Volgens Lukas 22:1-71

22  Het Feest van het Ongezuurde Brood, dat Pascha+ wordt genoemd, was bijna aangebroken.+  De overpriesters en de schriftgeleerden zochten naar een goede manier om hem uit de weg te ruimen,+ want ze waren bang voor het volk.+  Toen kwam Satan in Judas, degene die Iska̱riot werd genoemd en die bij de twaalf hoorde.+  Hij ging naar de overpriesters en de tempelwachters om te overleggen hoe hij hem aan hen kon verraden.+  Ze waren opgetogen en spraken af hem zilverstukken te geven.+  Hij ging akkoord en begon te zoeken naar een goed moment om hem aan hen te verraden zonder dat er veel mensen bij waren.  Toen brak de dag van het Feest van het Ongezuurde Brood aan, de dag waarop het paschaoffer gebracht moest worden.+  Jezus stuurde Petrus en Johannes eropuit en zei: ‘Ga de paschamaaltijd voor ons klaarmaken, zodat we die kunnen eten.’+  Ze vroegen hem: ‘Waar wil je dat we het klaarmaken?’ 10  Hij antwoordde: ‘Wanneer jullie de stad in gaan, zal jullie een man tegemoetkomen die een waterkruik draagt. Volg hem naar het huis dat hij binnengaat.+ 11  Zeg tegen de eigenaar van het huis: “De Meester vraagt u: ‘Waar is het gastenvertrek waar ik met mijn discipelen de paschamaaltijd kan eten?’” 12  De man zal jullie dan boven een grote kamer laten zien die al is ingericht. Maak het daar klaar.’ 13  Ze vertrokken en vonden het precies zoals hij hun had gezegd. En ze maakten alles klaar voor het Pascha. 14  Toen het zover was, ging hij samen met de apostelen aan tafel.*+ 15  Hij zei tegen ze: ‘Ik heb er echt naar verlangd om deze paschamaaltijd met jullie te eten vóór mijn lijden. 16  Want ik zeg jullie: ik zal het niet meer eten tot de vervulling ervan in Gods Koninkrijk.’ 17  Hij nam een beker aan, sprak een dankgebed uit en zei: ‘Neem deze beker en geef hem aan elkaar door, 18  want ik zeg jullie: vanaf nu zal ik niet meer van de vrucht van de wijnstok drinken totdat Gods Koninkrijk komt.’+ 19  Hij nam ook een brood+ en sprak een dankgebed uit. Daarna brak hij het, gaf het aan hen en zei: ‘Dit betekent mijn lichaam,+ dat voor jullie gegeven zal worden.+ Blijf dit doen om mij te gedenken.’+ 20  Na de maaltijd deed hij hetzelfde met de beker en zei: ‘Deze beker betekent het nieuwe verbond+ dat wordt bekrachtigd door mijn bloed,+ dat voor jullie vergoten zal worden.+ 21  Maar weet dat mijn verrader hier bij mij aan tafel is.+ 22  Want de Mensenzoon zal inderdaad zijn weg gaan zoals is bepaald.+ Maar wee de man door wie hij wordt verraden!’+ 23  Toen begonnen ze er met elkaar over te praten wie van hen zoiets zou kunnen doen.+ 24  Er ontstond onder hen ook een verhitte discussie over de vraag wie van hen de grootste was.+ 25  Daarop zei hij tegen hen: ‘De koningen van de volken heersen over hen en de machthebbers laten zich weldoener noemen.+ 26  Maar laat dat bij jullie niet zo zijn.+ De grootste onder jullie moet juist als de jongste worden,+ en degene die de leiding neemt als degene die dient.+ 27  Want wie is groter: degene die aan tafel aanligt of degene die bedient? Is het niet degene die aan tafel aanligt? Toch ben ik hier degene die jullie bedient.+ 28  Jullie zijn degenen die tijdens mijn beproevingen+ steeds bij me zijn gebleven.+ 29  En ik sluit een verbond met jullie voor een koninkrijk, net zoals mijn Vader een verbond met mij heeft gesloten,+ 30  zodat jullie in mijn Koninkrijk aan mijn tafel kunnen eten en drinken,+ en op tronen kunnen zitten+ om de 12 stammen van Israël te oordelen.+ 31  Simon, Simon! Satan heeft jullie allemaal voor zich opgeëist om jullie te ziften als tarwe.+ 32  Maar ik heb voor je gesmeekt dat je geloof niet zou bezwijken.+ En als je tot inkeer bent gekomen, moet je je broeders versterken.’+ 33  Hij antwoordde: ‘Heer, ik ben bereid om met je de gevangenis in te gaan en zelfs te sterven.’+ 34  Maar Jezus zei: ‘Ik zeg je, Petrus: nog voordat er vandaag een haan kraait, zul je drie keer zeggen dat je mij niet kent.’+ 35  Ook zei hij tegen ze: ‘Toen ik jullie eropuit stuurde zonder geldbuidel, voedselzak en sandalen,+ zijn jullie toen iets tekortgekomen?’ Ze antwoordden: ‘Nee.’