Toegankelijkheidsinstelling

Search

Taal selecteren

Doorgaan naar secundair menu

Doorgaan naar inhoudsopgave

Doorgaan naar inhoud

Jehovah’s Getuigen

Nederlands

DE WACHTTOREN NOVEMBER 2014

 VOLG HUN GELOOF NA | JOZEF

Hoe zou ik deze grote slechtheid kunnen begaan?

Hoe zou ik deze grote slechtheid kunnen begaan?

JOZEF ademde de zwoele lucht in en rook de geur van lotusbloemen en andere waterplanten. De handelskaravaan waar hij deel van uitmaakte, trok door de uitgestrekte Nijldelta. Probeer u eens voor te stellen hoe de kooplieden, onderweg naar weer een volgende Egyptische plaats, hun kamelen langs het water voerden, en er af en toe een wadende reiger of een ibis opvloog. Jozef dacht weer aan zijn thuis in de ruige, bergachtige omgeving van Hebron, honderden kilometers daarvandaan. Hij was nu in een compleet andere wereld.

Hoog in de dadelpalmen en vijgenbomen zaten apen die wild krijsten. Voor Jozef was de taal van de mensen die ze onderweg tegenkwamen al net zo onverstaanbaar. Misschien probeerde hij woorden en zinnen die hij opving in zich op te nemen. Hij kon de taal maar beter leren. Voor zover hij wist zou hij nooit meer naar huis terugkeren.

Hoewel Jozef nog maar zeventien of achttien was, had hij met problemen te maken die veel volwassenen zouden afschrikken. Zijn eigen broers hadden hem bijna vermoord omdat ze jaloers waren op de voorkeursbehandeling die Jozef van hun vader kreeg. In plaats van hem te doden, hadden ze hem aan kooplieden verkocht (Genesis 37:2, 5, 18-28). Ondertussen waren de kooplieden al weken onderweg. Hun stemming werd steeds beter nu ze dichter in de buurt kwamen van de metropool waar ze Jozef en hun kostbare handelswaar met winst hoopten te verkopen. Hoe lukte het Jozef om niet overmand te worden door wanhoop en moedeloosheid? En hoe kunnen wij voorkomen dat we door problemen of tegenslagen ons geloof verliezen? We kunnen veel van Jozef leren.

„JEHOVAH BLEEK MET JOZEF TE ZIJN”

„Wat Jozef betreft, hij werd naar Egypte gebracht, en Potifar, een hofbeambte van Farao, de overste van de lijfwacht, een Egyptenaar, kocht hem ten slotte uit de hand van de Ismaëlieten die hem daarheen hadden gebracht” (Genesis 39:1). Wat moet het voor Jozef een vernedering zijn geweest om opnieuw verkocht te worden. Hij was het bezit van een ander! Probeer u voor te stellen hoe zijn nieuwe meester, een Egyptische hofbeambte, hem door drukke straten vol marktkraampjes meevoerde, op weg naar zijn nieuwe thuis.

Thuis! Dit was totaal anders dan alles wat Jozef ooit thuis had genoemd. Hij was opgegroeid in een familie van nomaden die in tenten woonden en vaak verhuisden om hun schapen te hoeden. Hier in Egypte woonden rijke mensen als Potifar in prachtige, kleurrijke huizen. Archeologen hebben ontdekt dat de oude Egyptenaren van weelderige, ommuurde tuinen hielden met schaduwbomen en rustgevende vijvers met papyrus, lotussen en andere waterplanten. Sommige huizen werden omgeven door tuinen en hadden veranda’s waar bewoners verkoeling zochten, hoge ramen voor ventilatie en veel kamers, waaronder een grote eetkamer en vertrekken voor bedienden.

