Handelingen van apostelen 16:1-40

16  Hij kwam in De̱rbe en ook in Lystra.+ Daar was een discipel die Timotheüs heette.+ Zijn moeder was een gelovige Joodse vrouw maar hij had een Griekse vader.  Er werd positief over hem gesproken door de broeders+ in Lystra en Iko̱nium.  Paulus wilde graag dat Timotheüs met hem meeging. Maar eerst besneed hij hem ter wille van de Joden in die plaatsen,+ want iedereen wist dat zijn vader een Griek was.  Terwijl ze verder reisden door de steden, brachten ze de richtlijnen over die waren opgesteld door de apostelen en ouderlingen in Jeruzalem en waaraan iedereen zich moest houden.+  Daardoor werden de gemeenten steeds sterker in het geloof en hun aantal nam van dag tot dag toe.  Ze reisden verder door Frygië en het gebied van Galatië,+ omdat* de heilige geest hun verboden had het woord in A̱sia bekend te maken.  Toen ze bij Mysië kwamen, probeerden ze naar Bithynië+ te gaan, maar de geest van Jezus stond hun dat niet toe.  Daarom gingen ze Mysië voorbij en reisden ze verder naar Tro̱as.  ’s Nachts kreeg Paulus een visioen: er stond een Macedoniër, die hem dringend vroeg: ‘Kom over naar Macedonië en help ons.’ 10  Nadat hij het visioen had gezien, wilden we meteen naar Macedonië vertrekken, omdat we de conclusie trokken dat God ons had geroepen om het goede nieuws bekend te maken aan de mensen daar. 11  We voeren dus van Tro̱as weg en zetten rechtstreeks koers naar Samothra̱ce. De volgende dag gingen we naar Nea̱polis 12  en vandaar naar Fili̱ppi,+ een kolonie die de belangrijkste stad van het district Macedonië is. In die stad bleven we een aantal dagen. 13  Op de sabbat gingen we de poort uit naar een plek langs een rivier waarvan we vermoedden dat het een gebedsplaats was. We gingen daar zitten en spraken de vrouwen aan die bij elkaar waren gekomen. 14  Een vrouw die Lydia heette, luisterde. Ze was een purperverkoopster uit de stad Thyati̱ra+ die God aanbad. Jehovah opende haar hart zodat ze vol aandacht was voor wat Paulus vertelde.+ 15  Toen zij en haar huisgenoten gedoopt waren,+ drong ze aan: ‘Als jullie vinden dat ik Jehovah trouw ben, kom dan mee naar mijn huis en blijf daar.’ En ze dwong ons er gewoon toe. 16  Toen we op een keer weer onderweg waren naar de gebedsplaats, kwam een dienstmeisje ons tegemoet. Ze had een demon die haar in staat stelde de toekomst te voorspellen,+ en met haar waarzeggerij verdiende ze veel geld voor haar meesters. 17  Het meisje bleef achter Paulus en ons aan lopen, terwijl ze riep: ‘Deze mensen zijn slaven van de allerhoogste God+ en ze vertellen hoe jullie gered kunnen worden!’* 18  Daar ging ze dagen achter elkaar mee door. Uiteindelijk kreeg Paulus er genoeg van. Hij draaide zich om en zei tegen de geest: ‘Ik beveel je in de naam van Jezus Christus om uit haar te gaan.’ En de geest ging meteen uit haar.+ 19  Toen haar meesters zagen dat hun bron van inkomsten verdwenen was,+ grepen ze Paulus en Silas en sleepten hen naar het marktplein, naar de bestuurders.+ 20  Ze leidden hen voor de magistraten en zeiden: ‘Deze mensen veroorzaken opschudding in onze stad.+ Het zijn Joden, 21  en ze verkondigen gebruiken die wij als Romeinen niet mogen overnemen of volgen.’+ 22  De hele menigte keerde zich tegen hen, waarna de magistraten hun de kleren van het lijf lieten scheuren en opdracht gaven hun stokslagen te geven.+ 23  Nadat ze een flink aantal slagen hadden gekregen, werden ze in de gevangenis gegooid.+ De bewaker kreeg opdracht hen streng te bewaken+ 24  en vanwege dat bevel zette hij ze in het binnenste deel van de gevangenis en sloot hij hun voeten in het blok. 25  Rond middernacht waren Paulus en Silas aan het bidden en ze loofden God met liederen.+ De andere gevangenen luisterden naar hen. 26  Plotseling kwam er een grote aardbeving, zodat de gevangenis op haar fundamenten schudde. Meteen gingen alle deuren open en bij iedereen raakten de boeien los.+ 27  Toen de bewaker wakker werd en zag dat de deuren van de gevangenis openstonden, trok hij zijn zwaard en wilde hij zichzelf om het leven brengen, omdat hij dacht dat de gevangenen ontsnapt waren.+ 28  Maar Paulus riep met luide stem: ‘Doe jezelf niets aan, want we zijn allemaal nog hier!’ 29  De bewaker vroeg om licht, haastte zich naar binnen en viel bevend voor Paulus en Silas neer. 30  Hij bracht ze naar buiten en zei: ‘Heren, wat moet ik doen om gered te worden?’ 31  Ze zeiden: ‘Geloof in de Heer Jezus en jij en je huisgenoten zullen gered worden.’+ 32  Toen maakten ze het woord van Jehovah bekend aan hem en aan iedereen die in zijn huis was. 33  Terwijl het nog nacht was, nam hij ze mee en maakte hun wonden schoon. Daarna werden hij en iedereen in zijn huis zonder uitstel gedoopt.+ 34  Hij bracht ze naar zijn huis en dekte de tafel voor ze. Hij en zijn huisgenoten waren heel blij dat hij in God was gaan geloven. 35  Toen het dag werd, stuurden de magistraten beambten met de boodschap: ‘Laat die mensen vrij.’ 36  De bewaker gaf aan Paulus het bericht door: ‘De magistraten hebben mannen gestuurd om jullie vrij te laten, dus jullie kunnen gaan. Ga in vrede.’ 37  Maar Paulus antwoordde: ‘Ze hebben ons in het openbaar en zonder vorm van proces gegeseld en ons in de gevangenis gegooid, terwijl we Romeinen zijn.+ En nu zetten ze ons er in het geheim uit? Geen sprake van! Laat ze zelf maar komen om ons uitgeleide te doen.’ 38  De beambten brachten die woorden over aan de magistraten. Die werden bang toen ze hoorden dat de mannen Romeinen waren.+ 39  Ze kwamen zich dus bij hen verontschuldigen, en nadat ze hun uitgeleide hadden gedaan, vroegen ze hun uit de stad weg te gaan. 40  Maar toen ze de gevangenis hadden verlaten, gingen ze naar het huis van Lydia,+ waar ze de broeders aantroffen. Ze bouwden hen op+ en vertrokken.

