Doorgaan naar inhoud

Doorgaan naar secundair menu

Doorgaan naar inhoudsopgave

Jehovah’s Getuigen

Nederlands

DE WACHTTOREN OKTOBER 2012

Hoe de Bijbel invloed had op een hindoegezin

Hoe de Bijbel invloed had op een hindoegezin

IK ZAL de maandagochtend van 22 augustus 2005 nooit vergeten. We zaten met de hele familie aan het ontbijt. Mijn leven hing aan een zijden draadje omdat ik een grote hersentumor had. Nadat mijn man, Krishna, gebeden had, nam ik het woord:

„Ik moet voor een riskante operatie naar het ziekenhuis, dus jullie moeten je op het ergste voorbereiden. Ik heb alvast alles voor mijn begrafenis geregeld. Tegen iedereen van jullie die Jehovah aanbidt, wil ik nog zeggen: geef het alsjeblieft niet op. De anderen smeek ik om de Bijbel te gaan onderzoeken en naar onze christelijke bijeenkomsten te gaan. Dan zullen jullie net als ik kunnen uitzien naar een nieuwe wereld waarin Gods ware aanbidders volmaakt gezond zullen zijn en voor eeuwig in een paradijs zullen leven.”

Voordat ik verder ga met mijn verhaal, wil ik eerst iets vertellen over mijn achtergrond en hoe ik de ware God heb leren kennen.

Ik groei op als hindoe

Bij mijn moeder op de arm

Onze familie woonde in een groot huis van hout en ijzer op een heuvel in de havenstad Durban (Zuid-Afrika). Om bij de poort te komen, moest je vanaf de hoofdweg in het dal 125 treden omhoog klimmen. Dan kwam je uit op een paadje tussen de struiken, met aan het eind een ijzeren poort. Aan één kant van de poort stond de tempel van mijn oma, vol met afbeeldingen en beelden van hindoegoden. Mijn oma zei dat ik een ’tempelkind’ was (mandir kī baccā in Hindi) en dat ik was geboren dankzij de goden die we aanbaden. Tegenover de tempel was een trap met glimmende rode treden die bij de voordeur uitkwam. Het was een groot huis, met een lange gang, een grote keuken met een kolenkachel, zeven slaapkamers en nog een slaapkamer in een bijgebouwtje. We woonden er met 27 mensen: mijn opa en oma, mijn vader, zijn drie jongere broers, zijn jongste zus, en hun gezinnen.

Ons huis

Het was niet makkelijk om voor zo’n grote familie te zorgen. Maar doordat we allemaal bij elkaar woonden, hadden we een hechte band. Het was een gelukkige tijd. De vier schoondochters, inclusief mijn moeder, Gargee Devi, deden het huishouden. Om beurten kookten ze en maakten ze schoon. Mijn opa was het hoofd van de familie, en hij kocht het eten voor iedereen. Elke woensdag gingen mijn opa en oma naar de markt om groente, fruit en vlees voor een hele week te kopen. We zaten dan altijd op ze te wachten in de schaduw van een conifeer op een rand van de heuvel, waar we uitzicht hadden op het dal beneden. Als we ze met hun grote manden uit de bus zagen stappen, renden we meteen de 125 treden naar beneden om ze te helpen de boodschappen omhoog te sjouwen.

Bij de 125 treden

In onze tuin stond een grote palmboom waarin treurmaina’s een nest hadden gebouwd. We zagen ze heen en weer vliegen en konden hun getjilp horen. Mijn oma ging vaak op de trap bij de voordeur zitten om ons verhalen te vertellen, alsof ze de geluiden van de vogels kon uitleggen. Ik heb zo veel goede  herinneringen aan de tijd in dat huis! We lachten, we huilden, we speelden, we deelden; het was geweldig om als één grote familie bij elkaar te wonen. Maar nog belangrijker: hier leerden we onze Schepper, Jehovah, en zijn Zoon, Jezus Christus, kennen.

Voordat we Jehovah leerden kennen, hadden we als hindoes allerlei dagelijkse rituelen. Daarnaast hielden we regelmatig grote feesten ter ere van de verschillende goden en godinnen. Er kwamen dan ook gasten, en soms raakte mijn oma in trance en had ze contact met geesten. Precies om middernacht werden er dierenoffers gebracht om de geesten gunstig te stemmen. Mijn opa was heel bekend in de omgeving omdat hij altijd veel schenkingen deed voor de bouw en het functioneren van openbare scholen en hindoetempels.

We leren de waarheid over Jehovah

In 1972 werd mijn opa ziek en stierf. Een paar maanden later kreeg Indervathey, een van mijn tantes die ook wel Jane genoemd wordt, een Wachttoren en Ontwaakt! van twee Getuigen van Jehovah. Ze voelde zich schuldig dat ze hen niet binnen had gevraagd voor een gesprek. Normaal stuurden we de Getuigen altijd weg. Maar de volgende keer dat ze kwamen, nodigde mijn tante ze binnen en praatte ze met hen over een probleem in haar huwelijk. Mijn oom dronk namelijk te veel, en buren en familieleden hadden mijn tante aangeraden te gaan scheiden. De Getuigen legden uit hoe God over het huwelijk denkt (Mattheüs 19:6). Mijn tante was onder de indruk van de Bijbelse raad en de belofte van een beter leven hier op aarde. * Ze besloot om niet bij mijn oom weg te gaan en nam Bijbelles van de Getuigen. Die lessen werden in de zithoek van ons huis gehouden, en de andere schoondochters luisterden vanuit hun eigen kamer mee.

