Doorgaan naar inhoud

Doorgaan naar secundair menu

Doorgaan naar inhoudsopgave

Jehovah’s Getuigen

Nederlands

De Wachttoren — studie-uitgave  |  oktober 2016

Wist je dit?

Wist je dit?

 Is het geloofwaardig dat in de oudheid iemand onkruid zou zaaien op het veld van een ander?

Dit afschrift uit 1468 van de Digesta van keizer Justinianus is een van de vele werken die details bevatten over juridische kwesties in de oudheid

JEZUS zei in Mattheüs 13:24-26: ‘Het koninkrijk der hemelen is gelijk geworden aan een mens die voortreffelijk zaad op zijn veld zaaide. Terwijl de mensen sliepen, kwam zijn vijand en zaaide er onkruid overheen, midden tussen de tarwe, en ging weg. Toen de halmen opschoten en vrucht voortbrachten, kwam vervolgens ook het onkruid te voorschijn.’ Verschillende schrijvers hebben in twijfel getrokken of deze illustratie wel realistisch is. Maar uit oude Romeinse juridische teksten blijkt dat het wel degelijk om een realistische situatie gaat.

Een Bijbels woordenboek zegt: ‘Uit wraak dolik op iemands veld zaaien (...) was onder de Romeinse wet strafbaar. Dat zo’n wet nodig was, duidt erop dat zulke vergrijpen vaker voorkwamen.’ In 533 n.Chr. publiceerde de Romeinse keizer Justinianus de Digesta, een verzameling van Romeinse wetten en uittreksels uit geschriften van juristen uit de periode van ongeveer 100-250 n.Chr. Volgens dat werk (Digesta 9.2.27.14) verwees de jurist Ulpianus naar een zaak die door de tweede-eeuwse Romeinse staatsman Celsus werd behandeld. Iemand had onkruid op het veld van een ander gezaaid, waardoor de oogst mislukt was. De Digesta bespreekt tot welke juridische middelen de eigenaar of pachter van het veld zich kon wenden om van de overtreder compensatie te krijgen voor de geleden schade.

Het feit dat zo’n misdrijf vroeger in het Romeinse rijk voorkwam, duidt erop dat de situatie die Jezus beschreef uit het leven was gegrepen.

Hoeveel vrijheid gaf Rome de Joodse autoriteiten in Judea in de eerste eeuw?

IN DE eerste eeuw werd Judea bestuurd door Rome, dat vertegenwoordigd werd door een stadhouder die soldaten tot zijn beschikking had. De stadhouder moest voornamelijk belastingen innen voor Rome en de vrede en orde handhaven. De Romeinen vonden het belangrijk illegale activiteiten tegen te gaan en mensen die onrust veroorzaakten voor het gerecht te brengen. Maar het dagelijkse bestuur van de provincie lieten de Romeinen graag over aan plaatselijke leiders.

Het Joodse Sanhedrin tijdens een zitting

Het Sanhedrin fungeerde als het Joodse hooggerechtshof en als bestuursraad voor zaken die de Joodse wet betroffen. Ook waren er lagere rechtbanken in heel Judea. De meeste burgerlijke zaken en strafzaken werden waarschijnlijk door zulke rechtbanken behandeld zonder tussenkomst van Romeinse bestuurders. Maar de Joodse rechtbanken hadden niet de bevoegdheid gekregen om wetsovertreders terecht te stellen; dat recht delegeerden de Romeinen over het algemeen niet. Een bekende uitzondering was het geval waarbij de leden van het Sanhedrin Stefanus berechtten en hem lieten stenigen (Hand. 6:8-15; 7:54-60).

Het Joodse Sanhedrin had dus veel bevoegdheden. Maar ‘de belangrijkste beperking’, zegt de geleerde Emil Schürer, ‘was dat de Romeinse autoriteiten op elk moment zelf konden ingrijpen en een zaak onafhankelijk konden afhandelen, bijvoorbeeld als ze een politiek delict vermoedden’. Een voorbeeld was toen de militaire bevelhebber Claudius Lysias de apostel Paulus, een Romeins burger, in hechtenis nam (Hand. 23:26-30).