Voetnoten

Of ‘en’.
Lett.: ‘de weg van redding’.

Aantekeningen

Timotheüs: Dit is de eerste keer dat Timotheüs in de Bijbel vermeld wordt. Zijn naam komt uit het Grieks en betekent ‘vereerder van God’. Het is niet precies bekend wanneer Timotheüs het christendom aanvaardde. Maar zijn gelovige Joodse moeder Eunice en waarschijnlijk ook zijn grootmoeder Loïs onderwezen hem van kinds af aan ‘de heilige geschriften’ (de Hebreeuwse Geschriften) zoals de Joden ze begrepen (2Ti 1:5; 3:15). Het is heel waarschijnlijk dat Eunice en Loïs christen werden toen Paulus Lystra bezocht tijdens zijn eerste zendingsreis. Er wordt gezegd dat Timotheüs een Griekse vader had. Dat betekent dat zijn vader Griekse voorouders had of dat hij van een ander ras was. Blijkbaar was hij geen christen. Paulus kwam tijdens zijn tweede zendingsreis (eind 49 of begin 50) naar Lystra, waar Timotheüs kennelijk woonde. In die tijd was Timotheüs een christelijke discipel over wie ‘positief werd gesproken door de broeders in Lystra en Ikonium’ (Han 16:2). Hij was toen misschien rond de 20, een conclusie die wordt ondersteund door wat Paulus zo’n 10 tot 15 jaar later tegen hem zegt: ‘Laat niemand ooit neerkijken op je jeugd’ (1Ti 4:12, waarschijnlijk geschreven tussen 61 en 64). Dat wijst erop dat Timotheüs ook toen nog relatief jong was.

