Toegankelijkheidsinstelling

Search

Taal selecteren

Doorgaan naar secundair menu

Doorgaan naar inhoudsopgave

Doorgaan naar inhoud

Jehovah’s Getuigen

Nederlands

DE WACHTTOREN APRIL 2010

Vertelt de Bijbel ons het hele verhaal over Jezus?

Vertelt de Bijbel ons het hele verhaal over Jezus?

Zou het kunnen zijn dat Jezus niet gestorven is op Golgotha, zoals de Bijbel zegt, maar dat hij is blijven leven? Is het mogelijk dat hij met Maria Magdalena trouwde en kinderen bij haar had? Of kan hij een ascetische mysticus zijn geweest die alle genoegens van het aardse leven afwees? Is het mogelijk dat hij leerstellingen onderwees die verschillen van wat we in de Bijbel lezen?

ZULKE speculaties hebben de afgelopen jaren opgang gemaakt, iets wat ten dele toe te schrijven is aan populaire films en romans. Naast fantasierijke fictie zijn er ook veel boeken en artikelen verschenen die de aandacht vestigen op apocriefe geschriften uit de tweede en derde eeuw die beweren feiten over Jezus te onthullen die uit de evangeliën zijn weggelaten. Zouden zulke beweringen op waarheid kunnen berusten? Kunnen we er zeker van zijn dat de Bijbel ons het complete, ware verhaal over Jezus vertelt?

Voor het antwoord op die vragen is het nuttig drie basisonderwerpen te beschouwen. Ten  eerste moeten we over belangrijke informatie beschikken aangaande de mannen die de evangelieverslagen hebben geschreven en wanneer ze dat hebben gedaan; ten tweede moeten we te weten komen wie de canon van de Bijbel hebben vastgesteld en hoe dat is gebeurd; en ten derde hebben we wat achtergrondinformatie nodig over de apocriefe geschriften en waarin ze verschillen van canonieke geschriften. *

Wanneer zijn de christelijke Griekse Geschriften geschreven, en door wie?

Volgens sommige bronnen is het evangelie van Mattheüs al geschreven in het achtste jaar na Christus’ dood, dat wil zeggen omstreeks het jaar 41 van onze jaartelling. Veel geleerden kiezen voor een wat latere datum, maar men is het er algemeen over eens dat alle boeken van de christelijke Griekse Geschriften in de eerste eeuw geschreven zijn.

Toen leefden er nog ooggetuigen van Jezus’ leven, dood en opstanding; ze konden de evangelieverslagen verifiëren. Ze konden ook makkelijk eventuele onnauwkeurigheden aan het licht brengen. Professor F.F. Bruce merkt op: „Eén van de sterke punten van de oorspronkelijke apostolische prediking is het vertrouwen waarmee ze een beroep deden op de kennis van hun toehoorders; ze zeiden niet alleen: ’wij zijn getuigen van deze dingen’, maar ook: ’zoals gij zelf weet’ (Hand. 2:22).”

De apostel Paulus verrichtte wonderen, zelfs een opstanding, wat een krachtig bewijs vormt dat Gods geest achter hem en zijn geschriften stond

Wie waren de schrijvers van de christelijke Griekse Geschriften? Daartoe behoorden enkelen van Jezus’ twaalf apostelen. Zij en andere Bijbelschrijvers, onder wie Jakobus, Judas en vermoedelijk Markus, waren op de pinksterdag in het jaar 33 aanwezig toen de christelijke gemeente werd gevormd. Alle schrijvers, Paulus inbegrepen, waren nauw verbonden met het oorspronkelijke besturende lichaam van de vroege christelijke gemeente, dat uit de apostelen en de ouderlingen van Jeruzalem bestond (Handelingen 15:2, 6, 12-14, 22; Galaten 2:7-10).

Jezus gaf zijn volgelingen de opdracht het predikings- en onderwijzingswerk voort te zetten waarmee hij was begonnen (Mattheüs 28:19, 20). Hij zei zelfs: „Wie naar u luistert, luistert ook naar mij” (Lukas 10:16). Bovendien beloofde hij hun dat Gods heilige geest of werkzame kracht hen in staat zou stellen dat werk te doen. Dus toen er geschriften kwamen van de apostelen of hun naaste medewerkers — mannen die duidelijk door Gods heilige geest gezegend bleken te zijn — aanvaardden de eerste christenen die boeken uiteraard als gezaghebbend.

