Doorgaan naar inhoud

Doorgaan naar secundair menu

Doorgaan naar inhoudsopgave

Jehovah’s Getuigen

Nederlands

De Wachttoren  |  oktober 2013

 COVERONDERWERP: WAAR GAAT DE BIJBEL OVER?

Hoe is de mens ontstaan?

Hoe is de mens ontstaan?

Genesis, het eerste boek van de Bijbel, vertelt in een paar eenvoudige woorden hoe het heelal is ontstaan: „In het begin schiep God de hemel en de aarde” (Genesis 1:1). Nadat God de planten en de dieren had geschapen, schiep hij de eerste mensen, Adam en Eva. Ze waren anders dan de dieren, want mensen hebben in een bepaalde mate Gods eigenschappen, waaronder een vrije wil. Adam en Eva waren dus verantwoordelijk voor hun daden. Als ze Gods instructies opvolgden, konden ze een rol spelen in Gods voornemen: ze zouden de stamouders worden van een wereldwijde familie van volmaakte mensen die voor altijd in vrede op aarde zouden leven.

Maar een engel greep de gelegenheid aan om uit eigenbelang misbruik van de mensen te maken. Zo werd hij Satan, wat „Tegenstrever” betekent. Hij bedroog Eva door via een slang tegen haar te zeggen dat ze zonder Gods leiding beter af zou zijn. Adam en Eva volgden Satan en verbraken hun band met hun Maker. Door die slechte keuze verloren onze stamouders het vooruitzicht op eeuwig leven en gaven ze zonde, onvolmaaktheid en een onvermijdelijke dood aan ons allemaal door.

Onmiddellijk maakte God bekend dat hij deze droevige situatie recht zou zetten en Adams nakomelingen de mogelijkheid zou geven om eeuwig leven te krijgen. God beloofde dat een „zaad” — een speciaal persoon — Satan uiteindelijk zou vernietigen en alle ellende ongedaan zou maken die Satan, Adam en Eva hadden veroorzaakt (Genesis 3:15). Wie zou dat „zaad” zijn? De tijd zou het leren.

Ondertussen probeerde Satan constant Gods voornemen te dwarsbomen. Zonde en slechtheid verspreidden zich snel. God besloot de slechte mensen in een vloed te vernietigen. Hij gaf de rechtvaardige Noach de opdracht een ark te bouwen, een enorme drijvende kist. Daarmee kon hij zichzelf en zijn familie redden, en ook de dieren die hij van God mee moest nemen.

Een jaar na het begin van de zondvloed stapten Noach en zijn familie uit de ark op een gereinigde aarde. Maar het „zaad” moest nog komen.

— Gebaseerd op Genesis hoofdstuk 1-11; Judas 6, 14, 15; Openbaring 12:9.