Doorgaan naar inhoud

Doorgaan naar inhoudsopgave

Is Gods koninkrijk iets dat in ons hart zit?

Is Gods koninkrijk iets dat in ons hart zit?

 Is Gods koninkrijk iets dat in ons hart zit?

„Het ’Rijk Gods’ (...) ligt in het innerlijke van de mens”, zegt paus Benedictus XVI in zijn boek Jezus van Nazareth. Voor sommigen is dat alles wat Gods koninkrijk inhoudt: een verandering die in iemand plaatsvindt als hij Jezus Christus aanvaardt en geloof ontwikkelt. Is Gods koninkrijk gewoon een innerlijke verandering, een koninkrijk dat alleen in ons hart bestaat?

VOOR Jezus was het Koninkrijk inderdaad iets wat hem na aan het hart lag. „Jezus’ prediking (...) draait om de boodschap van Gods Rijk”, erkent paus Benedictus. Jezus trok het grootste deel van zijn relatief korte bediening rond door het hele land terwijl hij „het goede nieuws van het koninkrijk predikte” (Mattheüs 4:23). Door zijn onderwijs en de wonderen die hij deed, maakte hij duidelijk dat het Koninkrijk meer is dan God aanvaarden en hem gehoorzamen. Het heeft te maken met bestuur, oordeel en eeuwige zegeningen.

Bestuur en oordeel

Tijdens de laatste dagen van Jezus’ bediening kwam de moeder van zijn naaste volgelingen Jakobus en Johannes naar hem toe en zei: „Zeg dat deze twee zonen van mij in uw koninkrijk de een aan uw rechter- en de ander aan uw linkerhand mogen zitten” (Mattheüs 20:21). Ze had het duidelijk niet over iets in het hart van haar zoons. Ze begreep dat het Koninkrijk betekende dat personen samen met Jezus zouden regeren, en ze wilde dat haar zoons daar ook bij zouden zijn. Jezus beloofde zijn elf getrouwe apostelen inderdaad dat ze in zijn koninkrijk „op tronen [zouden] zitten” om met hem te „oordelen” (Lukas 22:30). Voor zijn volgelingen was zijn koninkrijk dus een echt bestuur: een regering.

Wat dachten de mensen in het algemeen in Jezus’ tijd? Vatten ze het Koninkrijk op als alleen maar een innerlijke verandering, of verwachtten ze meer? Kort voor het Pascha in het jaar 33, toen Jezus Jeruzalem op een ezelsveulen binnenreed, juichten de mensen hem toe en sommigen riepen: „Red toch de Zoon van David!” (Mattheüs 21:9) Waarom riepen ze dat? Ongetwijfeld waren ze gaan beseffen dat Jezus de beloofde Messias was en dat God hem een eeuwig koninkrijk zou geven, „de troon van zijn vader David”. Ze verlangden naar de redding, vrede en gerechtigheid die het Koninkrijk zou brengen (Lukas 1:32; Zacharia 9:9).

Eeuwige zegeningen

Zelfs mensen die weinig interesse schenen te hebben in Jezus’ bediening, wisten dat hij over het Koninkrijk predikte. Bij Jezus’ terechtstelling smeekte een misdadiger die naast hem hing: „Jezus, denk aan mij wanneer gij in uw koninkrijk gekomen zijt.” Wat was Jezus’ antwoord? Hij verzekerde de stervende man: „Gij zult met mij in het Paradijs zijn” (Lukas 23:42, 43).

Die rover geloofde blijkbaar dat Jezus na zijn opstanding een koninkrijk zou ontvangen, of het zou binnengaan. Jezus zou niet alleen de macht hebben om de man samen met miljoenen anderen weer tot leven te wekken en hem te helpen zich te veranderen, maar hij zou ook het verlangen hebben dat te doen. Als Jezus in het geestenrijk eenmaal als Heerser  aangesteld zou zijn, zou hij door middel van het Koninkrijk alle mensen op aarde eeuwige zegeningen brengen (Johannes 5:28, 29).

