Toegankelijkheidsinstelling

Search

Taal selecteren

Doorgaan naar secundair menu

Doorgaan naar inhoudsopgave

Doorgaan naar inhoud

Jehovah’s Getuigen

Nederlands

DE WACHTTOREN MAART 2010

Waarom u vertrouwen kunt hebben in de Bijbelse evangeliën

Waarom u vertrouwen kunt hebben in de Bijbelse evangeliën

„Ze zijn een enorm succes. Ze zijn een bron van inspiratie geweest voor films waar miljoenen in gestoken zijn (...) en voor bestsellers (...) Christelijke sekten hebben ze aanvaard. Ze hebben tot nieuwe religies en tot samenzweringstheorieën geleid.” — SUPER INTERESSANTE, EEN BRAZILIAANS OPINIEBLAD.

WAT was de aanleiding tot al dat enthousiasme? Het blad becommentarieerde de recente algemene belangstelling en activiteiten rond een verzameling pseudo-evangeliën, -epistels en -apocalypsen die in het midden van de twintigste eeuw in Nag Hammadi en elders in Egypte zijn ontdekt. Deze en andere soortgelijke documenten worden over het algemeen aangeduid als gnostische of apocriefe geschriften. *

Was er een samenzwering?

In een tijd waarin mensen over het algemeen cynisch tegenover de Bijbel en orthodoxe religies staan, lijken de gnostische of apocriefe geschriften bij velen een gevoelige snaar geraakt te hebben. Deze geschriften hebben grote invloed gehad op de manier waarop velen de leringen van Jezus Christus en het christendom zelf bezien. Een tijdschrift merkte daarover op: „Het evangelie van Thomas en andere apocriefen raken het hart van een groep mensen die in onze tijd blijft groeien: mensen die verlangen naar spiritualiteit maar religie wantrouwen.” Men schat dat er alleen al in Brazilië „minstens dertig groeperingen zijn die hun geloof op de apocriefen baseren”.

De ontdekking van deze documenten heeft de theorie populair gemaakt dat de katholieke kerk in de vierde eeuw een samenzwering heeft gesmeed om de waarheid over Jezus te verhullen, dat enkele verslagen over zijn leven die in de apocriefe geschriften voorkomen zijn achtergehouden, en dat er veranderingen zijn aangebracht in de vier evangeliën die in moderne  bijbels staan. Elaine Pagels, hoogleraar theologie, zei het als volgt: „We beginnen nu in te zien dat wat wij het christendom noemen en wat wij identificeren als christelijke overlevering, in feite slechts een kleine selectie van bepaalde bronnen voorstelt, bronnen die waren gekozen uit tientallen andere.”

Volgens geleerden als Pagels is de Bijbel niet de enige bron van het christelijke geloof; er zijn andere bronnen, zoals de apocriefe geschriften. Zo werd in het BBC-programma Bible Mysteries over ’de echte Maria Magdalena’ opgemerkt dat de apocriefe geschriften Maria Magdalena voorstellen als „een lerares en geestelijke gids voor de andere discipelen. Ze is niet zo maar een discipel; ze is de apostel voor de apostelen.” Over de vermeende rol van Maria Magdalena schrijft Juan Arias in de Braziliaanse krant O Estado de S. Paulo: „Tegenwoordig lijkt alles erop te duiden dat de vroegchristelijke beweging, gesticht door Jezus, intens ’feministisch’ was, omdat de eerste huiskerken de huizen van vrouwen waren, waar ze officieel als priesters en bisschoppen optraden.”

In de ogen van velen zijn de apocriefe bronnen veel gezaghebbender dan de Bijbelse bron. Die voorkeur roept echter enkele belangrijke vragen op: Zijn de apocriefe geschriften een legitieme bron van het christelijke geloof? Als ze strijdig zijn met duidelijke Bijbelse leringen, welke bron moeten we dan geloven, de Bijbel of de apocriefe boeken? Was er in de vierde eeuw werkelijk een samenzwering om die boeken achter te houden en de vier evangeliën te veranderen om belangrijke informatie over Jezus, Maria Magdalena en anderen te verzwijgen? Laten we voor het antwoord op die vragen een van de vier Bijbelse evangeliën bekijken, het evangelie van Johannes.