Was Jozef zwaar onder de indruk van al die weelde? Waarschijnlijk niet. Het zal zijn gevoel van eenzaamheid alleen maar versterkt hebben. Alles in Egypte was anders: de taal, de kleding en uiterlijke  verzorging, en vooral de religie. Ze aanbaden een duizelingwekkende hoeveelheid goden, hielden zich bezig met occultisme en magische kunsten en hadden een morbide fascinatie voor de dood en het hiernamaals. Maar er was één ding dat Jozef hielp niet van eenzaamheid weg te kwijnen. Het verslag zegt: „Jehovah bleek met Jozef te zijn” (Genesis 39:2). Jozef zal zijn hart hebben uitgestort bij zijn God. De Bijbel zegt: „Jehovah is nabij allen die hem aanroepen” (Psalm 145:18). Wat zal Jozef nog meer hebben gedaan om zijn band met God sterk te houden?

Jozef weigerde toe te geven aan wanhoop en probeerde zijn werk zo goed mogelijk te doen. Zo gaf hij Jehovah volop de kans hem te zegenen, en al snel werd hij geliefd bij zijn nieuwe meester. Potifar zag dat deze jonge bediende werd gezegend door Jehovah, de God van Jozefs familie, en die zegeningen leverden Potifar ongetwijfeld materieel voordeel op. De bekwame Jozef werd steeds meer gewaardeerd, en uiteindelijk vertrouwde zijn meester hem alles toe (Genesis 39:3-6).

Jozef is een geweldig voorbeeld voor jongeren die God in deze tijd dienen. Op school kunnen ze soms het gevoel hebben dat ze in een compleet andere wereld zijn — een wereld met een fascinatie voor het occulte, met mensen die een sombere kijk op het leven en de toekomst hebben. Als dat voor jou geldt, bedenk dan dat Jehovah niet veranderd is (Jakobus 1:17). Jehovah geeft nog steeds zijn steun aan personen die hem trouw zijn en hun best doen om hard te werken op een manier waar hij blij mee is. Hij zegent ze royaal en zal ook jou zegenen.

Ondertussen werd Jozef volwassen. Het verslag zegt dat hij een man werd die „schoon van gestalte en schoon van uiterlijk” was. Die woorden laten doorschemeren dat er gevaar op de loer lag, want iemand met een knap uiterlijk krijgt vaak ongepaste aandacht zonder erom te vragen.

Potifars vrouw kreeg de jonge, trouwe Jozef in het oog

HIJ LIET ZICH NIET OVERHALEN

Jozef vond trouw heel belangrijk. Potifars vrouw niet. De Bijbel zegt dat „de vrouw van zijn meester haar ogen naar Jozef ging opslaan en zei: ’Kom bij mij liggen’” (Genesis 39:7). Kwam Jozef in de verleiding om toe te geven aan het schaamteloze aanbod van deze heidense vrouw? Er is geen reden om aan te nemen dat Jozef immuun was voor de sterke verlangens die bij zijn leeftijd hoorden, of dat deze verwende vrouw van een vermogende en invloedrijke hofbeambte onaantrekkelijk was. Zou Jozef zichzelf wijsmaken dat zijn meester er nooit achter zou komen? Zouden de eventuele materiële voordelen van zo’n verhouding een verleiding voor hem zijn?

 We weten natuurlijk niet wat er op dat moment allemaal in Jozef omging. Maar door zijn antwoord krijgen we een duidelijk beeld van wat er in zijn hart leefde: „Zie, mijn meester weet niet wat er bij mij in het huis is, en alles wat hij bezit, heeft hij in mijn hand gegeven. Niemand in dit huis is groter dan ik, en volstrekt niets heeft hij mij onthouden behalve u, omdat gij zijn vrouw zijt. Hoe zou ik dan deze grote slechtheid kunnen begaan en in werkelijkheid zondigen tegen God?” (Genesis 39:8, 9) Wat zal Jozef deze woorden oprecht en ernstig hebben uitgesproken. Hij moest er niet aan denken om in te gaan op haar voorstel. Waarom was dat zo?

