Toegankelijkheidsinstelling

Search

Taal selecteren

Doorgaan naar secundair menu

Doorgaan naar inhoudsopgave

Doorgaan naar inhoud

Jehovah’s Getuigen

Nederlands

DE WACHTTOREN NOVEMBER 2012

Europees Hof erkent het recht op dienstweigering op grond van gewetensbezwaren

Europees Hof erkent het recht op dienstweigering op grond van gewetensbezwaren

JEHOVAH’S GETUIGEN staan over de hele wereld bekend om hun neutraliteit in politiek en oorlogen. Ze geloven oprecht dat ze „hun zwaarden tot ploegscharen moeten smeden” en willen „de oorlog niet meer leren” (Jesaja 2:4). Als anderen ervoor kiezen wel in het leger te dienen, proberen ze niet hen te beïnvloeden. Maar wat als het geweten van een Getuige hem niet toestaat in dienst te gaan, terwijl het land waar hij woont dat verplicht stelt? Voor dat probleem stond Vahan Bayatyan, een jonge man uit Armenië.

Wat eraan voorafging

Vahan is in april 1983 geboren. In 1996 gingen hij en enkele familieleden van hem een Bijbelcursus van Jehovah’s Getuigen volgen, en toen hij zestien was liet hij zich dopen. Door zijn studie van de Bijbel kreeg hij veel respect voor de leringen van Jezus Christus, inclusief de richtlijn die Jezus zijn volgelingen gaf om geen letterlijke oorlogswapens op te nemen (Mattheüs 26:52). Daardoor kwam Vahan kort na zijn doop voor een moeilijke beslissing te staan.

In Armenië moeten alle jongens als ze achttien worden in militaire dienst. Als ze weigeren, kunnen ze wel drie jaar gevangenisstraf krijgen. Vahan wilde zijn landgenoten dienen, maar hij wilde zijn geweten, dat door de Bijbel was gevormd, geen geweld aandoen. Wat zou hij doen?

Zodra Vahan in 2001 voor militaire dienst opgeroepen kon worden, begon hij brieven te schrijven aan de Armeense autoriteiten. Daarin legde hij uit dat militaire dienst zijn geweten en zijn religieuze overtuiging geweld zou aandoen. Ook maakte hij duidelijk dat hij wel bereid was om vervangende burgerdienst te doen.

Vahan Bayatyan voor de Nubarashen-gevangenis (Armenië)

Een jaar lang bleef Vahan de autoriteiten verzoeken zijn recht te erkennen om op grond van gewetensbezwaren dienst te  weigeren. Toch werd Vahan in september 2002 gearresteerd, en later werd hij beschuldigd van dienstweigering. Hij werd tot anderhalf jaar cel veroordeeld. Maar de openbare aanklager was daar niet tevreden mee. Al een maand na de strafoplegging ging de aanklager in hoger beroep om een zwaardere straf te eisen. Hij betoogde dat Vahans principiële dienstweigering op grond van zijn religie „ongefundeerd en gevaarlijk” was. In hoger beroep werd de eis van de openbare aanklager toegewezen en Vahans celstraf werd tot twee en een half jaar verlengd.

Vahan vocht deze beslissing aan bij de hoogste rechter in Armenië. Maar in januari 2003 bekrachtigde de cassatierechter het vonnis. Vahan werd meteen overgebracht naar een gevangenis waar hij samen met moordenaars, drugsdealers en verkrachters zijn straf moest uitzitten.

Voor het Europees Hof

Sinds 2001 is Armenië lid van de Raad van Europa. Daarom hebben de inwoners van Armenië het recht om zaken voor te leggen aan het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) als alle rechtsmiddelen in eigen land uitgeput zijn. Dat deed Vahan. In zijn beroepschrift betoogde hij dat zijn veroordeling voor dienstweigering een schending was van artikel 9 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens. Hij vroeg op basis van dit artikel om bescherming van zijn recht op dienstweigering op grond van gewetensbezwaren — iets wat nog nooit met succes was bepleit.

Op 27 oktober 2009 deed het EHRM uitspraak. Het besliste op basis van jurisprudentie dat vrijheid van geweten zoals omschreven in artikel 9 van het Europees Verdrag niet de rechten beschermt van gewetensbezwaarden die dienst weigeren.

