Toegankelijkheidsinstelling

Search

Taal selecteren

Doorgaan naar secundair menu

Doorgaan naar inhoudsopgave

Doorgaan naar inhoud

Jehovah’s Getuigen

Nederlands

DE WACHTTOREN FEBRUARI 2014

 VOLG HUN GELOOF NA | ELIA

Hij volhardde ondanks onrecht

Hij volhardde ondanks onrecht

ELIA liep door het Jordaandal en was al weken onderweg. Vanaf de berg Horeb was hij helemaal naar het noorden getrokken. Nu hij eindelijk terug was in Israël zag hij veranderingen in zijn geboorteland. De gevolgen van de lange droogte waren steeds minder zichtbaar. De zachte herfstregens waren begonnen, en boeren bewerkten hun velden. Het kan een troost voor de profeet zijn geweest dat het land zich herstelde, maar hoe het met de mensen ging, vond hij belangrijker. In geestelijk opzicht ging het helemaal niet goed met ze. Ze hielden zich nog steeds bezig met de walgelijke Baälaanbidding, en Elia had nog veel te doen. *

In de buurt van Abel-Mehola zag Elia een grootschalig landbouwproject. Het land werd bewerkt met vierentwintig ossen in twaalf spannen achter elkaar, waarbij evenwijdige voren in de vochtige aarde werden getrokken. De man die met het laatste span ploegde, was de persoon naar wie Elia op zoek was. Het was Elisa, de man die Jehovah had uitgekozen als Elia’s opvolger. Eerder had Elia gedacht dat hij de enige was die trouw was aan God, dus hij wilde deze man natuurlijk graag ontmoeten (1 Koningen 18:22; 19:14-19).

Vond Elia het toch een beetje moeilijk om een deel van zijn verantwoordelijkheden over te dragen, zijn voorrechten met iemand anders te delen of ooit vervangen te worden? Dat weten we niet. Maar misschien heeft hij wel bij dat soort dingen stilgestaan. Hij was immers „een mens met dezelfde gevoelens als wij” (Jakobus 5:17). Het Bijbelverslag zegt in ieder geval: „Elia dan stak naar hem over en wierp zijn ambtsgewaad op hem” (1 Koningen 19:19). Elia’s ambtsgewaad — waarschijnlijk van schapenvacht of geitenvel — werd als een mantel gedragen en was een teken van zijn speciale aanstelling door Jehovah. Toen Elia zijn mantel om Elisa’s schouders sloeg, was dat een betekenisvol gebaar. Elia onderwierp zich bereidwillig aan Jehovah’s gebod om Elisa als zijn opvolger aan te stellen. Elia vertrouwde zijn God en gehoorzaamde hem.

Elia was nederig en stelde Elisa als zijn opvolger aan

Ook de jongere man was bereidwillig en wilde de oudere profeet graag helpen. Elisa zou Elia niet meteen opvolgen. In plaats daarvan zou hij de oudere profeet zo’n zes jaar lang nederig ondersteunen. Elisa kwam later bekend te staan als de man „die water uitgoot over de handen van Elia” (2 Koningen 3:11). Wat een troost voor Elia om zo’n bekwame en behulpzame bediende te hebben! De twee mannen werden waarschijnlijk goede vrienden. Hun wederzijdse aanmoediging zal ze zeker allebei geholpen hebben om te volharden ondanks het verschrikkelijke onrecht overal in het land. Vooral het slechte gedrag van de koning, Achab, ging van kwaad tot erger.

Omdat we in een corrupte wereld leven, hebben we allemaal weleens met onrecht te maken. Als we dan een vriend hebben die van God houdt, kan dat een hulp zijn te volharden. We kunnen ook veel leren van het geloof van Elia.

 „DAAL AF, ACHAB (...) TEGEMOET”

Elia en Elisa werkten hard om het volk geestelijk op te bouwen. Blijkbaar namen ze het voortouw in het opleiden van andere profeten, die misschien in een soort scholen georganiseerd waren. Na verloop van tijd kreeg Elia van Jehovah een nieuwe taak: „Sta op, daal af, Achab, de koning van Israël, tegemoet” (1 Koningen 21:18). Wat had Achab gedaan?