besneed hij hem: Paulus wist heel goed dat besneden zijn geen vereiste was voor een christen (Han 15:6-29). Timotheüs, die een vader had die geen gelovige was, was niet besneden. Paulus wist dat sommige Joden die ze tijdens hun predikingstocht zouden ontmoeten hier aanstoot aan konden nemen. Om te voorkomen dat hun werk hierdoor belemmerd zou worden, vroeg Paulus Timotheüs om deze pijnlijke ingreep te ondergaan. Beide mannen waren hiermee een goed voorbeeld van wat Paulus later aan de Korinthiërs schreef: ‘Voor de Joden ben ik geworden als een Jood om Joden te winnen’ (1Kor 9:20).

ouderlingen: Lett.: ‘oudere mannen’. Hier verwijst het Griekse presbuteros naar personen die een verantwoordelijke positie hadden in de christelijke gemeente in de eerste eeuw. De ouderlingen van de gemeente in Jeruzalem worden in één adem met de apostelen genoemd als degenen naar wie Paulus, Barnabas en een paar andere broeders uit Syrisch Antiochië toe gingen om de besnijdeniskwestie op te lossen. Dus net zoals een aantal oudsten in het letterlijke Israël op nationaal niveau de leiding hadden, vormden deze ouderlingen samen met de apostelen een besturend lichaam voor alle christelijke gemeenten in de eerste eeuw. Dat wijst erop dat de oorspronkelijke groep die als besturend lichaam fungeerde, de 12 apostelen, nu was uitgebreid (Han 1:21, 22, 26; zie aantekeningen bij Mt 16:21 en Han 11:30).

de apostelen en ouderlingen in Jeruzalem: Zoals blijkt uit de aantekening bij Han 15:2 hadden sommige oudsten in Israël de leiding op nationaal niveau. Op een vergelijkbare manier vormden deze ouderlingen in Jeruzalem samen met de apostelen een besturend lichaam voor alle christelijke gemeenten in de eerste eeuw. Nadat deze apostelen en ouderlingen de besnijdeniskwestie hadden behandeld, maakten ze hun beslissing bekend aan de gemeenten, en die beslissing werd als gezaghebbend aanvaard.

Asia: Zie Woordenlijst.

de geest van Jezus: Blijkbaar duidt dit op Jezus’ gebruik van de heilige geest of actieve kracht, die hij ‘van de Vader had ontvangen’ (Han 2:33). Als hoofd van de christelijke gemeente gebruikte Jezus de geest om het predikingswerk van de eerste christenen te leiden en aan te geven op welke gebieden ze zich moesten richten. In dit geval gebruikte Jezus ‘de heilige geest’ om te voorkomen dat Paulus en zijn reisgenoten in de provincies Asia en Bithynië gingen prediken (Han 16:6-10). Maar die gebieden werden later wel met het goede nieuws bereikt (Han 18:18-21; 1Pe 1:1, 2).

gingen ze (...) voorbij: Of ‘reisden ze door’. Het Griekse werkwoord parerchomai, dat hier is vertaald met ‘voorbijgaan’, laat ruimte voor de gedachte dat Paulus en zijn reisgenoten door het gebied reisden, wat ze kennelijk deden. Troas was een zeehaven in Mysië, een streek in het NW van Klein-Azië. Ze moesten door Mysië om in Troas te komen, dus ze ‘gingen Mysië voorbij’ in de zin dat ze door het gebied reisden zonder te stoppen om er uitgebreid te prediken.

