Toegankelijkheidsinstelling

Search

Taal selecteren

Doorgaan naar secundair menu

Doorgaan naar inhoudsopgave

Doorgaan naar inhoud

Jehovah’s Getuigen

Nederlands

DE WACHTTOREN JANUARI 2014

Wist u dit?

Wist u dit?

Hoe werden in de tijd van Jezus bijdragen voor de tempel gegeven?

De schatkamer van de tempel lag in het Voorhof van de vrouwen. In het boek De Tempel: De tempeldienst ten tijde van Jezus Christus staat: „Eromheen liep een eenvoudige zuilengang, en binnen tegen de muur stonden de dertien offerkisten, of ’trompetten’ voor liefdadige bijdragen.”

De kisten werden trompetten genoemd omdat ze nauw aan de opening waren en breed aan de onderkant. Op elke kist stond voor welke offergave die bedoeld was, en het geld dat erin werd verzameld, was voor specifieke doelen gereserveerd. Jezus zat in het Voorhof van de vrouwen toen hij de vele mensen observeerde die bijdragen gaven — onder wie een arme weduwe (Lukas 21:1, 2).

Twee kisten waren gereserveerd voor de tempelbelasting: één voor het lopende jaar en één voor het voorgaande jaar. Kist drie tot en met zeven waren bestemd voor de vastgestelde bedragen voor tortelduiven, jonge duiven, hout, reukwerk en gouden vaten. Als iemand voor een offer meer geld opzij had gelegd dan de prijs die ervoor bepaald was, deed hij het restant in een van de andere kisten. Kist acht was voor geld dat over was van zondeoffers. In kist negen tot en met twaalf kwam het geld dat over was van schuldoffers, van het offeren van vogels, van de offergaven van nazireeërs en van de offergaven van genezen melaatsen. Kist dertien was voor vrijwillige bijdragen.

Was de Bijbelschrijver Lukas een nauwkeurige geschiedschrijver?

Lukas schreef het evangelie dat zijn naam draagt en ook Handelingen van Apostelen. Hij zei dat hij alle dingen nauwkeurig was nagegaan, maar sommige Bijbelgeleerden hebben vraagtekens gezet bij zijn verslag (Lukas 1:3). Hoe nauwkeurig was hij eigenlijk?

Lukas vermeldt historische feiten die geverifieerd kunnen worden. Hij gebruikt bijvoorbeeld een aantal vrij onbekende titels van Romeinse ambtenaren, zoals pretoren (burgerlijke magistraten) in Filippi; politarchen (plaatselijke bestuurders) van Thessalonika; en Asiarchen (prominente mannen) in Efeze (Handelingen 16:20, Kingdom Interlinear; 17:6; 19:31). Hij noemt Herodes Antipas een tetrarch (districtsregeerder), en Sergius Paulus noemt hij de proconsul van Cyprus (Handelingen 13:1, 7).

Het is opmerkelijk dat Lukas de juiste titels gebruikt, want als de status van een Romeins gebied veranderde, veranderde de titel van de bestuurder ervan ook. Toch „blijken zulke vermeldingen in Handelingen keer op keer precies overeen te stemmen met de plaats en de periode in kwestie”, zegt Bijbelgeleerde Bruce Metzger. William Ramsay, een andere Bijbelgeleerde, noemt Lukas „een eersteklas geschiedschrijver”.