Jozefs meester vertrouwde hem. Potifar had alles in zijn huis aan hem toevertrouwd, behalve zijn vrouw. Hoe zou Jozef dat vertrouwen kunnen beschamen? Alleen al de gedachte vond hij verschrikkelijk. Maar er was iets dat hem nog meer tegenstond: de gedachte om te zondigen tegen zijn God, Jehovah. Jozefs ouders hadden hem veel geleerd over Gods kijk op het huwelijk en huwelijkstrouw. Jehovah had het eerste huwelijk voltrokken en was heel duidelijk geweest: man en vrouw moesten zich aan elkaar hechten en „één vlees” worden (Genesis 2:24). Personen die geen respect hadden voor de huwelijksband liepen het risico zich Gods woede op de hals te halen. Het liep bijvoorbeeld nog maar net goed af met de mannen die Abrahams vrouw en Isaäks vrouw — Jozefs overgrootmoeder en grootmoeder — bijna hadden onteerd (Genesis 20:1-3; 26:7-11). Jozef had die les goed begrepen en was vastbesloten ernaar te leven.

Potifars vrouw was niet blij met dat antwoord. Deze eenvoudige slaaf wees haar af en noemde haar voorstel zelfs een „grote slechtheid”! Maar ze gaf het niet op. Misschien was ze in haar eergevoel aangetast en was ze vastbesloten Jozef op andere gedachten te brengen. Ze liet daarmee zien dat ze net zo’n instelling had als Satan. Hij probeerde Jezus te verleiden tegen God te zondigen en toen hij faalde, gaf hij het niet op maar wachtte tot „een andere geschikte tijd” (Lukas 4:13). Gelovige mensen moeten dus vastberaden zijn en sterk in hun schoenen staan. Dat was precies de instelling die Jozef had. Hoewel hij „dag aan dag” met deze situatie te maken had, liet hij zich niet overhalen. Het verslag zegt dat „hij nooit naar haar luisterde” (Genesis 39:10). Maar Potifars vrouw was een vastberaden verleidster.

Ze koos een moment waarop er geen bedienden in huis waren. Ze wist dat Jozef naar binnen moest komen om zijn werk te doen. Toen sloeg ze toe. Ze pakte hem bij zijn bovenkleed en smeekte nog één keer: „Kom bij mij liggen!” Jozef reageerde resoluut. Hij probeerde weg te komen, maar ze hield zijn kleed stevig vast. Hij bevrijdde zich uit haar greep, liet haar met het bovenkleed achter en vluchtte het huis uit! — Genesis 39:11, 12.

Dit verslag doet ons denken aan de raad die de apostel Paulus onder leiding van God gaf: „Ontvliedt de hoererij” (1 Korinthiërs 6:18). Wat heeft Jozef een goed voorbeeld gegeven aan alle ware christenen! Soms is het onvermijdelijk dat we met mensen omgaan die geen respect hebben voor Gods morele wetten, maar dat betekent niet dat we aan verkeerde invloeden hoeven toe te geven. We moeten daarvan wegvluchten, ongeacht de gevolgen.

In Jozefs geval had wegvluchten grote gevolgen. Potifars vrouw was uit op wraak. Ze zette het meteen op een schreeuwen en riep de andere bedienden erbij. Ze beweerde dat Jozef had geprobeerd haar te verkrachten maar ervandoor was gegaan toen ze begon te schreeuwen. Ze bewaarde Jozefs kleed als belastend bewijs en wachtte tot haar man thuiskwam. Vervolgens vertelde ze hem dezelfde leugen, en ze zei dat het eigenlijk allemaal zijn schuld was, omdat hij die buitenlander in huis had gehaald. Hoe reageerde Potifar? Hij was woedend! Hij liet Jozef oppakken en in de gevangenis gooien (Genesis 39:13-20).

