Doorgaan naar inhoud

Doorgaan naar inhoudsopgave

De Bijbel: Waarom zo veel vertalingen?

De Bijbel: Waarom zo veel vertalingen?

Waarom zijn er in deze tijd zo veel verschillende vertalingen van de Bijbel? Vindt u nieuwe Bijbelvertalingen een hulp om de Bijbel beter te begrijpen of juist niet? Meer informatie over het ontstaan ervan kan u helpen om ze op een goede manier te beoordelen.

Maar eerst de vraag: wie heeft de Bijbel oorspronkelijk geschreven, en wanneer?

DE OORSPRONKELIJKE BIJBEL

De Bijbel wordt over het algemeen ingedeeld in twee gedeelten. Het eerste gedeelte heeft 39 boeken met ‘heilige uitspraken van God’ (Romeinen 3:2). Gelovige mannen schreven die boeken onder leiding van God in de loop van een lange periode — zo’n 1100 jaar van 1513 tot ongeveer 443 v.Chr. Omdat ze voornamelijk in het Hebreeuws schreven, noemen we dit gedeelte de Hebreeuwse Geschriften, ook bekend als het Oude Testament.

Het tweede gedeelte heeft 27 boeken die ook ‘het woord van God’ zijn (1 Thessalonicenzen 2:13). Trouwe discipelen van Jezus Christus schreven deze boeken onder leiding van God in een veel kortere periode — zo’n 60 jaar van ongeveer 41 tot 98 n.Chr. Omdat ze voornamelijk in het Grieks schreven, noemen we dit gedeelte de christelijke Griekse Geschriften, ook bekend als het Nieuwe Testament.

Samen vormen die 66 geïnspireerde boeken de complete Bijbel, Gods boodschap voor de mensheid. Maar waarom werden er steeds nieuwe vertalingen gemaakt? Hier volgen drie hoofdredenen.

  • Om ervoor te zorgen dat mensen de Bijbel in hun moedertaal kunnen lezen.

  • Om fouten van kopiisten eruit te halen en zo de oorspronkelijke tekst van de Bijbel te herstellen.

  • Om archaïsche taal te vervangen.

 Kijk eens hoe die factoren een rol speelden bij twee vroege vertalingen.

DE GRIEKSE SEPTUAGINTA

Zo’n 300 jaar voor Jezus’ tijd begonnen Joodse geleerden de Hebreeuwse Geschriften te vertalen in een andere taal: het Grieks. Die vertaling kwam bekend te staan als de Griekse Septuaginta. Waarom werd die gemaakt? Om de vele Joden die ondertussen Grieks spraken in plaats van Hebreeuws te helpen dicht bij hun ‘heilige geschriften’ te blijven (2 Timotheüs 3:15).

De Septuaginta heeft ook miljoenen niet-Joodse, Griekssprekende mensen geholpen om te weten te komen wat de Bijbel leert. Hoe? ‘Halverwege de eerste eeuw werd die vertaling de Bijbel van de christelijke kerk’, zegt professor W. Howard. ‘Hun zendelingen gingen van synagoge naar synagoge om “aan de hand van de schriften te bewijzen dat Jezus de Messias was”’ (Handelingen 17:3, 4; 20:20). Dat was één reden waarom veel Joden al snel ‘hun belangstelling voor de Septuaginta’ verloren, zegt Bijbelgeleerde F. Bruce.

Jezus’ discipelen kregen geleidelijk de boeken van de christelijke Griekse Geschriften en voegden die samen met de Septuaginta-vertaling van de Hebreeuwse Geschriften. Zo ontstond uiteindelijk de complete Bijbel die we nu hebben.

DE LATIJNSE VULGAAT

Zo’n 300 jaar nadat de Bijbel voltooid was, maakte de godsdienstgeleerde Hiëronymus een Latijnse vertaling van de Bijbel, die later de Latijnse Vulgaat werd. Er bestonden al verschillende Latijnse vertalingen, dus waarom was er nog een nodig? Hiëronymus wilde ‘verkeerde weergaven, duidelijke fouten en onterechte toevoegingen en weglatingen’ corrigeren (The International Standard Bible Encyclopedia).

Hiëronymus corrigeerde veel van zulke fouten. Maar na verloop van tijd namen kerkleiders een beslissing die grote gevolgen had: ze verklaarden dat de Latijnse Vulgaat de enige goedgekeurde Bijbelvertaling was, en dat bleef eeuwenlang hun standpunt! In plaats dat gewone mensen geholpen werden de Bijbel te begrijpen, werd de Bijbel door de Vulgaat een gesloten boek omdat de meeste mensen uiteindelijk helemaal geen Latijn meer kenden.

 STEEDS MEER NIEUWE VERTALINGEN

Ondertussen werden er nog steeds nieuwe vertalingen van de Bijbel gemaakt, zoals de bekende Syrische Pesjitta rond de vijfde eeuw n.Chr. Maar pas in de 14de eeuw werden er nieuwe pogingen gedaan om de Bijbel voor veel gewone mensen in hun eigen taal beschikbaar te maken.

Eind 14de eeuw zette John Wyclif in Engeland een proces in gang om uit de greep te komen van een dode taal door de Bijbel te vertalen in het Engels, een taal die mensen in zijn land gewoon konden begrijpen. Dankzij de nieuwe drukmethode van Johannes Gutenberg werd kort daarna voor Bijbelgeleerden de weg geopend om in heel Europa nieuwe Bijbelvertalingen in veel levende talen te drukken en te verspreiden.

Toen er steeds meer Engelse vertalingen kwamen, betwijfelden critici of het wel nodig was verschillende vertalingen in dezelfde taal te hebben. Maar John Lewis, een 18de-eeuwse Engelse geestelijke, schreef: ‘Taal veroudert en wordt onbegrijpelijk. Daarom is het nodig oude vertalingen te herzien en ze de taal te laten spreken die in gebruik is en door de levende generatie wordt begrepen.’

In deze tijd zijn Bijbelgeleerden beter dan ooit in staat om oudere vertalingen te herzien. Ze hebben een veel beter begrip van oude Bijbeltalen, en ze beschikken over waardevolle oude Bijbelmanuscripten die recent zijn ontdekt. Die zijn een hulp om nauwkeuriger vast te stellen wat de oorspronkelijke tekst van de Bijbel is.

Nieuwe Bijbelvertalingen zijn dus heel nuttig. Natuurlijk moeten we wel voorzichtig zijn met het uitkiezen van een vertaling. * Maar als de vertalers bij het maken van een nieuwe Bijbelvertaling gemotiveerd werden door oprechte liefde voor God, kunnen we veel aan zo’n vertaling hebben.

 

^ ¶24 Zie het artikel ‘Hoe kiest u een goede Bijbelvertaling?’ in de uitgave van 1 mei 2008 van dit tijdschrift.