Macedonië: Zie Woordenlijst.

het eerste verslag: Lukas verwijst hier naar zijn evangelieverslag over Jezus’ leven. In dat verslag focuste hij op ‘alles wat Jezus heeft gedaan en onderwezen, vanaf het begin’. In het boek Handelingen gaat Lukas verder waar hij gebleven is en tekent hij op wat Jezus’ volgelingen zeiden en deden. De stijl en bewoordingen van de verslagen komen overeen, en beide verslagen zijn gericht aan Theofilus. Er wordt niet expliciet gezegd of Theofilus een discipel van Christus was. (Zie aantekening bij Lu 1:3.) Lukas begint het boek Handelingen met een samenvatting van de gebeurtenissen aan het eind van zijn evangelie, en geeft daarmee duidelijk aan dat dit tweede verslag een vervolg is op het eerste. Maar in deze samenvatting gebruikt hij soms iets andere bewoordingen en vermeldt hij andere details. (Vergelijk Lu 24:49 met Han 1:1-12.)

ons: Dat Lukas hier ‘ons’ gebruikt, wijst erop dat hij zich in Filippi opnieuw bij Paulus aansloot. Een tijdje daarvoor hadden hun wegen zich in Filippi gescheiden (Han 16:10-17, 40). Nu reisden ze samen van Filippi naar Jeruzalem, waar Paulus later werd gearresteerd (Han 20:5–21:18, 33). Dit is het tweede gedeelte in Handelingen waar Lukas zichzelf bij het verslag betrekt. (Zie aantekeningen bij Han 16:10 en 27:1.)

we: Zoals in de aantekeningen bij Han 16:10 en 20:5 wordt gezegd, bevat Handelingen gedeelten waarin Lukas, de schrijver van het boek, persoonlijke voornaamwoorden als we en ons gebruikt (Han 27:20). Dat duidt erop dat Lukas met Paulus meereisde op delen van enkele van zijn vele reizen. Het gedeelte van Handelingen dat hier begint en doorloopt tot Han 28:16 bevat zulke verwijzingen, waaruit blijkt dat Lukas met Paulus meereisde naar Rome.

het goede nieuws (...) bekendmaken: Het Griekse werkwoord euaggelizomai dat hier wordt gebruikt is verwant aan het zelfstandig naamwoord euaggelion, goed nieuws. In de Griekse Geschriften wordt het goede nieuws nauw in verband gebracht met Gods Koninkrijk, het thema van Jezus’ prediking en onderwijs, en met redding door geloof in Jezus Christus. In Handelingen komt het Griekse werkwoord euaggelizomai heel vaak voor, waardoor de nadruk wordt gelegd op de prediking (Han 8:4, 12, 25, 35, 40; 10:36; 11:20; 13:32; 14:7, 15, 21; 15:35; 16:10; 17:18; zie aantekeningen bij Mt 4:23 en 24:14).

we: Tot aan Han 16:9 is Handelingen helemaal in de derde persoon geschreven, wat wil zeggen dat de schrijver Lukas uitsluitend beschrijft wat anderen zeiden en deden. Maar hier in Han 16:10 verandert die stijl en betrekt Lukas zichzelf bij het verhaal. Vanaf dat punt gebruikt hij de persoonlijke voornaamwoorden we en ons in gedeelten van het verslag die hij kennelijk als een van Paulus’ reisgenoten meemaakte. (Zie aantekening bij Han 1:1 en Inleiding tot Handelingen.) Lukas ging rond het jaar 50 voor het eerst met Paulus mee, van Troas naar Filippi. Maar toen Paulus uit Filippi vertrok, was Lukas niet meer bij hem (Han 16:10-17, 40; zie aantekeningen bij Han 20:5 en 27:1).

het goede nieuws bekend te maken: Zie aantekening bij Han 5:42.

Filippi: Filippi (Philippi) werd oorspronkelijk Krenides genoemd. Halverwege de vierde eeuw v.Chr. veroverde Philippus II van Macedonië (de vader van Alexander de Grote) de stad op de Thraciërs en vernoemde die naar zichzelf. Er waren rijke goudmijnen in die streek, en er werden gouden munten uitgegeven met de naam van Philippus. Rond 168 v.Chr. versloeg de Romeinse consul Lucius Aemilius Paulus de laatste Macedonische koning, Perseus, en nam Filippi en het omliggende gebied in. In 146 v.Chr. werd heel Macedonië een Romeinse provincie. De veldslag waarin Octavianus en Marcus Antonius de legers van Brutus en Gaius Cassius Longinus, de moordenaars van Julius Caesar, versloegen, vond plaats in de Vlakte van Filippi (in 42 v.Chr.). Later maakte Augustus, als herinnering aan zijn grote overwinning, van Filippi een Romeinse kolonie. Toen Octavianus enkele jaren later door de Romeinse senaat tot Caesar Augustus werd benoemd, gaf hij de stad de naam Colonia Augusta Julia Philippensis. (Zie App. B13.)