Om te beginnen was Achab een afvallige; er was in Israël zelfs nog nooit zo’n slechte koning geweest. Hij was getrouwd met Izebel en had ervoor gezorgd dat steeds meer mensen in het land Baäl gingen aanbidden, en hij deed dat zelf ook (1 Koningen 16:31-33). Bij de Baälaanbidding hoorden vruchtbaarheidsriten, rituele prostitutie en zelfs kinderoffers. Verder had Achab kort daarvoor Jehovah’s gebod genegeerd om de slechte Syrische koning Ben-Hadad terecht te stellen. Dat deed hij blijkbaar omdat hij dacht er financieel beter van te worden (1 Koningen hoofdstuk 20). Maar nu hadden de hebzucht, het materialisme en het geweld van Achab en Izebel een nieuw dieptepunt bereikt.

Achab had een paleis in Samaria, en dat was een gigantisch bouwwerk! Hij had ook een paleis in Jizreël, zo’n 37 kilometer verderop. Aan deze tweede residentie grensde een wijngaard. Op dat stuk land, dat van de man Naboth was, had Achab zijn zinnen gezet. Achab riep Naboth bij zich en bood hem geld of een andere wijngaard aan. Maar Naboth zei: „Het is wat mij betreft, van Jehovah’s standpunt uit bezien, ondenkbaar u de erfelijke bezitting van mijn voorvaders te geven” (1 Koningen 21:3). Was Naboth koppig, of roekeloos? Dat wordt vaak gedacht. Maar in feite was hij gehoorzaam aan de Wet van Jehovah, die het de Israëlieten verbood om land dat een erfelijk bezit van hun familie was, permanent te verkopen (Leviticus 25:23-28). Het was voor Naboth ondenkbaar Gods Wet te overtreden. Hij had geloof en was moedig, want hij wist heel goed dat het gevaarlijk was om tegen Achab in te gaan.

Achab trok zich natuurlijk niets van Jehovah’s Wet aan. Hij ging naar huis, „mismoedig en terneergeslagen” omdat hij zijn zin niet had gekregen. „Toen legde hij zich neer op zijn rustbed en hield zijn gezicht afgewend, en hij at geen brood” (1 Koningen 21:4). Toen Izebel haar man zo zag mokken als een verwend kind, bedacht ze snel een plan om ervoor te zorgen dat hij toch nog zou krijgen wat hij wilde — en waarbij in één moeite door een rechtvaardige familie te gronde gericht zou worden.

Het is moeilijk om over haar intriges te lezen zonder compleet verbijsterd te zijn door haar slechtheid. Koningin Izebel wist dat Gods Wet voorschreef dat er twee getuigen nodig waren om een ernstige aanklacht te bevestigen (Deuteronomium 19:15). Daarom besloot ze in Achabs naam brieven te schrijven. Daarin gaf ze vooraanstaande mannen van Jizreël het bevel twee mannen te zoeken die bereid waren valse beschuldigingen tegen Naboth in te brengen — beschuldigingen van laster, waarop de doodstraf stond. Haar plan werkte maar al te goed. Twee „nietswaardige lieden” legden een vals getuigenis tegen Naboth af, en als gevolg daarvan werd hij gestenigd, niet alleen hij, maar ook zijn zoons! (1 Koningen 21:5-14; Leviticus 24:16; 2 Koningen 9:26) * Achab had zijn  verantwoordelijkheid als gezinshoofd niet genomen en zijn vrouw haar gang laten gaan, waardoor die onschuldige mensen werden gedood.

