Doorgaan naar inhoud

Doorgaan naar inhoudsopgave

Waar ze woonden

Waar ze woonden

 Het leven van christenen in de eerste eeuw

Waar ze woonden

’Ik heb mij er niet van weerhouden u in het openbaar en van huis tot huis te onderwijzen.’ — HANDELINGEN 20:20.

U GAAT de indrukwekkende poort door en staat onmiddellijk in een eerste-eeuwse stad. Zoals zoveel steden ligt ze op een berg. Boven u is een bergkam, waar de bovenstad zichtbaar is. Talloze luxe witte villa’s, vele met een ommuurde tuin, schitteren in de zon. Daar wonen de rijken. Langs de helling naar beneden zijn nog meer huizen van verschillende grootte en vorm te zien. Deze grote stenen huizen met meerdere verdiepingen, waar de kooplieden uit de middenklasse en de grondbezitters wonen, staan langs de geplaveide straten. Nog verder omlaag liggen de armere wijken. De kleurloze, kistvormige huizen daar staan dicht op elkaar in smalle straatjes of gegroepeerd rond een kleine binnenplaats.

Terwijl u door de overvolle straten loopt, worden uw zintuigen geprikkeld door allerlei geluiden en geuren. Vrouwen zijn aan het koken, en dat vervult de hele omgeving met heerlijke aroma’s. U hoort geluiden van dieren en van spelende kinderen. Mannen zijn druk bezig in lawaaierige, vieze werkplaatsen.

In deze huizen speelde het leven van christelijke gezinnen zich af. Ze vormden de achtergrond voor het dagelijks leven, het godsdienstonderricht en de aanbidding.

De kleinere huizen Net als nu waren er ook toen woonhuizen in verschillende soorten en maten, afhankelijk van de financiële situatie van het gezin en de locatie. De kleinste huizen (1) bestonden uit één kleine, donkere kamer, waar een heel gezin in woonde. Veel kleine huizen waren gebouwd van in de zon gedroogde lemen stenen. Andere hadden muren van ruw uitgehouwen stenen. Beide typen waren meestal op een stenen fundament gebouwd.

 De binnenmuren waren bepleisterd en de vloeren waren geplaveid, wat voortdurend onderhoud vergde. Er zat op zijn minst één kleine opening in het dak of de muur om rook uit de keuken te laten ontsnappen. Het meubilair beperkte zich tot het noodzakelijke huisraad.

Het aarden dak rustte op takken, riet en daksparren die over houten balken heen waren gelegd, ondersteund door palen. Het was bepleisterd met een laag leem, zodat het redelijk waterdicht was. Om op het dak te komen, moest men meestal gebruikmaken van een ladder tegen de buitenmuur.

Zelfs zulke kleine huizen konden aangename plaatsen zijn waar een arm christelijk gezin geestelijk rijk en gelukkig kon zijn.

De middenklasse De grotere, uit twee woonlagen bestaande stenen huizen (2) van de middenklasse hadden een logeervertrek (Markus 14:13-16; Handelingen 1:13, 14). In dat grote bovenvertrek konden vergaderingen gehouden worden, en het werd ook vaak tijdens feesten gebruikt (Handelingen 2:1-4). Deze huizen en de nog grotere huizen (3) van de kooplieden en de grondbezitters waren gebouwd van kalksteenblokken, die aan elkaar gemetseld waren met kalkmortel. De geplaveide vloeren en de binnenmuren waren bepleisterd; de buitenmuren waren witgekalkt.

Via een trap kwam men in de bovenvertrekken en op het dak. Alle platte daken waren van een balustrade voorzien, om te voorkomen dat er iemand af zou vallen of dat er een ander ongeluk zou gebeuren (Deuteronomium 22:8). Op het heetst van de dag was het dak een heerlijke plek waar je je onder een geïmproviseerd afdakje kon terugtrekken voor studie, meditatie, gebed of een dutje (Handelingen 10:9).

Hoewel er vaak hele families in woonden, boden deze degelijke huizen met grotere kamers toch meer leefruimte: ze hadden afzonderlijke slaapkamers en een grotere keuken en eetruimte.

De luxere huizen De huizen in Romeinse stijl (4) varieerden behoorlijk in grootte, ontwerp en bouw. Ze hadden ruime kamers met in het midden een groot eetvertrek (triclinium), het centrum van de gezinsactiviteiten. Sommige huizen hadden een tweede of een derde verdieping (5) of waren verfraaid met een ommuurde tuin.

De luxere huizen waren waarschijnlijk ruim voorzien van rijkversierde meubelen, waarvan sommige waren ingelegd met ivoor en goud. Deze huizen hadden het comfort van bijvoorbeeld stromend water en een bad. De vloeren  kunnen van hout of van veelkleurig marmer geweest zijn, en de muren waren soms met cederhout betimmerd. Als verwarming werden kolenbekkens gebruikt. De vensteropeningen waren voor de veiligheid voorzien van latwerk, meestal van hout, en gordijnen boden enige privacy. In de dikke stenen muren waren in de vensternissen zitplaatsen uitgehouwen (Handelingen 20:9, 10).

Welke afmeting of vorm hun huis ook had, de eerste christenen waren gastvrij en deelden hun bezittingen graag met anderen. Reizende opzieners hadden dus geen moeite om een hartelijk, gastvrij gezin te vinden waar ze konden logeren totdat ze hun dienst in die stad voltooid hadden (Mattheüs 10:11; Handelingen 16:14, 15).

„Het huis van Simon en Andreas” Jezus werd hartelijk ontvangen in „het huis van Simon en Andreas” (Markus 1:29-31). Het huis van deze vissers kan deel uitgemaakt hebben van een omheind groepje eenvoudige woningen (6) die dicht op elkaar stonden rond een geplaveide binnenplaats.

De deuren en ramen van die huizen kwamen uit op de binnenplaats, die vaak het centrum was van de dagelijkse bezigheden, zoals koken, bakken, koren malen, gezellig bij elkaar zijn en eten.

De uit één woonlaag bestaande huizen in Kapernaüm waren van ongehouwen, uit de buurt afkomstig basalt (een vulkanisch gesteente). De buitentrap leidde naar een plat dak van leem of kleitegels met daaronder rietstengels en daksparren, gedragen door balken (Markus 2:1-5). De vloeren waren geplaveid en vaak met geweven matten bedekt.

Huizenblokken vormden straten en stegen langs de oever van de Zee van Galilea. Kapernaüm was de ideale woonplaats voor de vissers die van de zee leefden.

„Van huis tot huis” Al met al waren de huizen van de eerste-eeuwse christenen heel gevarieerd — van de lemen eenkamerwoningen tot de grote, luxe stenen villa’s.

Die huizen boden de gezinnen niet alleen een dak boven het hoofd. Een huis was een plaats voor godsdienstonderricht. Binnen die muren beoefenden de gezinsleden samen de aanbidding. Ze kwamen in particuliere huizen bijeen om de Schriften te bestuderen en met geloofsgenoten om te gaan. En ze maakten een goed gebruik van wat ze in die huizen leerden wanneer ze het werk deden dat voor hen het allerbelangrijkst was: in de hele Romeinse wereld „van huis tot huis” prediken en onderwijzen (Handelingen 20:20).