Doorgaan naar inhoud

Doorgaan naar secundair menu

Doorgaan naar inhoudsopgave

Jehovah’s Getuigen

Nederlands

De Wachttoren  |  oktober 2012

Wist u dit?

Wist u dit?

Zijn er bewijzen dat de christenen uit Judea gevlucht zijn voordat Jeruzalem in 70 n.Chr. werd verwoest?

„Wanneer gij voorts Jeruzalem door legerkampen ingesloten ziet, weet dan dat haar verwoesting nabij gekomen is. Laten dan zij die in Judea zijn, naar de bergen vluchten, en laten zij die in haar midden zijn, eruit trekken” (Lukas 21:20, 21). Jezus gaf deze instructies aan zijn volgelingen toen hij vertelde dat Jeruzalem verwoest zou worden. Zijn er bewijzen dat ze Jezus’ waarschuwing hebben opgevolgd?

Een paar decennia na Jezus’ dood trok een Romeins leger onder aanvoering van Cestius Gallus Palestina binnen om een eind te maken aan een opstand. Deze invasie wordt bevestigd door de Joodse geschiedschrijver Josephus, die in die tijd leefde. De soldaten omsingelden Jeruzalem en het leek zeker dat ze de stad zouden innemen. Onverwachts gaf Gallus het leger het bevel zich terug te trekken. Volgens de kerkhistoricus Eusebius maakten Judese christenen van deze gelegenheid gebruik om naar Pella te vluchten, een stad in een bergachtig gebied van de Dekapolis.

Een paar jaar later, in 70 n.Chr., kwam er een ander Romeins leger, onder aanvoering van generaal Titus, en belegerde de Joodse hoofdstad. Dit keer werd de stad wel ingenomen en in puin gelegd. Honderdduizenden zaten in Jeruzalem in de val en kwamen om.

Wie waren „de profetenzonen”?

In de Bijbelverslagen over de profeten Samuël, Elia en Elisa wordt gesproken over „de profetenzonen”. Elisa bijvoorbeeld stuurde „een van de profetenzonen” om Jehu tot koning van Israël te zalven (2 Koningen 9:1-4).

Bijbelgeleerden denken dat met deze uitdrukking een school of een profetengemeenschap bedoeld werd, en niet de letterlijke kinderen van profeten. Volgens de Journal of Biblical Literature waren de leden van deze groepen waarschijnlijk mannen die „zich aan de dienst van Yahweh [Jehovah] wijdden onder leiding van een profeet die (...) hun geestelijke vader was”. (Zie 2 Koningen 2:12.) In het verslag over Jehu’s zalving wordt de man die door Elisa gestuurd werd „de bediende van de profeet” genoemd (2 Koningen 9:4).

Blijkbaar leidden „de profetenzonen” een eenvoudig leven. Over één zo’n groep in de tijd van Elisa wordt gezegd dat ze hun eigen woning gingen bouwen en daarbij een geleende bijl gebruikten (2 Koningen 6:1-5). Sommigen van deze mannen waren getrouwd, want er wordt gesproken over een weduwe „van de profetenzonen” (2 Koningen 4:1). Godvrezende Israëlieten hadden blijkbaar waardering voor de profetenzonen en in één Bijbelgedeelte is te lezen dat ze voedsel aan ze gaven (2 Koningen 4:38, 42).