Sommige Bijbelschrijvers getuigden van het gezag en de goddelijke inspiratie van hun medeschrijvers. De apostel Petrus bijvoorbeeld verwees naar de brieven van Paulus en stelde ze op één lijn met „de overige Schriften” (2 Petrus 3:15, 16). Paulus van zijn kant erkende dat de apostelen en andere christelijke profeten door God geïnspireerd waren (Efeziërs 3:5).

De evangelieverslagen kunnen dan ook zeker als betrouwbaar en authentiek worden beschouwd. Het zijn niet louter legenden en verhaaltjes, maar het gaat om zorgvuldig opgetekende geschiedenis, gebaseerd op ooggetuigenverslagen, geschreven door mannen die door Gods heilige geest werden geïnspireerd.

Wie hebben de canon vastgesteld?

Sommige auteurs hebben beweerd dat de canon van de christelijke Griekse Geschriften eeuwen later werd vastgesteld door een kerk die een gevestigde macht was onder leiding van keizer Constantijn. Maar de feiten wijzen anders uit.

Merk bijvoorbeeld op wat de hoogleraar in de kerkgeschiedenis Oskar Skarsaune zegt: „Welke geschriften in het Nieuwe Testament opgenomen moesten worden en welke niet, is nooit beslist door een kerkconcilie of door één enkele persoon (...) De criteria waren volkomen duidelijk en zeer zinnig: Geschriften uit de eerste eeuw n.Chr. die beschouwd werden als  geschreven door de apostelen of door hun medewerkers, werden betrouwbaar geacht. Andere geschriften, brieven of ’evangeliën’ die later waren geschreven, werden er niet in opgenomen (...) Dit proces was in essentie lang voor Constantijn en lang voordat zijn machtige kerk gevestigd was, voltooid. De kerk van de martelaren, niet de machtige gevestigde kerk, heeft ons het Nieuwe Testament gegeven.”

Ken Berding, universitair hoofddocent met de christelijke Griekse Geschriften als studieterrein, merkt het volgende op over de totstandkoming van de canon: „De kerk heeft geen canon naar eigen keus vastgesteld; het is juister te zeggen dat de kerk de boeken erkende die christenen altijd al als een gezaghebbend Woord van God hadden beschouwd.”

Waren het echter louter die nederige eerste-eeuwse christenen die de canon vaststelden? De Bijbel vertelt ons dat er iets veel belangrijkers — en krachtigers — aan het werk was.

Volgens de Bijbel was een van de wonderbare gaven van de geest die in de eerste decennia van de christelijke gemeente werden gegeven, „het onderscheiden van geïnspireerde uitspraken” (1 Korinthiërs 12:4, 10). Sommigen van die christenen kregen dus een bovenmenselijk vermogen om het verschil te onderscheiden tussen uitspraken die echt door God geïnspireerd waren en uitspraken waarmee dat niet het geval was. Hedendaagse christenen kunnen er dan ook op vertrouwen dat de in de Bijbel opgenomen geschriften als geïnspireerd werden herkend.

De canon werd dus kennelijk in een vroeg stadium onder leiding van de heilige geest vastgesteld. Vanaf de tweede helft van de tweede eeuw hebben sommige schrijvers commentaar geleverd op de canoniciteit van de Bijbelboeken. Maar die schrijvers hebben de canon niet vastgesteld; ze getuigden alleen van wat God al had aanvaard via zijn vertegenwoordigers, die zich door zijn geest lieten leiden.

Oude handschriften verschaffen ook onweerlegbare bewijzen ter ondersteuning van de canon die tegenwoordig algemeen aanvaard wordt. Er zijn meer dan vijfduizend handschriften van de Griekse Geschriften in de oorspronkelijke taal, waaronder enkele uit de tweede en de derde eeuw. Het waren die geschriften, niet de apocriefe, die in de eerste eeuwen van onze jaartelling als gezaghebbend werden beschouwd en daarom gekopieerd en op grote schaal verspreid werden.

De inhoud vormt echter het belangrijkste bewijs van canoniciteit. De canonieke geschriften zijn in harmonie met „het patroon van gezonde woorden” dat we in de rest van de Bijbel vinden (2 Timotheüs 1:13). Ze dringen er bij de lezers op aan Jehovah lief te hebben, te aanbidden en  te dienen en ze waarschuwen tegen bijgeloof, demonisme en schepselaanbidding. Ze zijn historisch nauwkeurig en bevatten ware profetieën. En ze moedigen de lezers aan tot naastenliefde. Dat zijn de kenmerken waardoor de christelijke Griekse Geschriften zich onderscheiden. Geldt dat ook voor de apocriefe geschriften?