* 36  Hij zei tegen ze: ‘Maar als je een geldbuidel en een voedselzak hebt, moet je die nu wel meenemen. En als je geen zwaard hebt, moet je je bovenkleed verkopen en er een aanschaffen. 37  Ik zeg jullie dat in mij volbracht moet worden wat geschreven staat, namelijk: “Hij werd tot de wettelozen gerekend.”+ Want deze woorden gaan nu in mij in vervulling.’+ 38  Ze zeiden: ‘Kijk Heer, hier zijn twee zwaarden.’ Hij antwoordde: ‘Dat is genoeg.’ 39  Hij vertrok en ging zoals altijd naar de Olijfberg. De discipelen gingen met hem mee.+ 40  Toen hij daar was aangekomen, zei hij tegen ze: ‘Blijf bidden, zodat jullie niet toegeven aan verleiding.’+ 41  Hij ging bij ze weg, en op ongeveer een steenworp afstand knielde hij neer en ging in gebed. 42  Hij zei: ‘Vader, als u het wilt, neem deze beker dan van mij weg. Maar laat niet mijn wil gebeuren, maar die van u.’+ 43  Toen verscheen er een engel uit de hemel aan hem, die hem sterkte.+ 44  Maar zijn leed was zo groot dat hij nog intenser ging bidden.+ Zijn zweet werd als druppels bloed, die op de grond vielen. 45  Na het gebed stond hij op en ging naar de discipelen. Hij trof ze slapend aan, want ze waren uitgeput van verdriet. 46  Hij zei: ‘Waarom slapen jullie? Sta op en blijf bidden, zodat jullie niet toegeven aan verleiding.’+ 47  Hij was nog niet uitgesproken of er kwam een menigte aan. Voorop liep de man die Judas werd genoemd, één van de twaalf. Hij kwam op Jezus af om hem te kussen.+ 48  Maar Jezus zei tegen hem: ‘Judas, verraad je de Mensenzoon met een kus?’ 49  Toen degenen die bij hem stonden, begrepen wat er ging gebeuren, zeiden ze: ‘Heer, zullen we er met het zwaard op inslaan?’ 50  Een van hen haalde zelfs uit naar de slaaf van de hogepriester en sloeg hem zijn rechteroor af.+ 51  Maar Jezus zei: ‘Zo is het genoeg.’ En hij raakte het oor aan en genas hem. 52  Toen zei Jezus tegen de overpriesters, de tempelwachters en de oudsten die op hem af waren gekomen: ‘Zijn jullie met zwaarden en knuppels gekomen alsof ik een misdadiger ben?+ 53  Dag in dag uit was ik bij jullie in de tempel,+ en toen hebben jullie geen vinger naar me uitgestoken.+ Maar dit is jullie uur en de duisternis heerst.’+ 54  Toen namen ze hem gevangen en leidden hem+ naar het huis van de hogepriester. Petrus volgde op een afstand.+ 55  Ze staken midden op de binnenplaats een vuur aan en gingen bij elkaar zitten. Petrus zat tussen hen in.+ 56  Bij het licht van het vuur zag een dienstmeisje hem zitten. Ze bekeek hem goed en zei: ‘Deze man was ook bij hem.’ 57  Maar hij ontkende het en zei tegen haar: ‘Ik ken hem niet.’+ 58  Even later zag iemand anders hem en zei: ‘Jij hoort ook bij hen.’ Maar Petrus zei: ‘Welnee, man.’+ 59  Ongeveer een uur later zei weer een ander heel stellig: ‘Ja, deze man was ook bij hem. Trouwens, hij is een Galileeër!’ 60  Maar Petrus zei tegen de man: ‘Ik weet niet waar je het over hebt.’ Onmiddellijk, terwijl hij nog praatte, kraaide er een haan. 61  De Heer draaide zich om en keek Petrus aan, en Petrus herinnerde zich de uitspraak van de Heer: ‘Voordat vandaag een haan kraait, zul je drie keer zeggen dat je mij niet kent.’+ 62  Hij ging naar buiten en huilde bitter. 63  De mannen die Jezus gevangenhielden, maakten hem belachelijk+ en sloegen hem.+ 64  Ze bedekten zijn gezicht en zeiden: ‘Profeteer! Wie is het die je geslagen heeft?’ 65  En ze zeiden allerlei andere lasterlijke dingen tegen hem. 66  Toen het dag werd, kwam de raad van oudsten van het volk bijeen,+ zowel overpriesters als schriftgeleerden. Ze brachten hem naar hun Sanhedrin en zeiden: 67  ‘Als jij de Christus bent, zeg het ons dan.’+ Maar hij antwoordde: ‘Ook al zou ik het jullie zeggen, jullie zouden het toch niet geloven. 68  En als ik jullie vragen zou stellen, zouden jullie toch geen antwoord geven. 69  Maar vanaf nu zal de Mensenzoon+ aan de machtige rechterhand van God zitten.’+ 70  Daarop zeiden ze allemaal: ‘Ben je dan de Zoon van God?’ Hij antwoordde: ‘Jullie zeggen zelf dat ik het ben.’ 71  Ze zeiden: ‘Waarvoor hebben we nog getuigenverklaringen nodig? We hebben het uit zijn eigen mond gehoord!’+