een rivier: Volgens veel geleerden was dit de Gangites, zo’n 2,4 km ten W van Filippi, op meer dan een sabbatsreis afstand. Sommigen denken dat de Joden misschien niet in de stad mochten samenkomen voor aanbidding omdat Filippi een militaire stad was en ze daarom ver weg moesten samenkomen. Volgens anderen was het de Krenides, een klein riviertje dichter bij de stad, dat plaatselijk de rivier van Lydia genoemd wordt. Maar omdat daar Romeinse graven zijn gevonden en het gebied voor iedereen zichtbaar was, is het volgens sommigen niet waarschijnlijk dat mensen daar gingen bidden. Volgens weer anderen was het een nu droog liggende bedding buiten de Neapolispoort, waar in de vierde of vijfde eeuw een aantal kerken gebouwd zijn ter herinnering aan Paulus’ bezoek aan Filippi.

een gebedsplaats: Misschien was het de Joden niet toegestaan een synagoge in de stad te hebben omdat Filippi een militaire stad was. Of misschien waren er geen tien Joodse mannen in de stad, volgens de traditie het minimumaantal om een synagoge te kunnen stichten.

Een vrouw die Lydia heette: Lydia wordt maar twee keer in de Bijbel vermeld, hier en in Han 16:40. Er is geschreven bewijsmateriaal dat Lydia als eigennaam gebruikt werd, hoewel sommigen denken dat Lydia een bijnaam was die ‘vrouw uit Lydië’ betekende. Lydia en haar huisgenoten werden rond het jaar 50 in Filippi christenen, dus ze hoorden bij de eerste personen in Europa die het christendom aanvaardden als resultaat van Paulus’ prediking. Lydia is misschien nooit getrouwd geweest of was weduwe. Dankzij haar vrijgevigheid kreeg ze de kans te genieten van opbouwende omgang met de zendelingen Paulus, Silas en Lukas (Han 16:15).

een purperverkoopster: Lydia handelde misschien in verschillende soorten purperen goederen, zoals stoffen, kleding, tapijten en verf. Ze kwam oorspronkelijk uit Thyatira, een stad in de streek Lydië in het westen van Klein-Azië. Een inscriptie die in Filippi gevonden is, bewijst dat er een gilde van purperverkopers in die stad was. De Lydiërs en hun buren waren al sinds de tijd van Homerus (de negende of achtste eeuw v.Chr.) beroemd om hun vaardigheid als purperververs. Omdat voor Lydia’s handel een behoorlijk kapitaal nodig was en ze een groot huis had waar ze vier mannen (Paulus, Silas, Timotheüs en Lukas) kon huisvesten, was ze waarschijnlijk een succesvolle, rijke handelaarster. Dat er over haar ‘huisgenoten’ wordt gesproken, kan betekenen dat er familieleden bij haar woonden, maar het kan ook betekenen dat ze slaven en bedienden had (Han 16:15). En het feit dat Paulus en Silas voordat ze de stad verlieten in het huis van deze gastvrije vrouw bijeenkwamen met een paar broeders, lijkt erop te duiden dat het een vergaderplaats werd voor de eerste christenen in Filippi (Han 16:40).

Jehovah opende haar hart: Van Lydia wordt gezegd dat ze God aanbad, wat erop duidt dat ze een Joodse proseliet was (Han 13:43). Op de sabbat kwam ze met andere vrouwen samen op een gebedsplaats bij een rivier buiten Filippi (Han 16:13). Misschien waren er in Filippi weinig Joden en was er geen synagoge. Het kan zijn dat Lydia de aanbidding van Jehovah had leren kennen in Thyatira, waar ze vandaan kwam. Daar woonden namelijk veel Joden en was een Joodse vergaderplaats. Jehovah, de God die ze aanbad, merkte op dat ze vol aandacht was. (Zie App. C3 inleiding en Han 16:14.)