Wat maakt de apocriefe geschriften anders?

De apocriefe geschriften verschillen aanzienlijk van de canonieke geschriften. Die apocriefe boeken dateren van omstreeks het midden van de tweede eeuw en zijn dus van veel latere datum dan de canonieke geschriften. Ze schilderen een beeld van Jezus en het christendom dat niet in harmonie is met de geïnspireerde geschriften.

Het apocriefe evangelie van Thomas bijvoorbeeld schrijft een aantal vreemde uitspraken aan Jezus toe, zoals de opmerking dat hij Maria zou transformeren in een man om het voor haar mogelijk te maken het Koninkrijk der hemelen binnen te gaan. Het Kindheidsevangelie van Thomas beschrijft de jonge Jezus als een gemeen kind dat de dood van een ander kind op zijn geweten had. De apocriefe Handelingen van Paulus en Handelingen van Petrus leggen de nadruk op totale onthouding van geslachtsgemeenschap en beschrijven de apostelen zelfs als zouden ze er bij vrouwen op aandringen zich van hun man te laten scheiden. Het evangelie van Judas schildert Jezus af als iemand die zijn discipelen uitlacht omdat ze in verband met een maaltijd tot God bidden. Zulke opvattingen zijn in strijd met wat er in de canonieke boeken staat (Markus 14:22; 1 Korinthiërs 7:3-5; Galaten 3:28; Hebreeën 7:26).

In veel van de apocriefe geschriften komen we denkbeelden tegen van de gnostici, die van mening waren dat de Schepper, Jehovah, geen goede God is. Ze geloofden ook dat de opstanding niet letterlijk is, dat alle materie slecht is en dat het huwelijk en de voortplanting hun oorsprong hebben gevonden bij Satan.

Verscheidene apocriefe boeken worden aan Bijbelse personen toegeschreven, maar dat berust op leugens. Zijn die boeken door een duistere samenzwering buiten de Bijbel gehouden? Een deskundige op het gebied van de apocriefen, M.R. James, merkte op: „Er is geen sprake van dat iemand ze uit het Nieuwe Testament heeft gehouden: dat hebben ze zelf gedaan.”

Bijbelschrijvers waarschuwden voor een komende afval

In de canonieke geschriften vinden we een aantal waarschuwingen voor een dreigende afval die de christelijke gemeente zou verderven. In feite was die afval al begonnen in de eerste eeuw, maar de apostelen hadden de verbreiding ervan belemmerd (Handelingen 20:30; 2 Thessalonicenzen 2:3, 6, 7; 1 Timotheüs 4:1-3; 2 Petrus 2:1; 1 Johannes 2:18, 19; 4:1-3). Dergelijke waarschuwingen werpen licht op geschriften die na de dood van de apostelen begonnen te verschijnen, geschriften die in strijd waren met wat Jezus had onderwezen.

Natuurlijk kunnen zulke documenten in de ogen van sommige geleerden en historici oud en eerbiedwaardig zijn. Maar stel nu eens dat geleerden een stapel dubieuze, in onze tijd gedrukte geschriften zouden verzamelen, ze misschien zouden halen uit roddelbladen en de publicaties van radicale sekten, en die papieren dan veilig zouden wegbergen in een kluis. Zouden die geschriften met het verstrijken van de tijd waarheidsgetrouw en betrouwbaar worden? Zouden de onzin en de leugens die erin staan na 1700 jaar waar worden, eenvoudig omdat de documenten erg oud waren?

Natuurlijk niet! Dat gaat ook op voor beweringen dat Jezus met Maria Magdalena trouwde en andere bizarre uitspraken uit de apocriefe boeken. Waarom zou u geloof hechten aan zulke onbetrouwbare bronnen, vooral als er betrouwbare bronnen voorhanden zijn? Alles wat God wil dat we over zijn Zoon weten, staat gewoon in de Bijbel: een verslag waar we van op aan kunnen.

^ par. 4 Het woord canon slaat op de verzameling Bijbelboeken waarvan onmiskenbaar vaststaat dat ze door God geïnspireerd zijn. Er zijn 66 boeken die algemeen als canoniek worden erkend en een integrerend en onmisbaar deel van Gods Woord uitmaken.