Hoe zal Elia zich gevoeld hebben toen Jehovah hem vertelde wat de koning en koningin hadden gedaan? Het kan heel ontmoedigend zijn als slechte mensen het lijken te winnen van goede mensen (Psalm 73:3-5, 12, 13). In deze tijd zien we vaak verschrikkelijk onrecht om ons heen dat soms zelfs veroorzaakt wordt door machtige personen die zich vertegenwoordigers van God noemen. Maar dit verslag kan bemoedigend voor ons zijn. Het herinnert ons eraan dat voor Jehovah niets verborgen is. Hij ziet alles (Hebreeën 4:13). En wat doet hij aan al het slechte wat hij ziet?

„HEBT GIJ MIJ GEVONDEN, O MIJN VIJAND?”

Jehovah stuurde Elia naar Achab en zei onomwonden: „Zie, hij is in de wijngaard van Naboth” (1 Koningen 21:18). Toen Izebel tegen Achab zei dat de wijngaard nu van hem was, sprong hij meteen overeind om naar zijn nieuwe aanwinst te gaan kijken. Het kwam niet in hem op dat Jehovah alles zag. Wat zal hij tevreden hebben gekeken toen hij in de wijngaard liep te fantaseren over de geweldige tuin die hij ervan zou maken. Maar plotseling zag hij Elia! Achabs gelukzalige blik veranderde, en met een gezicht vertrokken van woede en haat zei hij fel: „Hebt gij mij gevonden, o mijn vijand?” — 1 Koningen 21:20.

„Hebt gij mij gevonden, o mijn vijand?”

Achabs woorden waren in twee opzichten dom. Ten eerste bleek uit zijn vraag „Hebt gij mij gevonden?” dat hij geestelijk blind was. Jehovah had hem al gevonden. Hij had gezien dat Achab de gave van de vrije wil misbruikte en de vruchten plukte van Izebels boosaardige complot. God kon in Achabs hart kijken en zien dat liefde voor materiële dingen elk gevoel van barmhartigheid, gerechtigheid of medeleven had verdrongen. Ten tweede zei hij: „O mijn vijand!” Daarmee liet hij zien dat hij haat koesterde voor een man die een vriend van Jehovah was en die hem had kunnen helpen zijn rampzalige gedrag te veranderen.

We kunnen belangrijke lessen leren uit Achabs onverstandige gedrag. We mogen nooit vergeten dat Jehovah alles ziet. Als liefdevolle Vader weet hij of we van het rechte pad afwijken, en hij wil graag dat we ons slechte gedrag achter ons laten. Om ons te helpen gebruikt hij vaak zijn vrienden — mensen die hem trouw zijn en die net als Elia zijn woorden aan andere mensen overbrengen.  Het zou dom zijn om Gods vrienden als onze vijanden te bezien! — Psalm 141:5.

Elia’s antwoord was: „Ik heb u gevonden.” Hij wist wat voor man Achab was. Hij was een dief, een moordenaar en iemand die tegen Jehovah in opstand kwam. Wat moedig dat Elia de confrontatie met die slechte man aan durfde te gaan! Vervolgens vertelde hij Achab hoe God hem zou straffen. Jehovah zag het hele plaatje: de slechtheid van Achabs familie tastte het hele volk aan. Elia zei dus tegen Achab dat God had bepaald dat er „een flinke opruiming” gehouden zou worden; die hele dynastie zou uitgeroeid worden. Ook Izebel zou haar verdiende loon krijgen (1 Koningen 21:20-26).

Elia ging er niet cynisch van uit dat het slechte en onrechtvaardige gedrag van mensen ongestraft blijft. Als je naar deze wereld kijkt, zou je dat bijna wel denken. Dit Bijbelverslag herinnert ons eraan dat Jehovah niet alleen weet wat er speelt maar er ook voor zal zorgen dat er overal gerechtigheid zal zijn. Zijn Woord verzekert ons ervan dat hij een dag heeft bepaald waarop hij voor altijd een eind zal maken aan onrecht! (Psalm 37:10, 11) Maar bestaan Gods oordelen alleen uit straf? Of oordeelt hij ook barmhartig?

„HEBT GIJ GEZIEN HOE ACHAB ZICH WEGENS MIJ HEEFT VEROOTMOEDIGD?”