Bewijzen uit Johannes’ evangelie

Aan het begin van de twintigste eeuw werd in Egypte een waardevol fragment van Johannes’ evangelie gevonden dat nu bekendstaat als de Papyrus Rylands 457 (P52). Het bevat wat in de hedendaagse Bijbel Johannes 18:31-33, 37, 38 is en wordt bewaard in de John Rylands-bibliotheek in het Engelse Manchester. Het is het oudste handschriftfragment van de christelijke Griekse Geschriften dat nog bestaat. Veel geleerden geloven dat het omstreeks het jaar 125 is geschreven, slechts zo’n kwart eeuw na Johannes’ dood. Het verbazingwekkende is dat de tekst van het fragment bijna exact overeenkomt met die in latere handschriften. Het feit dat een zo oud exemplaar van Johannes’ evangelie al in omloop was in Egypte, waar het fragment werd ontdekt, ondersteunt de conclusie dat het goede nieuws volgens Johannes werkelijk in de eerste eeuw van onze jaartelling en door Johannes zelf werd opgetekend, zoals de Bijbel te kennen geeft. Het boek Johannes is dan ook het werk van een ooggetuige.

De apocriefe geschriften daarentegen dateren allemaal op zijn vroegst uit de tweede eeuw, honderd jaar of langer nadat de gebeurtenissen die ze beschrijven, hadden plaatsgevonden. Sommige deskundigen willen suggereren dat de apocriefe geschriften op vroegere geschriften of overleveringen gebaseerd zijn, maar daar zijn geen bewijzen voor. De vraag is dus terecht: waaraan zou u meer geloof hechten, aan het getuigenis van ooggetuigen of dat van mensen die honderd jaar na het gebeurde  hebben geleefd? Het antwoord ligt voor de hand. *

De Papyrus Rylands 457 (P52), een fragment van het evangelie van Johannes daterend uit de tweede eeuw, werd slechts enkele decennia na het origineel geschreven

Wat te denken van de bewering dat de Bijbelse evangeliën veranderd zijn om bepaalde verslagen over Jezus’ leven achter te houden? Is er bijvoorbeeld enig bewijs dat het evangelie van Johannes in de vierde eeuw veranderd is om de feiten te verdraaien? Voor het antwoord op die vraag moeten we in gedachte houden dat een van de voornaamste bronnen voor de hedendaagse Bijbel het uit de vierde eeuw daterende handschrift is dat bekendstaat als Vaticanus 1209. Als onze Bijbel veranderingen bevat die in de vierde eeuw zijn aangebracht, dan zouden die veranderingen in dat handschrift te zien moeten zijn. Gelukkig dateert een ander handschrift dat het grootste deel van Lukas en Johannes bevat en bekendstaat als Bodmer 14, 15 (P75), uit 175 tot 225 van onze jaartelling. Volgens deskundigen komt het qua tekst nauw overeen met Vaticanus 1209. Met andere woorden, er zijn geen grote veranderingen in de Bijbelse evangeliën aangebracht, en dat kunnen we aan de hand van Vaticanus 1209 bewijzen.

Er is geen bewijsmateriaal, documentair of anderszins, dat de tekst van Johannes of van de andere evangeliën in de vierde eeuw veranderd is. Na een verzameling handschriftfragmenten bestudeerd te hebben die gevonden zijn in Oxyrhynchus (Egypte), schrijft dr. Peter M. Head van de Universiteit van Cambridge: „Globaal genomen bevestigen deze handschriften de tekst van de grote uncialen [in grote kapitalen geschreven handschriften die op zijn vroegst uit de vierde eeuw dateren] die de basis vormt van de moderne kritische uitgaven. Niets hier vereist een radicaal nieuw inzicht in de vroege overlevering van de nieuwtestamentische tekst.”

Uit het vierde-eeuwse handschrift Vaticanus 1209 blijkt dat er tekstueel weinig in de evangeliën veranderd is

Wat kunnen we concluderen?