Voetnoten

Of ‘aan tafel aanliggen’.
Of ‘niets’.

Aantekeningen

Het Feest van het Ongezuurde Brood, dat Pascha wordt genoemd: Strikt genomen was het Pascha, dat op 14 nisan werd gevierd, niet hetzelfde als het Feest van het Ongezuurde Brood, dat van 15 tot 21 nisan duurde (Le 23:5, 6; Nu 28:16, 17; zie App. B15). Maar in Jezus’ tijd waren deze twee feesten zo nauw verbonden geraakt dat alle acht de dagen, inclusief 14 nisan, als één feest werden gezien. Josephus zegt: ‘Vandaar dat wij (...) gedurende acht dagen een feest vieren dat we het feest van de ongezuurde broden noemen.’ De gebeurtenissen in Lu 22:1-6 vonden plaats op 12 nisan 33. (Zie App. B12.)

Iskariot: Betekent mogelijk ‘man uit Kerioth’. Judas’ vader, Simon, wordt ook ‘Iskariot’ genoemd (Jo 6:71). Er wordt algemeen aangenomen dat dit betekent dat Simon en Judas uit de Judese stad Kerioth-Hezron kwamen (Joz 15:25). Als dat zo is, was Judas de enige Judeeër van de 12 apostelen. De rest kwam uit Galilea.

Iskariot: Zie aantekening bij Mt 10:4.

tempelwachters: In het Grieks staat hier een woord dat letterlijk ‘hoofden’, ‘bevelhebbers’ of ‘leiders’ betekent, maar in Lu 22:52 is het woord voor tempel toegevoegd om aan te geven om wat voor leiders het ging. Dat is in de vertaling ook in dit vers toegevoegd voor de duidelijkheid. Alleen Lukas vermeldt deze hoofden (Han 4:1; 5:24, 26). Het ging hier om de leiders van de tempelwachters. Misschien waren ze bij het gesprek met Judas betrokken om de geplande arrestatie van Jezus legaal te laten overkomen.

zilverstukken: Lett.: ‘zilver’, dat wil zeggen zilver dat als geld werd gebruikt. Volgens Mt 26:15 ging het om ‘30 zilverstukken’. Mattheüs is de enige evangelieschrijver die vermeldt voor welk bedrag Jezus verraden werd. Mogelijk ging het om zilveren sikkels die in Tyrus geslagen waren. Met dit bedrag laten de overpriesters kennelijk zien hoe groot hun minachting voor Jezus was, want onder de wet was dit de prijs van een slaaf (Ex 21:32). Toen Zacharia de ontrouwe Israëlieten om zijn loon vroeg voor zijn profetische werk onder Gods volk, wogen ze ‘30 zilverstukken’ voor hem af, waarmee ze te kennen gaven dat ze hem niet hoger schatten dan een slaaf (Za 11:12, 13).

Het Feest van het Ongezuurde Brood, dat Pascha wordt genoemd: Strikt genomen was het Pascha, dat op 14 nisan werd gevierd, niet hetzelfde als het Feest van het Ongezuurde Brood, dat van 15 tot 21 nisan duurde (Le 23:5, 6; Nu 28:16, 17; zie App. B15). Maar in Jezus’ tijd waren deze twee feesten zo nauw verbonden geraakt dat alle acht de dagen, inclusief 14 nisan, als één feest werden gezien. Josephus zegt: ‘Vandaar dat wij (...) gedurende acht dagen een feest vieren dat we het feest van de ongezuurde broden noemen.’ De gebeurtenissen in Lu 22:1-6 vonden plaats op 12 nisan 33. (Zie App. B12.)