Na een tijdje deden alle schoondochters met de Bijbelstudie mee. Tante Jane praatte met ons over wat ze leerde en vertelde vaak verhalen uit het boek Naar de Grote Onderwijzer luisteren *. Toen mijn ooms erachter kwamen dat mijn tantes Bijbelles kregen, begonnen ze ons tegen te werken. Een van mijn ooms verbrandde al onze lectuur, ook een Bijbel. Ze scholden ons uit en sloegen ons als we naar de bijeenkomsten van de Getuigen gingen. Mijn vader was de enige die niet zo vijandig was; hij zei er nooit iets van dat we over Jehovah leerden. De schoondochters bleven alle vier naar de bijeenkomsten gaan en kregen steeds meer liefde voor Jehovah God.

In 1974 werd tante Jane als Getuige gedoopt, en mijn moeder en andere tantes kort daarna. Mijn oma stopte na een tijd met haar hindoegebruiken. Ik ging jarenlang gewoon mee naar alle bijeenkomsten. Maar op een groot congres vroeg een Getuige, Shameela Rampersad, me een keer: „Wanneer laat jij je dopen?” Ik antwoordde: „Dat kan niet, want  niemand heeft me ooit Bijbelles gegeven.” Zij wilde dat wel doen. Op het volgende congres, op 16 december 1977, werd ik gedoopt. Uiteindelijk hebben 18 van de 27 familieleden die samen in dat huis woonden, zich laten dopen. Maar toen ik geopereerd moest worden, was mijn vader, Sonny Deva, nog steeds hindoe.

„Weest over niets bezorgd”

De woorden in Filippenzen 4:6, 7 zijn een grote hulp voor me geweest, vooral toen de hersentumor bij me was ontdekt. In die tekst staat: „Weest over niets bezorgd, maar laat in alles door gebed en smeking te zamen met dankzegging uw smeekbeden bij God bekend worden; en de vrede van God, die alle gedachte te boven gaat, zal uw hart en uw geestelijke vermogens behoeden door bemiddeling van Christus Jezus.” Het is moeilijk „over niets bezorgd” te zijn, vooral als je hoort dat je elk moment kunt sterven. Eerst moest ik huilen, maar nadat ik tot Jehovah had gebeden, voelde ik „de vrede van God, die alle gedachte te boven gaat”.

Jehovah God pakte me als het ware bij mijn hand, en ik voelde echt dat hij me de hele tijd steunde (Jesaja 41:13). Hij hielp me om het medisch personeel moedig uit te leggen dat ik vastbesloten was het Bijbelse gebod te gehoorzamen om je te onthouden van bloed (Handelingen 15:28, 29). Daardoor waren de chirurg en de anesthesist bereid de operatie zonder bloedtransfusie uit te voeren. Na de operatie legde de chirurg uit dat de tumor helemaal was verwijderd. Hij zei ook dat hij een patiënt nog nooit zo snel had zien herstellen na zo’n zware hersenoperatie.

Drie weken later gaf ik vanuit mijn bed weer Bijbelles. Na zeven weken kon ik weer autorijden en huis aan huis prediken en ging ik weer naar onze bijeenkomsten. Ik was heel blij met de hulp van mijn geestelijke broers en zussen die met me samenwerkten in het evangelisatiewerk. Ze zorgden ervoor dat ik nooit alleen was en dat ik altijd weer veilig thuiskwam. Ik denk dat luisteren naar opnamen van de Bijbel en me concentreren op de geestelijke aspecten van mijn leven bijgedragen hebben aan mijn snelle herstel.

Ik was ook heel blij dat mijn vader na mijn operatie een Bijbelcursus van de Getuigen wilde volgen. Hij werd gedoopt toen hij 73 was, en hij dient Jehovah nu ijverig. Meer dan veertig familieleden van me aanbidden Jehovah nu samen met ons. Hoewel het gezichtsveld van mijn linkeroog kleiner geworden is en mijn schedel door metaal bij elkaar gehouden wordt, kijk ik uit naar de tijd dat Jehovah in het toekomstige paradijs op aarde „alle dingen nieuw” zal maken (Openbaring 21:3-5).

Met mijn man, mijn dochter en mijn ouders

Ik heb een lieve man, die ouderling in de gemeente is, en een mooie dochter, Clerista. Door haar hulp kan ik fulltimeprediker zijn. Jehovah God heeft mijn dienst echt gezegend. Tot nu toe heb ik veel mensen aan wie ik Bijbelles heb gegeven, kunnen helpen de kracht van Gods Woord in hun leven te voelen. Meer dan dertig hebben hun leven aan God opgedragen en hebben zich laten dopen.

Vol hoop kijk ik uit naar de tijd dat Jehovah God ons van deze ellendige wereld zal bevrijden en ons in een paradijs op aarde zal laten leven.

^ par. 12 Zie voor meer informatie over wat God met de aarde van plan is, hoofdstuk 3 van het boek Wat leert de bijbel echt?, uitgegeven door Jehovah’s Getuigen.

^ par. 13 Uitgegeven door Jehovah’s Getuigen; nu niet meer leverbaar.