Doorgaan naar inhoud

Doorgaan naar secundair menu

Doorgaan naar inhoudsopgave

Jehovah’s Getuigen

Nederlands

De Wachttoren  |  december 2013

 LEVENSVERHAAL

Ik koos een carrière in Jehovah’s dienst

Ik koos een carrière in Jehovah’s dienst

Nadat ik in januari 1937 mijn middelbare school had afgemaakt, ging ik bouwkunde studeren aan de Staatsuniversiteit van Iowa, vlak bij mijn woonplaats in het middenwesten van de VS. Hoge gebouwen en hangbruggen hadden altijd al mijn interesse gehad. Omdat ik niet alleen de colleges volgde maar ook een baantje had om mijn studie te financieren, had ik weinig tijd voor andere dingen.

Begin 1942, kort nadat de VS bij de Tweede Wereldoorlog betrokken was geraakt, zat ik in mijn vijfde studiejaar, en het zou nog maar een paar maanden duren voordat ik mijn graad zou behalen. Ik deelde een woning met twee andere jongens. Een van hen zei dat ik eens moest gaan praten met de man die „altijd bij de jongens beneden komt”. Zo ontmoette ik John (Johnny) Brehmer, een Getuige van Jehovah. Ik stond er versteld van dat hij schijnbaar elke vraag met de Bijbel kon beantwoorden. Ik was zo onder de indruk dat ik besloot Bijbelles van Johnny te nemen en uiteindelijk ging ik wanneer ik maar kon met hem mee om te evangeliseren.

De vader van Johnny, Otto, was directeur van een bank in Walnut (Iowa) toen hij Getuige werd. Hij gaf die positie op om een groot deel van zijn tijd aan evangelisatiewerk te gaan besteden. Na verloop van tijd werd ik door zijn goede voorbeeld, en dat van zijn gezin, gemotiveerd om een belangrijke beslissing te nemen.

TIJD VOOR EEN BESLISSING

Op een dag zei de decaan van de universiteit tegen me dat mijn cijfers achteruitgingen en dat ik niet kon afstuderen op basis van prestaties uit het verleden. Ik weet nog dat ik intens tot Jehovah bad en hem om leiding vroeg. Kort daarna werd ik bij mijn docent Bouwkunde geroepen. Er was hem gevraagd of hij iemand wist voor een vacature van architect, en hij was zo vrij geweest om het telegram alvast te beantwoorden met de boodschap dat ik die baan zou aannemen. Ik bedankte hem maar legde uit waarom ik vastbesloten was om van de dienst voor Jehovah mijn carrière te maken. Op 17 juni 1942 werd ik gedoopt. Bijna meteen daarna werd ik aangesteld als pionier (een Getuige die een groot deel van zijn tijd aan evangelisatie besteedt).

Later dat jaar werd ik opgeroepen voor militaire dienst en moest ik voor de dienstplichtcommissie uitleggen waarom ik gewetensbezwaren had tegen deelname aan oorlog. Ik overlegde getuigschriften van hoogleraren die mijn goede eigenschappen en uitzonderlijke vaardigheden prezen. Maar toch kreeg ik een boete van tienduizend dollar en een gevangenisstraf van vijf jaar. Ik werd naar de federale gevangenis in Leavenworth (Kansas) gestuurd.

MIJN LEVEN IN DE GEVANGENIS

De gevangenis van Leavenworth (VS). Hier zaten we met zo’n 230 Getuigen gevangen

Er waren meer dan 230 jonge Getuigen tewerkgesteld op een boerderij die een onderdeel was van  de gevangenis. Op deze boerderij werkten we onder toezicht van verschillende bewakers. Sommigen van hen kenden ons neutrale standpunt en stonden positief tegenover onze opvattingen.

Een paar bewakers gaven hun medewerking aan onze inspanningen om geregeld Bijbelse bijeenkomsten te houden. Ze hielpen ons ook om Bijbelse lectuur de gevangenis in te krijgen. De directeur nam zelfs een abonnement op de Vertroosting (nu Ontwaakt!).

IK KOM VRIJ EN WORD ZENDELING

Op 16 februari 1946, enkele maanden na het einde van de Tweede Wereldoorlog, werd ik vrijgelaten. Ik had drie jaar van mijn straf uitgezeten. Meteen begon ik weer te pionieren. Ik werd toegewezen aan Leavenworth. Ik zag er erg tegenop omdat daar veel vooroordeel tegen de Getuigen was. Werk vinden was moeilijk, en een woning vinden al helemaal.

Ik weet nog dat ik tijdens mijn evangelisatiewerk bij een van mijn vroegere bewakers kwam. Hij schreeuwde: „Ga van mijn erf af!” Toen ik de honkbalknuppel in zijn hand zag, moest ik even slikken en ging ik er snel vandoor. Bij een ander huis zei een vrouw: „Een ogenblikje”, en toen deed ze de deur dicht. Even later ging er boven een raam open en kreeg ik een hele sloot vuil afwaswater over me heen. Toch had mijn werk ook positieve kanten. Later hoorde ik dat sommigen aan wie ik Bijbelse lectuur had gegeven, Getuigen waren geworden.