Toen brak de dag van het Feest van het Ongezuurde Brood aan: Zoals in de aantekening bij Lu 22:1 staat, waren het Pascha (14 nisan) en het Feest van het Ongezuurde Brood (15-21 nisan) in Jezus’ tijd zo nauw verbonden geraakt dat alle acht de dagen, inclusief 14 nisan, soms ‘het Feest van het Ongezuurde Brood’ werden genoemd. (Zie App. B15.) De dag die hier wordt genoemd is 14 nisan omdat wordt gezegd dat het de dag is waarop het paschaoffer gebracht moest worden (Ex 12:6, 15, 17, 18; Le 23:5; De 16:1-7). Wat in vers 7-13 wordt beschreven vond waarschijnlijk plaats op de middag van 13 nisan als voorbereiding op het paschamaal van die avond, dat wil zeggen na zonsondergang, toen 14 nisan begon. (Zie App. B12.)

Toen het zover was: Dat wil zeggen toen het avond werd en 14 nisan begon. (Zie App. A7 en B12.)

nam een beker aan: De beker die hier wordt genoemd, maakte in Jezus’ tijd deel uit van de paschaviering (Lu 22:15). De Bijbel zegt niet dat er bij het Pascha in Egypte wijn werd gebruikt en Jehovah gaf ook geen opdracht om bij dit feest wijn te gebruiken. De gewoonte om bij het Pascha een aantal bekers wijn te laten rondgaan, werd dus kennelijk later ingevoerd. Jezus veroordeelde het gebruiken van wijn bij de maaltijd niet. Hij dronk de paschawijn met de apostelen nadat hij een dankgebed had uitgesproken. Later gaf hij een beker wijn door toen hij het Avondmaal van de Heer instelde (Lu 22:20).

nam Jezus een brood (...) brak het: In de oudheid waren broden in het Midden-Oosten plat en, als ze ongezuurd waren, brokkelig. Dat Jezus het brood brak, had geen geestelijke betekenis. Het was de normale manier om zo’n brood te verdelen. (Zie aantekening bij Mt 14:19.)

betekent: Het Griekse estin (letterlijk ‘is’) heeft hier de betekenis ‘symboliseert’, ‘staat voor’, ‘vertegenwoordigt’, ‘betekent’. Voor de apostelen was deze betekenis duidelijk, want Jezus’ volmaakte lichaam was daar vóór hen en dat gold ook voor het ongezuurde brood dat ze gingen eten. Het brood kon dus niet zijn letterlijke lichaam zijn. Het is interessant dat hetzelfde Griekse woord gebruikt wordt in Mt 12:7, waar veel Bijbelvertalingen het weergeven met ‘betekenis’.

nam ook een brood (...) brak hij het: Zie aantekening bij Mt 26:26.

betekent: Zie aantekening bij Mt 26:26.

de maaltijd: Kennelijk de paschamaaltijd die Jezus met zijn discipelen at voordat hij het Avondmaal van de Heer instelde. Jezus vierde het Pascha dus zoals in die tijd gebruikelijk was. Hij veranderde niets aan de viering en onderbrak die niet door er iets nieuws aan toe te voegen. Op die manier hield hij zich als geboren Jood aan de wet. Maar nadat het Pascha in overeenstemming met de wet van Mozes was gevierd, was Jezus vrij om het nieuwe avondmaal te introduceren ter herdenking van zijn komende dood op diezelfde paschadag.

het nieuwe verbond dat wordt bekrachtigd door mijn bloed: Lukas is de enige evangelieschrijver die vermeldt dat Jezus het bij deze gelegenheid over een ‘nieuw verbond’ had, een zinspeling op Jer 31:31. Het nieuwe verbond tussen Jehovah en gezalfde christenen trad in werking door Jezus’ slachtoffer (Heb 8:10). Jezus gebruikt hier de woorden ‘verbond’ en ‘bloed’ op een vergelijkbare manier als Mozes die gebruikte toen hij als bemiddelaar optrad bij de inwijding van het wetsverbond met Israël op de berg Sinaï (Ex 24:8; Heb 9:19-21). Zoals het wetsverbond tussen God en het volk Israël met het bloed van stieren en bokken bekrachtigd werd, bekrachtigde Jezus’ bloed het nieuwe verbond dat Jehovah met het geestelijke Israël zou sluiten. Dat verbond trad met Pinksteren 33 in werking (Heb 9:14, 15).

(...) voor jullie vergoten zal worden: De woorden vanaf het midden van vers 19, ‘dat voor jullie gegeven (...)’, tot het eind van vers 20 ontbreken in sommige manuscripten, maar deze passage wordt goed ondersteund door oude, gezaghebbende manuscripten. (Zie App. A3 voor meer informatie over het samenstellen van de Griekse standaardtekst op basis van oude manuscripten.)

