Doorgaan naar inhoud

Doorgaan naar secundair menu

Doorgaan naar inhoudsopgave

Jehovah’s Getuigen

Nederlands

De Wachttoren — studie-uitgave  |  oktober 2017

Wist je dit?

Wist je dit?

Welke Joodse gewoonte was voor Jezus de aanleiding om het afleggen van een eed te veroordelen?

ONDER de wet van Mozes was het afleggen van een eed niet onjuist en soms zelfs verplicht. Maar het werd in Jezus’ tijd zo gewoon dat de neiging bestond om praktisch alle uitspraken te bekrachtigen met een eed. Met deze lichtzinnige gewoonte wilden mensen hun uitspraken geloofwaardiger maken, maar Jezus veroordeelde dit gebruik tot twee keer toe. Hij onderwees juist: ‘Laat je ja ja zijn, en je nee nee’ (Matth. 5:33-37; 23:16-22).

Volgens het Theological Dictionary of the New Testament blijkt uit de Talmoed dat ‘de neiging van het Joodse volk om alle mogelijke uitspraken te bevestigen met een eed’ heel sterk was. Daarin wordt namelijk precies benoemd welke eden als bindend moesten worden bezien en welke niet.

Jezus was niet de enige die deze toestanden veroordeelde. De Joodse geschiedschrijver Flavius Josephus zei over een Joodse sekte: ‘Zij weigeren een eed te zweren, omdat zij dat nog erger achten dan een meineed; zij zeggen namelijk dat iemand die niet wordt geloofd tenzij hij God heeft aangeroepen, al veroordeeld is’ (De Joodse Oorlog). Het Joodse apocriefe boek dat bekendstaat als de Wijsheid van Jezus Sirach (23:11) zegt: ‘Wie veel zweert wordt een en al wetteloosheid’ (NBV Studiebijbel). Jezus veroordeelde dus de gewoonte om lichtzinnig of te pas en te onpas te zweren. Als we altijd de waarheid spreken, is het niet nodig onze woorden kracht bij te zetten door te zweren.