„IN BOEIEN KNELDE MEN ZIJN VOETEN”

We weten maar weinig over hoe het er toen in Egyptische gevangenissen aan toe ging. Archeologen hebben ruïnes gevonden van grote, versterkte complexen met cellen en kerkers. Later omschreef Jozef de gevangenis met een woord dat letterlijk „de regenput” betekent, waaruit op te maken valt dat het een donkere en troosteloze plek was (Genesis 40:15, vtn.). In het Bijbelboek Psalmen staat dat Jozef nog meer kwellingen te verduren kreeg: „In boeien knelde men zijn voeten, in ijzers kwam  zijn ziel” (Psalm 105:17, 18). Soms werden gevangenen met hun armen achter hun rug bij de ellebogen vastgeketend of kregen ze een ijzeren band om hun nek. Wat moet Jozef onder die behandeling hebben geleden, terwijl hij zo’n straf helemaal niet verdiend had!

Wat het nog erger maakte, was dat het niet van korte duur was. Het verslag zegt: „Hij bleef daar in het gevangenhuis.” Hij heeft jaren in die verschrikkelijke plaats doorgebracht! * En Jozef wist niet of hij ooit nog vrij zou komen. Dagen werden weken en weken werden maanden. Hoe lukte het hem niet wanhopig te worden en alle moed te verliezen?

Het verslag geeft ons het volgende geruststellende antwoord: „Jehovah was echter voortdurend met Jozef en bleef liefderijke goedheid [of „loyale liefde”] aan hem bewijzen” (Genesis 39:21). Zelfs gevangenismuren, boeien of donkere kerkers kunnen Jehovah’s loyale liefde voor zijn aanbidders niet tegenhouden (Romeinen 8:38, 39). We kunnen ons goed voorstellen hoe Jozef in gebed zijn ellende en zorgen met zijn lieve hemelse Vader deelde en vervolgens de vrede en kalmte ervoer die alleen „de God van alle vertroosting” kan geven (2 Korinthiërs 1:3, 4; Filippenzen 4:6, 7). Wat deed Jehovah nog meer voor Jozef? In de Bijbel staat dat Jehovah ervoor zorgde dat Jozef „gunst vond in de ogen van de overste van het gevangenhuis”.

De gevangenen kregen blijkbaar werk te doen, en Jozef gaf Jehovah weer de kans hem te zegenen. Hij werkte hard en probeerde elke taak die hij kreeg zo goed mogelijk uit te voeren. De rest liet hij aan Jehovah over. Met Jehovah’s zegen won Jozef het vertrouwen en respect van het hoofd van de gevangenis, net als bij Potifar. Het verslag zegt: „Daarom gaf de overste van het gevangenhuis alle gevangenen die in het gevangenhuis waren, in Jozefs hand; en in alles wat zij daar deden, bleek hij degene te zijn die het liet doen. De overste van het gevangenhuis keek naar absoluut niets om van wat in zijn hand was, omdat Jehovah met Jozef was, en wat hij deed, liet Jehovah gelukken” (Genesis 39:22, 23). Wat een troost voor Jozef te merken dat Jehovah voor hem zorgde!

Jozef werkte hard in de gevangenis, en Jehovah zegende hem

Soms maken we in het leven verschrikkelijke dingen mee of wordt ons onrecht aangedaan. Maar we kunnen veel leren van het geloof van Jozef. Als we vaak tot Jehovah bidden, zijn geboden trouw gehoorzamen en ons best doen om het goede te doen, geven we hem de kans ons te zegenen. In het geval van Jozef had Jehovah nog grotere zegeningen in gedachten, zoals we in de volgende artikelen in deze rubriek zullen zien.

^ ¶23 Uit de Bijbel kunnen we opmaken dat Jozef ongeveer zeventien of achttien was toen hij in Potifars huis kwam en dat hij daar lang genoeg bleef om volwassen te worden — misschien een paar jaar. Hij was dertig toen hij uit de gevangenis werd vrijgelaten (Genesis 37:2; 39:6; 41:46).

Meer info

Zult u God vertrouwen?

Ontdek dat het veel voldoening geeft om God als een goede vriend te leren kennen.