Maar weet dat mijn verrader hier bij mij aan tafel is: Wat in vers 21-23 wordt beschreven, is kennelijk niet strikt chronologisch in het verhaal geplaatst. Als je Mt 26:20-29 en Mr 14:17-25 vergelijkt met Jo 13:21-30, wordt duidelijk dat Judas vertrok voordat Jezus het Avondmaal instelde. Judas was zeker vertrokken tegen de tijd dat Jezus de groep prees omdat ze ‘tijdens zijn beproevingen steeds bij hem waren gebleven’, iets dat over Judas niet gezegd kon worden. Ook zou Judas niet zijn opgenomen in het ‘verbond (...) voor een koninkrijk’ (Lu 22:28-30).

zijn weg gaan: Volgens sommige geleerden is dit een eufemisme voor ‘zijn dood tegemoet gaan’.

weldoener: Het Griekse euergetes werd vaak gebruikt als eretitel voor vorsten en vooraanstaande personen, vooral degenen die iets bijzonders hadden gedaan voor de maatschappij. Degenen die onder Christus’ volgelingen ‘de leiding nemen’ mogen zichzelf niet bezien als weldoeners aan wie hun geloofsgenoten op de een of andere manier iets verschuldigd zijn, want ze mogen niet zijn als de heersers van deze wereld (Lu 22:26).

degene die de leiding neemt: Het Griekse hegeomai dat hier staat, wordt in Heb 13:7, 17, 24 gebruikt om het werk van opzieners in de christelijke gemeente te beschrijven.

dient: Of ‘bedient’. Hier wordt het Griekse werkwoord diakoneo gebruikt, verwant aan het zelfstandig naamwoord diakonos (dienaar, bediende), dat wordt gebruikt voor iemand die voortdurend nederig diensten doet voor anderen. Het woord wordt toegepast op Christus (Ro 15:8), dienaren van Christus, zowel mannen als vrouwen (Ro 16:1; 1Kor 3:5-7; Kol 1:23), dienaren in de bediening (Fil 1:1; 1Ti 3:8) en ook bedienden (Jo 2:5, 9) en overheidsfunctionarissen (Ro 13:4).

dient: Of ‘bedient’. Hier wordt het Griekse werkwoord diakoneo gebruikt, verwant aan het zelfstandig naamwoord diakonos (dienaar, bediende), dat wordt gebruikt voor iemand die voortdurend nederig diensten doet voor anderen. Het woord wordt toegepast op Christus (Ro 15:8), dienaren van Christus, zowel mannen als vrouwen (Ro 16:1; 1Kor 3:5-7; Kol 1:23), dienaren in de bediening (Fil 1:1; 1Ti 3:8) en ook bedienden (Jo 2:5, 9) en overheidsfunctionarissen (Ro 13:4).

bedient: Of ‘dient’. Het Griekse werkwoord diakoneo komt in dit vers twee keer voor. (Zie aantekening bij Lu 22:26.)

ik sluit een verbond met jullie voor een koninkrijk: Het Griekse werkwoord diatithemai, hier weergegeven met ‘sluit een verbond’, is verwant aan het zelfstandig naamwoord diatheke, ‘verbond’. In Han 3:25, Heb 8:10 en 10:16 wordt zowel het werkwoord als het zelfstandig naamwoord gebruikt in de uitdrukking ‘een verbond sluiten’ (lett.: ‘zich verbinden tot een verbond’). Kennelijk verwijst Jezus hier naar twee verbonden: één tussen hem en zijn Vader en één tussen hem en zijn gezalfde volgelingen, die in het Koninkrijk samen met hem zullen regeren.

aan mijn tafel kunnen eten en drinken: Samen met iemand een maaltijd gebruiken was een teken van vriendschap en vrede. Iemand die geregeld aan de tafel van de koning mocht eten, was dus bijzonder bevoorrecht en had een heel hechte band met de koning (1Kon 2:7). Dat is het soort band dat Jezus hier aan zijn trouwe discipelen beloofde (Lu 22:28-30; zie ook Lu 13:29; Opb 19:9).

wanschop: Meestal gemaakt van hout. Werd gebruikt om gedorst graan in de lucht te gooien zodat strootjes en kaf werden weggeblazen.

om jullie te ziften als tarwe: Of ‘om jullie te zeven als tarwe’. In Bijbelse tijden werd tarwe eerst gedorst en gewand en daarna gezift of geschud in een zeef. Door het ziften werd het stro en kaf van het graan gescheiden. (Zie aantekening bij Mt 3:12.) Als gevolg van de beproevingen die Jezus zou ondergaan, zouden ook zijn discipelen op de proef worden gesteld. Jezus vergeleek die beproeving met het ziften van tarwe.

tot inkeer bent gekomen: Of ‘bent teruggekeerd’, ‘bent omgekeerd’. Blijkbaar heeft Jezus het over Petrus’ terugkeer of herstel van zijn val, die grotendeels veroorzaakt zou worden door zijn overmoed in combinatie met mensenvrees. (Vergelijk Sp 29:25.)