Misschien verbaasde Elia zich over de manier waarop Achab reageerde op het oordeel van God. Het verslag zegt: „Nu gebeurde het dat zodra Achab deze woorden hoorde, hij voorts zijn klederen scheurde en een zak om zijn vlees deed; en hij ging vasten en legde zich voortdurend neer in de zak en liep gedrukt rond” (1 Koningen 21:27). Had Achab berouw?

Het was in ieder geval een stap in de goede richting. Achab vernederde zich — en dat viel niet mee voor zo’n trotse, arrogante man. Maar had hij echt berouw? Vergelijk hem eens met een latere koning die misschien nog wel slechter was dan hij: Manasse. Toen Manasse door Jehovah werd gestraft, vernederde hij zich en smeekte hij Jehovah om hulp. Maar hij ging nog verder. Hij gooide het roer om en deed de afgodsbeelden die hij had opgesteld weg, deed moeite om Jehovah te aanbidden, en moedigde zelfs het volk aan hetzelfde te doen (2 Kronieken 33:1-17). Helaas kan zoiets niet van Achab gezegd worden.

Zag Jehovah Achabs openlijke vertoon van verdriet? Jehovah zei tegen Elia: „Hebt gij gezien hoe Achab zich wegens mij heeft verootmoedigd? Omdat hij zich om mijnentwil heeft verootmoedigd, zal ik de rampspoed niet in zíȷ́n dagen brengen. In de dagen van zijn zoon zal ik de rampspoed over zijn huis brengen” (1 Koningen 21:29). Vergaf Jehovah Achab? Nee, dan had hij oprecht berouw moeten hebben (Ezechiël 33:14-16). Maar omdat Achab een mate van spijt liet zien, reageerde Jehovah ook met een mate van barmhartigheid. De verschrikkelijke ervaring dat zijn hele familie werd uitgeroeid, zou Achab bespaard blijven.

Toch stond Jehovah’s oordeel vast. Later overlegde Jehovah met zijn engelen over de beste manier om Achab zover te krijgen dat hij meedeed aan de strijd die zijn dood zou betekenen. Niet lang daarna kreeg Achab de straf die Jehovah had bepaald. Hij raakte gewond in de strijd en bloedde dood in zijn strijdwagen. Het verslag vermeldt nog een luguber detail: toen de koninklijke wagen werd schoongespoeld, likten honden het bloed van de koning op. Zo kwamen Jehovah’s woorden uit die Elia aan Achab had overgebracht: „Op de plaats waar de honden het bloed van Naboth hebben opgelikt, zullen de honden uw bloed oplikken” (1 Koningen 21:19; 22:19-22, 34-38).

Voor Elia, Elisa en alle andere trouwe aanbidders van God is Achabs einde een geruststelling: Jehovah was de moed en het geloof van Naboth niet vergeten. De God van gerechtigheid zal slechte mensen vroeg of laat straffen; en hij zal altijd barmhartig zijn in zijn oordeel als daar een basis voor is (Numeri 14:18). Wat een krachtige les voor Elia, die tientallen jaren onder het bestuur van die slechte koning had volhard! Ben jij weleens het slachtoffer geweest van onrecht? Zie je uit naar de tijd dat God dingen gaat rechtzetten? Volg dan het geloof van Elia na. Samen met zijn loyale vriend Elisa bleef hij Gods boodschappen bekendmaken en volhardde hij ondanks onrecht!

^ ¶3 Jehovah, God, had een droogte van drie en een half jaar gebruikt om aan te tonen hoe machteloos Baäl was. Deze god werd aanbeden als de brenger van regen en vruchtbaarheid (1 Koningen hfst. 18). Zie de artikelen „Volg hun geloof na” in De Wachttoren van 1 januari en van 1 april 2008.

^ ¶13 Het kan zijn dat Izebel ook de zoons van Naboth liet vermoorden omdat ze bang was dat het eigendom van de wijngaard over zou gaan op zijn erfgenamen. Zie voor een bespreking van de vraag waarom God onderdrukking toelaat het artikel „Veelgestelde vragen” in dit tijdschrift.