Jehovah opende haar hart: Van Lydia wordt gezegd dat ze God aanbad, wat erop duidt dat ze een Joodse proseliet was (Han 13:43). Op de sabbat kwam ze met andere vrouwen samen op een gebedsplaats bij een rivier buiten Filippi (Han 16:13). Misschien waren er in Filippi weinig Joden en was er geen synagoge. Het kan zijn dat Lydia de aanbidding van Jehovah had leren kennen in Thyatira, waar ze vandaan kwam. Daar woonden namelijk veel Joden en was een Joodse vergaderplaats. Jehovah, de God die ze aanbad, merkte op dat ze vol aandacht was. (Zie App. C3 inleiding en Han 16:14.)

Jehovah trouw ben: Zoals uit de aantekening bij het vorige vers blijkt, is het vanwege Lydia’s achtergrond als Joodse proseliet logisch dat ze aan Jehovah dacht. Ze had net door Paulus’ prediking gehoord over Jezus Christus, maar ze had nog niet laten zien dat ze trouw was aan Jezus. Daarom lijkt het logisch dat ze het had over haar trouw aan de God die ze al aanbad, Jehovah. (Zie App. C3 inleiding en Han 16:15.)

had een demon die haar in staat stelde de toekomst te voorspellen: Lett.: ‘met een pythongeest’. Python was de naam van de mythische slang of draak die de tempel en het orakel van Delphi (Griekenland) bewaakte. Het Griekse puthon werd de aanduiding voor iemand die de toekomst kon voorspellen en ook voor de geest die via zo iemand sprak. Hoewel het woord later werd gebruikt voor buiksprekers, wordt het hier in Handelingen gebruikt voor een demon die een jong meisje in staat stelde de toekomst te voorspellen.

waarzeggerij: Of ‘kunst van het voorspellen’. In de Bijbel wordt over magiërs, astrologen en anderen gezegd dat ze beweerden de toekomst te kunnen voorspellen (Le 19:31; De 18:11). In de Griekse Geschriften wordt alleen in verband met deze gebeurtenis in Filippi gesproken over demonen die de toekomst voorspellen. De demonen bieden tegenstand aan God en aan degenen die zijn wil doen, dus het is niet zo verrassend dat Paulus en Silas veel tegenstand kregen toen ze deze waarzeggende demon uitdreven (Han 16:12, 17-24).

marktplein: Of ‘plaats van samenkomst’. Het Griekse agora wordt hier gebruikt voor een centraal openbaar plein in het oude Midden-Oosten en in de Griekse en Romeinse wereld. Mensen kwamen hier om te kopen en te verkopen en voor samenkomsten.

het marktplein: Het marktplein van Athene (Grieks: agora) lag ten NW van de Acropolis en besloeg zo’n 5 ha. Het was veel meer dan een plaats waar gekocht en verkocht werd. Het was het economische, politieke en culturele hart van de stad. De Atheners kwamen er graag samen voor intellectuele discussies.

marktplein: Of ‘plein’, ‘forum’. Het Griekse agora wordt hier gebruikt voor een centraal openbaar plein in het oude Midden-Oosten en in de Griekse en Romeinse wereld. Mensen kwamen hier om te kopen en te verkopen en voor samenkomsten. Dit verslag over de gebeurtenissen in Filippi lijkt erop te duiden dat er op het marktplein ook juridische kwesties werden afgehandeld. Opgravingen bij het oude Filippi wijzen erop dat de Via Egnatia midden door de stad liep en dat daarnaast een vrij groot forum (marktplein) was. (Zie aantekeningen bij Mt 23:7 en Han 17:17.)

de magistraten: Het meervoud van het Griekse strategos duidt hier op de hoogste gezagdragers van de Romeinse kolonie Filippi. Ze moesten de orde handhaven, de financiën beheren, wetsovertreders berechten en straffen opleggen.