bij het kraaien van de haan: Of ‘voor zonsopgang’. Dit was een aanduiding voor de derde nachtwake volgens de Griekse en Romeinse verdeling, van middernacht tot ongeveer 3.00 uur. (Zie de vorige aantekeningen bij dit vers.) Het was waarschijnlijk in deze periode dat ‘een haan kraaide’ (Mr 14:72). Algemeen wordt aangenomen dat het kraaien van de haan in de landen ten O van de Middellandse Zee al van oudsher een tijdsaanduiding is. (Zie aantekeningen bij Mt 26:34 en Mr 14:30, 72.)

een haan: Deze uitspraak wordt in alle vier de evangeliën vermeld, maar alleen Markus voegt in zijn verslag het detail toe dat de haan twee keer zou kraaien (Mt 26:34, 74, 75; Mr 14:30, 72; Lu 22:60, 61; Jo 13:38; 18:27). In de Misjna staat over Jezus’ tijd dat er in Jeruzalem hanen werden gefokt, wat het Bijbelverslag ondersteunt. Dit gekraai vond blijkbaar heel vroeg in de ochtend plaats. (Zie aantekening bij Mr 13:35.)

Blijf bidden: Deze aansporing staat blijkbaar alleen in Lukas’ evangelie en is kennelijk gericht tot de 11 trouwe apostelen. (Vergelijk het parallelverslag in Mt 26:36, 37.) Een tweede, vergelijkbare aansporing staat in Lu 22:46 en komt overeen met de parallelverslagen in Mt 26:41 en Mr 14:38. De tweede aansporing was alleen gericht tot de drie discipelen die bij Jezus waren toen hij in de tuin aan het bidden was (Mt 26:37-39; Mr 14:33-35). Lukas’ vermelding van beide aansporingen (Lu 22:40, 46) laat zien dat zijn evangelie veel nadruk legt op het gebed. Andere voorbeelden van gebeden van Jezus die alleen Lukas vermeldt, staan in Lu 3:21; 5:16; 6:12; 9:18, 28; 11:1 en 23:46.

Neem deze beker van mij weg: In de Bijbel wordt ‘beker’ vaak figuurlijk gebruikt voor Gods wil, ‘het toegemeten deel’, voor een persoon. (Zie aantekening bij Mt 20:22.) Jezus maakte zich ongetwijfeld veel zorgen over de smaad die God zou ondervinden wegens zijn dood als iemand die beschuldigd werd van godslastering en opruiing, en dat zette hem ertoe aan te bidden of deze ‘beker’ aan hem voorbij mocht gaan.

neem deze beker dan van mij weg: Zie aantekening bij Mr 14:36.

een engel: Van de vier evangelieschrijvers vermeldt alleen Lukas de engel die uit de hemel verschijnt om Jezus te sterken.

Zijn zweet werd als druppels bloed: Het kan zijn dat Lukas een vergelijking maakte om aan te geven dat er zich bij Jezus zweetdruppels vormden als druppels bloed of dat het zweet van Jezus afdroop zoals bloed uit een wond druppelt. Sommigen hebben echter geopperd dat Jezus met zweet vermengd bloed uitzweette, een fenomeen dat schijnt te zijn voorgekomen in bepaalde gevallen van extreme psychische belasting. Bij een aandoening die diapedese wordt genoemd, sijpelen bloed of bloedbestanddelen door de intacte wanden van bloedvaten heen. Bij de aandoening hematidrose wordt door bloedkleurstof of bloed gekleurd zweet of met bloed vermengd lichaamsvocht uitgescheiden, waardoor er sprake is van ‘bloedzweten’. Natuurlijk zijn dit maar mogelijke verklaringen voor wat er in Jezus’ geval is gebeurd.

(...) die op de grond vielen: Vers 43 en 44 komen in sommige oude manuscripten voor terwijl ze in andere ontbreken. Maar ze zijn opgenomen in de meeste Bijbelvertalingen.

haalde uit naar de slaaf van de hogepriester: Dit voorval wordt door alle vier de evangelieschrijvers vermeld, en hun verslagen vullen elkaar aan (Mt 26:51; Mr 14:47; Lu 22:50). Alleen Lukas, ‘de geliefde arts’ (Kol 4:14), vermeldt dat Jezus ‘het oor aanraakte en hem genas’ (Lu 22:51). Johannes is de enige evangelieschrijver die vermeldt dat Simon Petrus het zwaard trok en dat de slaaf van wie het oor werd afgeslagen Malchus heette. Johannes was kennelijk de discipel die ‘een bekende van de hogepriester’ en van zijn huishouden was (Jo 18:15, 16), dus het is logisch dat hij de gewonde man in zijn evangelie bij naam noemt. Dat Johannes bekend was met het huishouden van de hogepriester blijkt ook uit Jo 18:26, waar Johannes uitlegt dat de slaaf die Petrus ervan beschuldigde een discipel van Jezus te zijn ‘familie was van de man bij wie Petrus het oor had afgeslagen’.