In 1943 werd er in de staat New York een school voor zendelingen opgericht. Ik werd uitgenodigd voor de tiende klas en gradueerde op 8 februari 1948. De school werd later de Wachttoren-Bijbelschool Gilead genoemd. Na mijn graduatie werd ik naar Goudkust gestuurd (nu Ghana).

Toen ik in Goudkust arriveerde, kreeg ik de toewijzing te prediken tot regeringsfunctionarissen en Europeanen. In het weekend werkte ik met een gemeente van Jehovah’s Getuigen samen en hielp ik hen bij het huis-aan-huiswerk. Ik bezocht ook plaatsen waar geïsoleerde Getuigen woonden en leidde hen op in het evangelisatiewerk. Daarnaast diende ik als reizend opziener in het buurland Ivoorkust.

Ik leerde te leven als de plaatselijke bevolking: ik sliep in lemen hutjes, at met mijn handen en deed mijn behoeften „buiten”, net als de Israëlieten in de woestijn (Deuteronomium 23:12-14). Doordat we ons aanpasten, kregen we als zendelingen een goede reputatie. De vrouwen van sommige plaatselijke gezagdragers namen Bijbelles van ons. Toen  tegenstanders het voor elkaar kregen dat ons visum werd ingetrokken, zetten deze vrouwen hun man onder druk en werd de beslissing teruggedraaid.

Net als veel andere zendelingen in Afrika liep ik malaria op. Ik had geregeld last van koude rillingen en koortsaanvallen waardoor ik ging ijlen. Soms moest ik zelfs mijn onderkaak vasthouden omdat die zo klapperde. Ondanks alles bleef mijn dienst voor God me vreugde en voldoening geven.

De eerste vier jaar dat ik in Afrika was, correspondeerde ik met Eva Hallquist, die ik vóór mijn vertrek uit de VS had leren kennen. Ik hoorde dat ze in de 21ste klas van de Gileadschool zat en op 19 juli 1953 zou gradueren tijdens het internationale congres van Jehovah’s Getuigen in het Yankeestadion in New York. Ik sprak met een scheepskapitein af om aan boord van zijn schip te werken in ruil voor de overtocht naar de VS.

Na een reis van 22 dagen, soms op ruwe zee, kwam ik daar aan. Ik ging meteen naar het hoofdkantoor van Jehovah’s Getuigen in Brooklyn, waar ik met Eva had afgesproken. Op het dak van een van de gebouwen, met een indrukwekkend uitzicht op de haven en skyline van New York, vroeg ik haar ten huwelijk. Later kwam Eva naar Goudkust om daar samen met mij te evangeliseren.

DE ZORG VOOR MIJN OUDERS

Toen ik een paar jaar samen met Eva in Afrika was, schreef mijn moeder dat mijn vader kanker had en niet lang meer zou leven. We kregen verlof en gingen terug naar de VS. De gezondheid van mijn vader ging snel achteruit, en kort daarna stierf hij.

Later, toen we al weer vier jaar terug waren in Ghana, hoorden we dat de gezondheid van mijn moeder erg achteruitging. Vrienden raadden ons aan terug te gaan om voor haar te zorgen. Dat was de moeilijkste beslissing die we ooit hebben moeten nemen. Na vijftien jaar zendingsdienst, waarvan elf samen, gingen we terug naar de VS.

Met een plaatselijk stamhoofd in Goudkust (nu Ghana)

We hebben mijn moeder jarenlang verzorgd en namen haar zo vaak mogelijk mee naar onze bijeenkomsten. Op 17 januari 1976 stierf ze op 86-jarige leeftijd. Maar negen jaar later kregen we een nog zwaardere klap te verwerken: Eva bleek kanker te hebben. We hebben van alles geprobeerd om de ziekte te bestrijden, maar uiteindelijk verloor ze het gevecht. Ze stierf op 4 juni 1985, 70 jaar oud.

MEER VERANDERINGEN

In 1988 werd ik uitgenodigd voor de inwijding van het pas uitgebreide bijkantoor in Ghana. Wat een onvergetelijke gebeurtenis! Toen ik zo’n veertig jaar daarvoor in Ghana aankwam na mijn graduatie van Gilead, waren er maar een paar honderd Getuigen. In 1988 waren er meer dan 34.000 en nu zijn er bijna 114.000!

Twee jaar na mijn bezoek aan Ghana, op 6 augustus 1990, trouwde ik met Betty Miller, een goede vriendin van Eva. Samen zien we Jehovah’s dienst nog steeds als onze carrière. We kijken ernaar uit onze grootouders, ouders en Eva terug te zien wanneer ze in een paradijs op aarde tot leven zijn gewekt (Handelingen 24:15).

Ik krijg tranen in mijn ogen als ik denk aan het schitterende voorrecht dat ik nu al ruim zeventig jaar door Jehovah in zijn dienst word gebruikt. Ik dank hem vaak dat hij me heeft geholpen om voor die carrière te kiezen. Hoewel ik nu ver in de negentig ben, geeft Jehovah, de grootste Architect in het universum, me nog steeds de kracht en de moed om mijn carrière van dienst voor hem te blijven nastreven.