Toegankelijkheidsinstelling

Search

Taal selecteren

Doorgaan naar secundair menu

Doorgaan naar inhoudsopgave

Doorgaan naar inhoud

Jehovah’s Getuigen

Nederlands

DE WACHTTOREN AUGUSTUS 2009

Een goede religie bevordert broederliefde

Een goede religie bevordert broederliefde

„WIE niet liefheeft, kent God niet. Want God is liefde!”, zegt de Bijbel (1 Johannes 4:8, Petrus Canisiusvertaling). Een goede religie zou daarom broederliefde moeten bevorderen.

Veel religies doen excellent werk op het gebied van ziekenzorg en de zorg voor ouderen en armen. Ze moedigen hun leden aan de raad van de apostel Johannes in praktijk te brengen, die schreef: „Als iemand over voldoende middelen beschikt, maar zijn hart sluit voor zijn broeder die hij gebrek ziet lijden, hoe kan Gods liefde dan in hem blijven? Kinderen, we moeten niet liefhebben  met mooie woorden, maar waarachtig liefhebben, met daden” (1 Johannes 3:17, 18, Groot Nieuws Bijbel).

Wat gebeurt er echter als er oorlog uitbreekt? Geldt Gods gebod om ’uw naaste lief te hebben als uzelf’ alleen in vredestijd en kan het worden genegeerd als een land besluit de strijd aan te binden met een buurland? — Mattheüs 22:39, Statenvertaling.

Jezus zei: „Aan jullie liefde voor elkaar zal iedereen zien dat jullie mijn leerlingen zijn” (Johannes 13:35, De Nieuwe Bijbelvertaling). Vraag u bij het beantwoorden van de volgende vragen af: tonen de leden van de betreffende religie te allen tijde liefde voor alle mensen, en dan niet alleen met woorden maar ook met daden?

ONDERWERP: Oorlog.

WAT DE BIJBEL LEERT:

Jezus gaf zijn volgelingen de opdracht: „Ik zeg u: hebt uw vijanden lief en bidt voor wie u vervolgen!” — Mattheüs 5:44, Naardense Bijbel.

Toen soldaten Jezus kwamen arresteren, trok de apostel Petrus een wapen om hem te verdedigen. Maar Jezus zei: „Steek je zwaard weer op zijn plaats. Want allen die naar het zwaard grijpen, zullen door het zwaard omkomen” (Mattheüs 26:52, Willibrordvertaling).

Johannes schreef: „Hieraan kunt u de kinderen van God en de kinderen van de duivel onderscheiden: wie niet rechtvaardig handelt en zijn broeder niet liefheeft, is geen kind van God. Van het begin af hebt u horen verkondigen, dat we elkaar moeten liefhebben. We mogen niet zijn als Kaïn, die een kind van de duivel was en zijn eigen broer vermoordde” (1 Johannes 3:10-12, GNB).

VRAAG:

Moedigt die religie haar leden aan om deel te nemen aan oorlog?

ONDERWERP: Politiek.

WAT DE BIJBEL LEERT:

Sommigen die gezien hadden dat Jezus wonderen kon verrichten, wilden dat hij de plaatselijke politiek in ging. Hoe reageerde hij? „Omdat Jezus doorhad dat ze Hem met alle geweld gingen meenemen en tot koning uitroepen, trok Hij zich weer, geheel alleen, in het gebergte terug” (Johannes 6:15, WV).

Toen Jezus gearresteerd was en er ten onrechte van werd beschuldigd een politieke onruststoker te zijn, antwoordde hij: „Mijn koningschap hoort niet bij deze wereld. Als mijn koningschap bij deze wereld hoorde, zouden mijn dienaren wel gevochten hebben om te voorkomen dat ik aan de Joden werd uitgeleverd. Maar mijn koninkrijk is niet van hier” (Johannes 18:36, NBV).

En in een gebed tot God ten behoeve van zijn volgelingen, zei Jezus: „Ik heb hun uw boodschap doorgegeven, en de wereld haat hen omdat zij net als ik niet tot de wereld behoren” (Johannes 17:14, GNB).

 VRAAG:

Volgt die religie Jezus’ voorbeeld en vermijdt ze het in de politiek betrokken te raken, ook al betekent dit dat haar leden door sommige politici gehaat zullen worden?

ONDERWERP: Vooroordelen.

WAT DE BIJBEL LEERT:

Toen de eerste onbesneden niet-Joden christenen werden, merkte Petrus op dat „er bij God geen aanzien des persoons bestaat: iedereen die hem dient en zijn wil doet, tot welk volk hij ook behoort, is hem welgevallig” (Handelingen 10:34, 35, GNB).

Jakobus schreef aan eerste-eeuwse christenen: „Beste vrienden, nu je in Jezus Christus gelooft, onze Heer die met majesteit regeert, nu mag je niet meer op het uiterlijk van de mensen afgaan. Stel dat er een goedgekleed man met een gouden ring aan zijn vinger naar jullie vergadering komt, en ook een arme in een afgedragen pak. Als je nu tegen die man met de mooie kleren opziet en tegen hem zegt: ’Hier is nog een mooi plekje voor je,’ en tegen de arme zeg je: ’Jij moet maar blijven staan, en anders ga je maar hier op de grond zitten,’ — ga je dan niet discriminerend te werk, maak je dan geen onderscheid vanuit een heel verkeerd standpunt?” — Jakobus 2:1-4, Anne de Vries.

VRAAG:

Leert die religie dat alle mensen in Gods ogen gelijk zijn en dat haar leden niemand op basis van ras of financiële situatie mogen discrimineren?