Een koninkrijk in hun midden

Maar heeft Jezus niet gezegd: „Het koninkrijk Gods is in uw midden”? Ja, dat staat in Lukas 17:21. In sommige Bijbelvertalingen staat „het Koninkrijk Gods is binnen in u”, terwijl andere zeggen „is onder u”. (Zie bijvoorbeeld de Leidse Vertaling en de Groot Nieuws Bijbel.) Wat bedoelde Jezus?

De context laat zien dat Jezus die woorden tot de farizeeën richtte, een vijandige Joodse religieuze groep. Die hadden hun eigen verwachtingen wat de Messias en zijn koninkrijk betreft. Volgens hen zou de Messias „met de wolken des hemels” komen als een glorierijke Koning om de Joden van de Romeinen te bevrijden en het koninkrijk Israël te herstellen (Daniël 7:13, 14). Maar Jezus wees hen op hun verkeerde kijk door te zeggen: „Het koninkrijk Gods komt niet met opvallende waarneembaarheid.” En daarna zei hij: „Ziet! het koninkrijk Gods is in uw midden” (Lukas 17:20, 21).

Terwijl Jezus onderwees en wonderen verrichtte die bewezen dat hij de beloofde Koning van dat koninkrijk was, werden de farizeeën, die geen zuivere motieven en geen oprecht geloof hadden, alleen maar vijandiger. Ze geloofden niet dat Jezus de Messias was. Daarom confronteerde hij hen met de feiten: het Koninkrijk, vertegenwoordigd door de toekomstige Koning, was ’in hun midden’. Jezus vroeg hun niet om in hun binnenste te kijken. * Hij en zijn discipelen stonden voor hen. „Het Koninkrijk Gods is bij u”, zei hij (Lukas 17:21, NBG-vertaling 1951).

Een koninkrijk dat u na aan het hart ligt

Hoewel Gods koninkrijk niet in het hart van zondige mensen zit, zou het ons wel na aan het hart moeten liggen. Door zijn onderwijs en zijn wonderen probeerde Jezus in het hart van zijn toehoorders oprecht geloof op te bouwen in een rechtvaardige regering die echte vrede en veiligheid zou brengen. Hij wilde dat ze een geloof zouden krijgen dat een goede invloed op hun leven zou hebben. Hij leerde hun zelfs om het Koninkrijk te bidden: „Onze Vader in de hemelen, uw naam worde geheiligd. Uw koninkrijk kome. Uw wil geschiede, gelijk in de hemel, zo ook op aarde” (Mattheüs 6:9, 10). Veel van Jezus’ toehoorders werden geraakt door zijn woorden en ontwikkelden een geloof dat hen ertoe bewoog Jezus te volgen om de zegeningen van Gods koninkrijk te ervaren.

Zou u graag zo’n geloof hebben? Wat is daarvoor nodig? Denk eens aan de openingswoorden van Jezus’ beroemde Bergrede: „Gelukkig zijn zij die zich bewust zijn van hun geestelijke nood [spirituele behoefte], want hun behoort het koninkrijk der hemelen toe” (Mattheüs 5:3). Waarom zou u niet ingaan op de uitnodiging van Jehovah’s Getuigen, die u dit tijdschrift hebben gegeven, om met hen de Bijbel te bestuderen? Dan zult u hoop krijgen, niet alleen op een innerlijke verandering, maar ook op een rechtvaardig bestuur: een koninkrijk dat vrede en veiligheid tot stand zal brengen voor iedereen.

[Voetnoot]

^ ¶13 Het voornaamwoord ’u’ of ’uw’ in deze tekst staat in het oorspronkelijke Grieks in het meervoud en verwijst naar de farizeeën, tegen wie Jezus sprak. Jezus kan het onmogelijk gehad hebben over hun innerlijke verandering of hun gevoelige hart.

[Inzet op blz. 11]

Zat Gods koninkrijk in het hart van Jezus’ koppige en moordzuchtige tegenstanders?