haalde uit naar de slaaf van de hogepriester: Dit voorval wordt door alle vier de evangelieschrijvers vermeld, en hun verslagen vullen elkaar aan (Mt 26:51; Mr 14:47; Lu 22:50). Alleen Lukas, ‘de geliefde arts’ (Kol 4:14), vermeldt dat Jezus ‘het oor aanraakte en hem genas’ (Lu 22:51). Johannes is de enige evangelieschrijver die vermeldt dat Simon Petrus het zwaard trok en dat de slaaf van wie het oor werd afgeslagen Malchus heette. Johannes was kennelijk de discipel die ‘een bekende van de hogepriester’ en van zijn huishouden was (Jo 18:15, 16), dus het is logisch dat hij de gewonde man in zijn evangelie bij naam noemt. Dat Johannes bekend was met het huishouden van de hogepriester blijkt ook uit Jo 18:26, waar Johannes uitlegt dat de slaaf die Petrus ervan beschuldigde een discipel van Jezus te zijn ‘familie was van de man bij wie Petrus het oor had afgeslagen’.

Een van hen: Het parallelverslag in Jo 18:10 laat zien dat het Simon Petrus was die uithaalde naar de slaaf van de hogepriester en dat de slaaf Malchus heette. (Zie aantekening bij Jo 18:10.)

haalde zelfs uit naar de slaaf van de hogepriester: Zie aantekening bij Jo 18:10.

en genas hem: Lukas is de enige van de vier evangelieschrijvers die vermeldt dat Jezus de slaaf van de hogepriester genas (Mt 26:51; Mr 14:47; Jo 18:10).

uur: Het Griekse woord hora wordt hier figuurlijk gebruikt voor een relatief korte periode.

de duisternis heerst: Of ‘het gezag van de duisternis’, ‘de macht van de duisternis’, dat wil zeggen van degenen die in geestelijke duisternis zijn. (Vergelijk Kol 1:13.) In Han 26:18 wordt duisternis vermeld in combinatie met ‘de macht van Satan’. Satan gebruikte zijn macht door mensen ertoe over te halen de duistere daden te doen die tot de terechtstelling van Jezus leidden. In Lu 22:3 wordt bijvoorbeeld gezegd dat ‘Satan in Judas kwam, degene die Iskariot werd genoemd’, waarna Judas Jezus verraadde (Ge 3:15; Jo 13:27-30).

kraaide een haan: Deze gebeurtenis wordt in alle vier de evangeliën vermeld, maar alleen Markus voegt in zijn verslag het detail toe dat de haan voor de tweede keer kraaide (Mt 26:34, 74, 75; Mr 14:30; Lu 22:34, 60, 61; Jo 13:38; 18:27). In de Misjna staat over Jezus’ tijd dat er in Jeruzalem hanen werden gefokt, wat het Bijbelverslag ondersteunt. Dit gekraai vond blijkbaar ergens voor zonsopgang plaats. (Zie aantekening bij Mr 13:35.)

kraaide er een haan: Zie aantekening bij Mr 14:72.

Profeteer (...) Wie heeft je geslagen?: Ze wilden niet dat hij een voorspelling deed maar dat hij door een openbaring van God zou vaststellen wie hem had geslagen. Uit de parallelverslagen in Mr 14:65 en Lu 22:64 blijkt dat Jezus’ vervolgers zijn gezicht hadden bedekt, wat verklaart dat ze hem uitdaagden om te zeggen wie hem geslagen had.

Profeteer!: Ze wilden niet dat hij een voorspelling deed maar dat hij door een openbaring van God zou vaststellen wie hem had geslagen. Uit de context blijkt dat Jezus’ vervolgers zijn gezicht hadden bedekt. Ze daagden de geblinddoekte Jezus dus uit om te zeggen wie hem geslagen had. (Zie aantekening bij Mt 26:68.)

de Hoge Raad: Het volledige Sanhedrin, het rechtsorgaan in Jeruzalem dat bestond uit de hogepriester en 70 oudsten en schriftgeleerden. De Joden beschouwden de uitspraken ervan als bindend. (Zie Woordenlijst ‘Sanhedrin’.)

