Toegankelijkheidsinstelling

Search

Taal selecteren

Doorgaan naar secundair menu

Doorgaan naar inhoud

Jehovah’s Getuigen

Nederlands

DE WACHTTOREN DECEMBER 2008

 Om met uw kinderen te lezen

Waarom David niet bang was

Waarom David niet bang was

BEN je weleens bang? — * Bijna iedereen is weleens bang. Wat kun je dan doen? — Je kunt naar iemand toe gaan die groter en sterker is dan jij. Misschien kan je vader of moeder je helpen. We kunnen heel veel van David leren als we willen weten naar wie we toe moeten gaan voor hulp. Hij zei tegen God: ’Ik zal op u vertrouwen. Op God heb ik mijn vertrouwen gesteld; ik zal niet bang zijn.’ — Psalm 56:3, 4.

Van wie zou David geleerd hebben niet bang te zijn? Van zijn ouders? — Waarschijnlijk wel. Zijn vader, Isaï, was een getrouwe voorvader van Jezus Christus, de „Vredevorst” die door God was beloofd (Jesaja 9:6; 11:1-3, 10). Isaï’s vader, de grootvader van David, was Obed. Naar Obeds moeder is een Bijbelboek genoemd. Weet je wie dat was? — Ze heette Ruth. Ze was een gelovige vrouw, en haar man heette Boaz. — Ruth 4:21, 22.

Ruth en Boaz leefden natuurlijk allang niet meer tegen de tijd dat David geboren werd. Misschien weet je de naam van Boaz’ moeder, Davids betovergrootmoeder. Ze woonde in Jericho en hielp een paar Israëlitische verkenners. Toen de muren van Jericho instortten, zorgde ze ervoor dat haar familie beschermd werd door een rood koord uit haar raam te hangen. Hoe heette ze? — Rachab. Later ging ze Jehovah aanbidden, en ze wordt een voorbeeld voor christenen genoemd omdat ze zo moedig was. — Jozua 2:1-21; 6:22-25; Hebreeën 11:30, 31.

Davids vader en moeder hebben hem vast en zeker over al die trouwe aanbidders van Jehovah verteld, want ouders moesten die dingen aan hun kinderen vertellen (Deuteronomium 6:4-9). Op een bepaald moment zei God tegen zijn profeet Samuël dat hij David, de jongste zoon van Isaï, moest uitkiezen om later de koning van Israël te worden. — 1 Samuël 16:4-13.

Op een dag laat Isaï David eten brengen naar zijn drie oudere broers, die tegen Gods vijanden, de Filistijnen, vechten. Als David daar aankomt, rent hij naar de plek waar de soldaten staan opgesteld en hoort hij hoe de reus Goliath Gods leger bespot. Niemand durft Goliaths uitdaging aan te  nemen om tegen hem te vechten. Koning Saul hoort dat David het wel durft, en hij roept hem bij zich. Maar als Saul David ziet, zegt hij: ’Je bent nog maar een jongen.’

David vertelt Saul dat hij een leeuw en een beer gedood heeft die schapen uit zijn kudde probeerden te stelen. ’Goliath moet ook gedood worden’, zegt David. Saul antwoordt: ’Ga, en moge Jehovah met je zijn.’ David zoekt vijf gladde stenen, doet ze in zijn herderstas, pakt zijn slinger en gaat op de reus af. Als Goliath de jongen ziet aankomen, roept hij: ’Kom maar eens bij me, dan zal ik je vlees aan de vogels geven.’ David antwoordt: ’Ik kom naar je toe met de naam van Jehovah’, en dan roept hij: ’Ik zal je neerslaan.’

Dan rent David op Goliath af, neemt een steen uit zijn tas, doet hem in zijn slinger en gooit hem precies tegen Goliaths voorhoofd. Als de Filistijnen zien dat de reus dood is, zijn ze heel bang en rennen hard weg. De Israëlieten gaan ze achterna en winnen de strijd. Dit verhaal staat in 1 Samuël 17:12-54. Lees het maar eens met het hele gezin.

Als jongere ben je af en toe misschien bang om Gods geboden te gehoorzamen. Jeremia was als jongere eerst ook bang, maar God zei tegen hem: ’Wees niet bang, want ik ben met je.’ Toen was Jeremia niet bang meer en ging prediken, zoals God hem gezegd had. Als je net als David en Jeremia op Jehovah vertrouwt, kun jij ook leren om niet bang te zijn. — Jeremia 1:6-8.

^ par. 3 Als u een kind voorleest, kunt u bij het streepje even pauzeren om het kind iets te laten zeggen.