijn tweede en laatste brief aan Timotheüs schreef, verwachtte hij binnenkort terechtgesteld te worden, dus vroeg hij Timotheüs en Markus snel te komen. Lukas en Onesiforus waren heel moedig en zetten hun leven op het spel om Paulus te bezoeken en te troosten (2 Tim. 1:16, 17; 4:6-9, 11). Waarschijnlijk is Paulus rond 65 terechtgesteld. Zowel tijdens zijn leven als bij zijn dood was Paulus een belangrijke getuige van ‘alles wat Jezus heeft gedaan en onderwezen, vanaf het begin’ (Han 1:1).

Zonder belemmerd te worden: Of ‘vrijuit’. Het boek Handelingen eindigt positief. Hoewel Paulus onder huisarrest stond, ging hij openlijk door met prediken en onderwijzen. Niets kon de verbreiding van de Koninkrijksboodschap in Rome tegenhouden. Dit is een toepasselijk slot van het boek Handelingen. Er wordt in beschreven hoe de heilige geest de christenen in de eerste eeuw de kracht gaf te beginnen aan de grootste predikingscampagne ooit en het goede nieuws van Gods Koninkrijk te verbreiden ‘tot in de meest afgelegen delen van de aarde’ (Han 1:8).

met grote vrijmoedigheid: Of ‘met grote onbevreesdheid’. Het Griekse parresia wordt ook weergegeven met ‘vrijuit’ (Han 4:13). Dit zelfstandig naamwoord en het verwante werkwoord parresiazomai worden vaak vertaald met ‘vrijmoedig spreken’ en worden diverse keren in Handelingen gebruikt. Vrijmoedigheid was van het begin tot het eind van Lukas’ verslag het kenmerk van de prediking van de eerste christenen (Han 4:29, 31; 9:27, 28; 13:46; 14:3; 18:26; 19:8; 26:26).

predikte: De grondbetekenis van het Griekse woord is ‘aankondigen als een openbare boodschapper’. De nadruk ligt op de methode van aankondigen: meestal een verklaring in het openbaar en geen preek gericht tot een groep. Het thema van deze prediking was Gods Koninkrijk. In Handelingen komt de uitdrukking ‘Gods Koninkrijk of ‘Koninkrijk van God’ zes keer voor. De eerste keer is in Han 1:3, waar wordt gezegd dat Jezus over dit Koninkrijk praatte in de 40 dagen tussen zijn opstanding en hemelvaart. Gods Koninkrijk bleef het belangrijkste thema van de prediking van de apostelen (Han 8:12; 14:22; 19:8; 28:23).

Media

Bouw van een Romeinse weg
Bouw van een Romeinse weg

Het uitgestrekte Romeinse wegenstelsel was voor de eerste christenen een hulp om het goede nieuws door het hele Romeinse Rijk te verspreiden. Paulus heeft ongetwijfeld heel wat kilometers over deze wegen afgelegd (Kol 1:23). Op deze schematische tekening is te zien hoe geplaveide Romeinse wegen gebouwd werden. Eerst werd de weg afgebakend. Vervolgens groeven de bouwers een greppel voor de weg, waarin ze een fundering legden van lagen stenen, cement en zand. Daarna plaveiden ze de weg met platte kasseien en legden ze kantstenen die ervoor zorgden dat het plaveisel niet verzakte. De gebruikte materialen en de ronding van het wegdek zorgden voor een goede afwatering. Ook zaten er in de kantstenen afvoeropeningen zodat het water in de greppels aan weerszijden van de weg afgevoerd werd. De bouwers hebben hun werk zo goed gedaan dat sommige van die wegen er nog steeds zijn. Maar de meeste wegen in het Romeinse Rijk waren eenvoudiger. Vaak waren ze gewoon gemaakt van samengedrukt grind.

De stad Rome
De stad Rome

Rome was de hoofdstad van het Romeinse Rijk. Het was gebouwd op zeven heuvels aan de oever van de Tiber. Met de groei van het rijk groeide ook de stad. Halverwege de eerste eeuw had Rome misschien wel een miljoen inwoners. Er was ook een vrij grote Joodse gemeenschap. De eerste christenen in Rome waren waarschijnlijk Joden en proselieten die met Pinksteren 33 in Jeruzalem waren geweest en daar Petrus en de andere discipelen hadden horen prediken. Deze nieuwe discipelen zullen bij hun terugkeer het goede nieuws naar Rome hebben gebracht (Han 2:10). Rond 56 schreef Paulus in zijn brief aan de discipelen in Rome: ‘Er wordt in de hele wereld over jullie geloof gesproken’ (Ro 1:7, 8). Dit filmpje geeft een impressie van enkele belangrijke kenmerken van Rome zoals die er in Paulus’ tijd misschien hebben uitgezien.

1. Via Appia

2. Circus Maximus

3. Paleis van Caesar op de Palatijnse heuvel

4. Tempel van Caesar

5. Theaters

6. Pantheon

7. Tiber

Via Appia
Via Appia

Op deze foto is een deel van de Via Appia (de weg van Appius) te zien, die nog steeds in Italië te vinden is. Hoewel de weg niet rechtstreeks in de Bijbel wordt vermeld, was het waarschijnlijk de hoofdweg die Paulus tijdens zijn reis naar Rome gebruikte. Het oudste deel van deze weg werd aangelegd in 312 v.Chr. Maar de bouw ervan ging door en rond 244 v.Chr. strekte de Via Appia zich uit van Rome tot Brundisium. (Zie kaart.) Broeders uit Rome reisden in zuidelijke richting naar de Drie Taveernen en de Marktplaats van Appius, die allebei aan de Via Appia lagen, om Paulus te zien (Han 28:15). De Marktplaats van Appius lag zo’n 65 km van Rome en de Drie Taveernen lag zo’n 50 km van Rome.

1. Rome

2. Drie Taveernen

3. Marktplaats van Appius

4. Via Appia

5. Brundisium (nu Brindisi)

Keizer Nero
Keizer Nero

Deze gouden munt is geslagen rond 56/57 n.Chr. Op de ene kant is een portret van Nero te zien, die van 54 tot 68 keizer van het Romeinse Rijk was. Nero was de keizer op wie Paulus zich beriep na zijn onterechte arrestatie in Jeruzalem en zijn daaropvolgende gevangenschap in Cesarea van ongeveer 56 tot ongeveer 58. Rond het jaar 59 werd Paulus in Rome gevangengezet, maar blijkbaar werd hij rond 61 vrijgesproken en vrijgelaten. Maar in 64 werd een kwart van Rome door een brand verwoest, en sommigen gaven Nero daar de schuld van. Om zich van verdenking vrij te pleiten, beschuldigde Nero de christenen van brandstichting, wat leidde tot gewelddadige vervolging door de overheid. Waarschijnlijk is Paulus rond die tijd (65 n.Chr.) een tweede keer in Rome gevangengezet en daarna terechtgesteld.