Vahan met zijn vrouw, Tsovinar, en zijn zoontje, Vahe

Tegen die tijd zat Vahan al lang niet meer in de gevangenis. Hij was getrouwd en had een zoontje. De uitspraak stelde Vahan teleur. Hij moest kiezen of hij de zaak zou laten vallen of in beroep zou gaan bij de Grote Kamer van het EHRM. Hij koos voor het laatste. De Grote Kamer neemt alleen uitzonderlijke zaken aan, dus Vahan was blij dat ze besloot zijn zaak in behandeling te nemen.

Op 7 juli 2011 deed de Grote Kamer van het EHRM in Straatsburg (Frankrijk) uitspraak. Er werd met een overweldigende meerderheid van zestien stemmen tegen één beslist dat Armenië Vahans recht op vrijheid van geweten had geschonden door hem te veroordelen en gevangen te zetten omdat hij op grond van gewetensbezwaren dienst  had geweigerd. De rechter uit Armenië was de enige die tegen had gestemd.

Vahan met zijn raadsmannen bij het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (24 november 2010)

Waarom is die uitspraak belangrijk? Omdat het de eerste keer was in de geschiedenis van het EHRM dat erkend werd dat het recht op dienstweigering op grond van gewetensbezwaren volledig gewaarborgd wordt door artikel 9 van het Verdrag. Het Hof beziet het dus als een schending van fundamentele rechten in een democratische samenleving als gewetensbezwaarden gevangen worden gezet.

De Grote Kamer zei het volgende over de positie van Jehovah’s Getuigen als gewetensbezwaarden: „Ze heeft daarom geen reden eraan te twijfelen dat het bezwaar van de verzoeker tegen militaire dienst werd ingegeven door zijn religieuze overtuiging, die hij oprecht aanhing en die ernstig en onoverkomelijk in strijd was met zijn plicht militaire dienst te verrichten.”

Reactie op de uitspraak

In de afgelopen twintig jaar zijn in Armenië meer dan 450 gewetensbezwaarden die Getuigen van Jehovah zijn, veroordeeld. Toen dit artikel werd samengesteld, zaten 58 jonge mannen in dat land in de gevangenis omdat ze op religieuze gronden dienst weigerden. Vijf van hen werden gevangengezet na de historische uitspraak in de zaak Bayatyan v. Armenië. * Eén van deze jonge gewetensbezwaarden diende een verzoek in tot staking van de strafvervolging tegen hem vanwege principiële dienstweigering, maar de openbare aanklager wees zijn verzoek af. In zijn schriftelijke reactie verklaarde de aanklager: „De uitspraak van het Europees Hof in de zaak Bayatyan v. Armenië, gedateerd 7 juli 2011, is op deze zaak niet van toepassing, want de omstandigheden in deze twee zaken komen duidelijk niet overeen.”

Waarom zei de aanklager dat? Toen Vahan Bayatyan in staat van beschuldiging werd gesteld, bestond er geen regeling voor vervangende dienstplicht. Sindsdien is er een wet aangenomen die zo’n regeling mogelijk maakt, dus redeneert de regering van Armenië dat degenen die tegen militaire dienst zijn nu voor burgerdienst kunnen kiezen. Maar de burgerdienst wordt geregeld door het leger en is daarom geen optie voor veel van de gewetensbezwaarden die momenteel voor militaire dienst opgeroepen worden.

Vahan Bayatyan is blij met de historische uitspraak in zijn voordeel. Door de uitspraak is Armenië nu verplicht te stoppen met het vervolgen en gevangenzetten van personen die vanwege hun vaste religieuze overtuiging militaire dienst weigeren.

Het is niet het doel van Jehovah’s Getuigen om het rechtssysteem van een land te veranderen. Maar net als Vahan Bayatyan zoeken ze erkenning voor de wettelijke rechten die ze hebben op basis van bestaande wetten waaraan de landen waarin ze wonen zich zeggen te houden. Waarom? Om een rustig leven te kunnen leiden en vrij te zijn om alle geboden te gehoorzamen van hun Leider, Jezus Christus.

^ par. 17 Twee van hen werden veroordeeld op 7 juli 2011, de dag van de uitspraak van het EHRM.