raad van oudsten: Of ‘vergadering van oudsten’. Het Griekse woord presbuterion dat hier wordt gebruikt, is verwant aan presbuteros (lett.: ‘oudere man’), dat in de Bijbel voornamelijk wordt gebruikt voor personen die gezag en verantwoordelijkheid dragen in een gemeenschap of natie. Hoewel de term soms duidt op leeftijd (zoals in Lu 15:25 en Han 2:17), wordt die niet uitsluitend toegepast op ouderen. De uitdrukking ‘raad van oudsten’ verwijst hier kennelijk naar het Sanhedrin, de Joodse Hoge Raad in Jeruzalem die bestond uit overpriesters, schriftgeleerden en oudsten. Deze drie groepen worden vaak in één adem genoemd (Mt 16:21; 27:41; Mr 8:31; 11:27; 14:43, 53; 15:1; Lu 9:22; 20:1; zie Woordenlijst ‘Ouderling, oudste’ en aantekening bij hun Sanhedrin in dit vers).

hun Sanhedrin: Of ‘hun Sanhedrinzaal’. Het Sanhedrin was de Joodse Hoge Raad in Jeruzalem. Het Griekse woord (sunedrion) betekent letterlijk ‘bijeenzitting’. Het was een algemene term voor een vergadering of bijeenkomst, maar in Israël kon het duiden op een religieus rechtscollege of rechtsorgaan. Het Griekse woord kan slaan op de leden van het gerechtshof of op het gebouw of de locatie waar het hof zitting houdt. (Zie aantekening bij Mt 5:22 en Woordenlijst; zie voor de mogelijke locatie van de Sanhedrinzaal App. B12.)

Mensenzoon: Of ‘Zoon van een mens’. Deze uitdrukking komt in de evangeliën zo’n 80 keer voor. Jezus paste die op zichzelf toe, blijkbaar om te beklemtonen dat hij echt een mens was, geboren uit een vrouw, en dat hij een passende menselijke tegenhanger van Adam was, met de macht om de mensheid te verlossen van zonde en de dood (Ro 5:12, 14, 15). Deze term laat ook uitkomen dat Jezus de Messias was, de Christus (Da 7:13, 14; zie Woordenlijst).

rechterhand van macht: Als je je aan de rechterhand van een heerser bevond, betekende dit dat je de belangrijkste na hem was (Ps 110:1; Han 7:55, 56). Het Griekse woord voor macht zou in deze context kunnen verwijzen naar God zelf en kan worden weergegeven als ‘de Macht’ of ‘de Machtige’. Het Grieks voor ‘rechterhand van macht’ komt ook voor in het parallelverslag in Lu 22:69, maar daar is ‘God’ toegevoegd. Het is vertaald met ‘de machtige rechterhand van God’. De uitdrukking kan ook impliceren dat Jezus macht of gezag zou krijgen omdat hij aan de rechterhand zat van de Machtige, God.

Mensenzoon: Zie aantekening bij Mt 8:20.

aan de machtige rechterhand van God: Of ‘aan de rechterhand van de macht van God’. Als je je aan de rechterhand van een heerser bevond, betekende dit dat je de belangrijkste na hem was (Ps 110:1; Han 7:55, 56). Het Grieks voor ‘machtige rechterhand’ komt ook voor in de parallelverslagen in Mt 26:64 en Mr 14:62 en is daar vertaald met ‘rechterhand van macht’. Dat de Mensenzoon ‘aan de machtige rechterhand van God’ zit, impliceert dat Jezus macht of gezag zou krijgen (Mr 14:62; zie aantekening bij Mt 26:64).

Media

Bovenkamer
Bovenkamer

Sommige huizen in Israël hadden een bovenverdieping. Die ruimte kon bereikt worden via een ladder of houten trap in het huis of via een ladder of stenen trap aan de buitenkant. In een grote bovenkamer, mogelijk zoals die op de afbeelding, vierde Jezus met zijn discipelen het laatste Pascha en stelde hij de herdenking in van het Avondmaal van de Heer (Lu 22:12, 19, 20). Met Pinksteren 33 waren zo’n 120 discipelen kennelijk in een bovenkamer van een huis in Jeruzalem toen Gods geest op hen werd uitgestort (Han 1:15; 2:1-4).

Sanhedrin
Sanhedrin

De Joodse Hoge Raad, ook het Grote Sanhedrin genoemd, telde 71 leden en zetelde in Jeruzalem. (Zie Woordenlijst.) Volgens de Misjna zaten de leden in drie rijen in een halve cirkel en waren er twee griffiers aanwezig om de beslissingen van het gerechtshof vast te leggen. Sommige architectonische kenmerken op de afbeelding zijn gebaseerd op overblijfselen in Jeruzalem van wat volgens sommigen de raadskamer uit de eerste eeuw was. (Zie Appendix B12, kaart ‘Jeruzalem en omgeving’.)

1. Hogepriester

2. Leden Sanhedrin

3. Gedaagde

4. Griffiers