De vier canonieke evangeliën, Mattheüs, Markus, Lukas en Johannes, werden op zijn minst al in het midden van de tweede eeuw universeel onder christenen aanvaard. Tatianus’ veelgebruikte Diatessaron (een Grieks woord dat „door [de] vier” betekent), dat tussen 160 en 175 van onze jaartelling werd samengesteld, was alleen op de vier canonieke evangeliën gebaseerd en op geen van de gnostische ’evangeliën’. (Zie het kader  „Een vroege verdediging van de evangeliën”.) Ook opmerkenswaardig is een uitspraak van Irenaeus uit de late tweede eeuw. Hij betoogde dat er vier evangeliën moesten zijn, omdat ’de wereld vier hemelstreken heeft en vier hoofdwinden’. Hoewel zijn vergelijkingen vragen oproepen, onderschrijft zijn stelling het denkbeeld dat er destijds slechts vier canonieke evangeliën waren.

Wat blijkt uit al die feiten? Dat de christelijke Griekse Geschriften — met inbegrip van de vier evangeliën — zoals we die nu hebben, vanaf de tweede eeuw grotendeels onveranderd zijn gebleven. Er is geen krachtige reden om te geloven dat er in de vierde eeuw een samenzwering was om enig deel van de door God geïnspireerde Geschriften te veranderen of achter te houden. De Bijbelgeleerde Bruce Metzger schreef integendeel: „Tegen het einde van de tweede  eeuw (...) werd er onder de zeer verschillende en verstrooide gemeenten van gelovigen in niet alleen het hele Middellandse Zeegebied maar ook in een gebied dat zich uitstrekte van Groot-Brittannië tot Mesopotamië, een hoge mate van eensgezindheid over het grootste deel van het Nieuwe Testament bereikt.”

De apostelen Paulus en Petrus hielden de waarheid van Gods Woord hoog. Beiden waarschuwden hun medechristenen krachtig tegen het aanvaarden of geloven van iets anders dan wat hun geleerd was. Paulus schreef bijvoorbeeld aan Timotheüs: „O Timotheüs, behoed wat u is toevertrouwd en keer u af van de holle klanken waardoor wat heilig is geweld wordt aangedaan, en van de tegenstrijdigheden der valselijk zo genoemde ’kennis’. Door met zulk een kennis te geuren, zijn sommigen van het geloof afgeweken.” Petrus getuigde: „Neen, niet door kunstig verzonnen onware verhalen te volgen, hebben wij u bekend gemaakt met de kracht en tegenwoordigheid van onze Heer Jezus Christus, maar doordat wij ooggetuigen van zijn luister waren geworden” (1 Timotheüs 6:20, 21; 2 Petrus 1:16).

Eeuwen geleden schreef de profeet Jesaja onder inspiratie: „Het groene gras is verdord, de bloesem is verwelkt; maar wat het woord van onze God betreft, het zal tot onbepaalde tijd blijven” (Jesaja 40:8). We kunnen hetzelfde vertrouwen hebben dat Hij die de heilige geschriften heeft geïnspireerd, ze ook door de eeuwen heen heeft bewaard, opdat „alle soorten van mensen worden gered en tot een nauwkeurige kennis van de waarheid komen” (1 Timotheüs 2:4).

^ par. 3 ’Gnostisch’ en ’apocrief’ komen van Griekse woorden die op respectievelijk „geheime kennis” en „zorgvuldig verborgen” kunnen slaan. De termen worden gebruikt voor twijfelachtige of niet-canonieke geschriften die pogen de evangeliën, Handelingen en brieven en de openbaringen in de canonieke boeken van de christelijke Griekse Geschriften na te bootsen.

^ par. 11 Nog een probleem als het om de apocriefe geschriften gaat, is dat er heel weinig exemplaren van bewaard zijn gebleven. Van het Evangelie van Maria Magdalena, dat eerder zijdelings ter sprake kwam, bestaan nog slechts twee kleine fragmenten en een langer fragment, waaraan vermoedelijk de helft van de oorspronkelijke tekst ontbreekt. Bovendien vertonen de beschikbare handschriften aanzienlijke variaties.