Toegankelijkheidsinstelling

Search

Taal selecteren

Doorgaan naar secundair menu

Doorgaan naar inhoudsopgave

Doorgaan naar inhoud

Jehovah’s Getuigen

Nederlands

DE WACHTTOREN JULI 2015

Wist u dit?

Wist u dit?

Hoe werden handmolens vroeger gebruikt?

Handmolens werden gebruikt om graan tot meel te malen. Van dat meel werd brood gebakken. Die molens werden dagelijks gebruikt door vrouwen of bedienden in vrijwel elk huis. Het geluid van de handmolen was een vertrouwd geluid (Exodus 11:5; Jeremia 25:10).

Archeologische vondsten uit het oude Egypte laten zien hoe het proces verliep. Graan werd op een enigszins holrond, stenen oppervlak gelegd, ook wel een zadelsteen genoemd. De maler knielde neer en pakte een kleinere maalsteen met beide handen vast. Die steen werd heen en weer bewogen over het horizontale oppervlak om het graan te malen. Volgens één bron wogen die kleinere stenen gewoonlijk tussen de twee en vier kilo. Zo’n steen is weleens als dodelijk wapen gebruikt (Rechters 9:50-54).

Het malen van graan was zo belangrijk voor het welzijn van een gezin dat het vroeger wettelijk niet toegestaan was om een maalsteen als onderpand te nemen. ‘Het is verboden de handmolen of de bovenste molensteen als pand te nemen. Want zulke dingen zijn voor de eigenaar van levensbelang’ (Deuteronomium 24:6, Groot Nieuws Bijbel).

Wat betekent de uitdrukking ‘boezempositie’?

De Bijbel zegt dat Jezus ‘in de boezempositie bij de Vader is’ (Johannes 1:18). Die uitdrukking duidt op de nauwe band die Jezus met God had en verwijst naar een Joods gebruik bij maaltijden.

In Jezus’ tijd lagen de Joden op banken die rond de eettafel geplaatst waren. Iedereen die meeat, lag met zijn hoofd richting de tafel en leunde met de linkerelleboog op een kussen. Op die manier bleef de rechterarm vrij. Omdat iedereen op de linkerzij lag, ‘lag de ene man met zijn hoofd vlak bij de borstkas van de man achter hem en lag hij daarom “aan de boezem” van de ander’, legt een encyclopedie uit.

Het was een eer en een voorrecht om ‘aan de boezem’ van een gastheer of gezinshoofd te liggen. Bij Jezus’ laatste Pascha was het daarom Johannes, ‘de discipel van wie Jezus veel hield’, die aan de boezem van Jezus lag. Johannes kon dus ‘achteroverleunen tegen Jezus’ borst’ om hem een vraag te stellen (Johannes 13:23-25; 21:20).