Filippi: Filippi (Philippi) werd oorspronkelijk Krenides genoemd. Halverwege de vierde eeuw v.Chr. veroverde Philippus II van Macedonië (de vader van Alexander de Grote) de stad op de Thraciërs en vernoemde die naar zichzelf. Er waren rijke goudmijnen in die streek, en er werden gouden munten uitgegeven met de naam van Philippus. Rond 168 v.Chr. versloeg de Romeinse consul Lucius Aemilius Paulus de laatste Macedonische koning, Perseus, en nam Filippi en het omliggende gebied in. In 146 v.Chr. werd heel Macedonië een Romeinse provincie. De veldslag waarin Octavianus en Marcus Antonius de legers van Brutus en Gaius Cassius Longinus, de moordenaars van Julius Caesar, versloegen, vond plaats in de Vlakte van Filippi (in 42 v.Chr.). Later maakte Augustus, als herinnering aan zijn grote overwinning, van Filippi een Romeinse kolonie. Toen Octavianus enkele jaren later door de Romeinse senaat tot Caesar Augustus werd benoemd, gaf hij de stad de naam Colonia Augusta Julia Philippensis. (Zie App. B13.)

wij als Romeinen: De stad Filippi was een Romeinse kolonie en de inwoners hadden veel privileges, waaronder mogelijk een gedeeltelijk of beperkt Romeins burgerschap. Dat verklaart misschien waarom ze een sterkere binding met Rome leken te hebben dan anders het geval zou zijn geweest. (Zie aantekening bij Han 16:12.)

het woord van Jehovah: Deze uitdrukking komt uit de Hebreeuwse Geschriften, waar die voorkomt als combinatie van een Hebreeuwse term voor ‘woord’ en Gods naam. Deze uitdrukking en de uitdrukking ‘Jehovah’s woord’ komen in zo’n 200 verzen voor. (Enkele voorbeelden: 2Sa 12:9; 24:11; 2Kon 7:1; 20:16; 24:2; Jes 1:10; 2:3; 28:14; 38:4; Jer 1:4; 2:4; Ez 1:3; 6:1; Ho 1:1; Mi 1:1; Za 9:1.) In een vroeg exemplaar van de Septuaginta wordt in Za 9:1 het Griekse woord logos gevolgd door Gods naam in Oudhebreeuwse letters (). Deze boekrol van perkament is gevonden in Nachal Chever, in de woestijn van Judea, bij de Dode Zee, en wordt gedateerd tussen 50 v.Chr. en 50 n.Chr. De redenen waarom de Nieuwewereldvertaling in de hoofdtekst de uitdrukking ‘het woord van Jehovah’ gebruikt terwijl in veel Griekse manuscripten van Han 8:25 ‘het woord van de Heer’ staat, zijn te vinden in App. C3 inleiding en Han 8:25.

het woord van Jehovah: Zie aantekening bij Han 8:25 en App. C3 inleiding en Han 16:32.

we: Tot aan Han 16:9 is Handelingen helemaal in de derde persoon geschreven, wat wil zeggen dat de schrijver Lukas uitsluitend beschrijft wat anderen zeiden en deden. Maar hier in Han 16:10 verandert die stijl en betrekt Lukas zichzelf bij het verhaal. Vanaf dat punt gebruikt hij de persoonlijke voornaamwoorden we en ons in gedeelten van het verslag die hij kennelijk als een van Paulus’ reisgenoten meemaakte. (Zie aantekening bij Han 1:1 en Inleiding tot Handelingen.) Lukas ging rond het jaar 50 voor het eerst met Paulus mee, van Troas naar Filippi. Maar toen Paulus uit Filippi vertrok, was Lukas niet meer bij hem (Han 16:10-17, 40; zie aantekeningen bij Han 20:5 en 27:1).

zonder uitstel gedoopt: De bewaker en iedereen in zijn huis waren heidenen en waren waarschijnlijk niet op de hoogte van fundamentele Bijbelse waarheden. Nadat Paulus en Silas hun de aanmoediging hadden gegeven: ‘Geloof in de Heer Jezus’, maakten ze ‘het woord van Jehovah’ aan hen bekend, ongetwijfeld heel uitgebreid (Han 16:31, 32). Dat raakte hen diep, want zoals Han 16:34 laat zien, gingen ze nog diezelfde nacht ‘in God geloven’. Daarom was het passend dat ze zonder uitstel gedoopt werden. Toen Paulus en Silas Filippi verlieten, ging Paulus’ reisgenoot Lukas niet met hen mee, zoals blijkt uit Han 16:40. (Zie aantekening bij Han 16:10.) Misschien kon Lukas een tijdlang in Filippi blijven om de nieuwe christenen daar wat extra hulp te geven.

beambten: Het Griekse rhabdouchos (lett.: ‘stafdrager’) duidde op een officiële bediende die een Romeinse magistraat in het openbaar begeleidde en zijn bevelen uitvoerde. De Romeinse benaming was lictor. Sommige taken van de Romeinse beambten leken op die van de politie, maar de Romeinse beambten waren strikt aan de magistraat gebonden en moesten voortdurend tot zijn beschikking staan. Ze konden niet rechtstreeks aan de wensen van het volk voldoen maar volgden alleen de bevelen van hun magistraat op.

een Romein: Dat wil zeggen een Romeins burger. Dit is het tweede van drie opgetekende gevallen waarin Paulus gebruikmaakte van zijn rechten als Romeins burger. De Romeinse overheid bemoeide zich meestal nauwelijks met Joodse kwesties. Maar de Romeinen raakten niet alleen betrokken bij Paulus’ zaak omdat er een rel ontstond toen hij de tempel bezocht, maar ook omdat hij een Romeins burger was. Het burgerschap gaf iemand bepaalde privileges die in het hele rijk erkend en gerespecteerd werden. Het was bijvoorbeeld niet toegestaan om een Romein die niet veroordeeld was vast te binden of te slaan, omdat men zo’n behandeling alleen passend vond voor slaven. (Zie voor de andere twee voorvallen de aantekeningen bij Han 16:37 en 25:11.)

Ik beroep me op caesar!: Dit is het derde voorval in het Bijbelse verslag waarbij Paulus gebruikmaakt van zijn rechten als Romeins burger. (Zie voor de andere twee voorvallen de aantekeningen bij Han 16:37 en 22:25.) Zo’n beroep op caesar kon worden gedaan na de rechterlijke uitspraak of al tijdens de behandeling van de zaak. Festus gaf aan dat hij in deze kwestie geen uitspraak wilde doen, en een rechtszaak in Jeruzalem bood praktisch geen hoop op een rechtvaardige behandeling. Daarom vroeg Paulus formeel om door het hoogste gerechtshof van het rijk berecht te worden. Blijkbaar kon het beroep in sommige gevallen worden afgewezen, bijvoorbeeld in het geval van een dief, zeerover of opruier die op heterdaad betrapt was. Waarschijnlijk overlegde Festus om die reden eerst met ‘zijn raadgevers’ voordat hij het beroep aanvaardde (Han 25:12). Het daaropvolgende verhoor tijdens het bezoek van Herodes Agrippa II vond plaats zodat Festus nauwkeuriger informatie zou hebben als hij Paulus’ zaak overdroeg aan ‘de Augustus’, Nero (Han 25:12-27; 26:32; 28:19). Doordat Paulus zich op caesar beriep, kon hij naar Rome gaan, een wens die hij al eerder geuit had (Han 19:21). Jezus’ profetische belofte en de boodschap die Paulus later via een engel kreeg, bewijzen dat deze gebeurtenissen onder Gods leiding plaatsvonden (Han 23:11; 27:23, 24).

we Romeinen zijn: Dat wil zeggen Romeinse burgers. Paulus was een Romeins burger en Silas blijkbaar ook. Volgens de Romeinse wet had een burger altijd recht op een eerlijk proces en mocht hij nooit zonder veroordeling in het openbaar gestraft worden. Een Romeins staatsburger had binnen het keizerrijk bepaalde rechten en privileges. Hij stond onder de Romeinse wet, en niet onder de wet van andere steden in het rijk. Als hij ergens van beschuldigd werd, kon hij ermee instemmen volgens de lokale wetgeving berecht te worden, maar hij behield het recht om door een Romeinse rechtbank gehoord te worden. Als hij ter dood werd veroordeeld, had hij het recht om bij de keizer in beroep te gaan. Paulus predikte overal in het Romeinse Rijk. Hij maakte bij minstens drie voorvallen gebruik van zijn rechten als Romeins burger. De eerste keer was hier in Filippi, toen hij de magistraten erop wees dat ze zijn rechten geschonden hadden door hem te slaan. (Zie voor de andere twee voorvallen de aantekeningen bij Han 22:25 en 25:11.)

Media