Toegankelijkheidsinstelling

Search

Taal selecteren

Doorgaan naar secundair menu

Doorgaan naar inhoudsopgave

Doorgaan naar inhoud

Jehovah’s Getuigen

Nederlands

DE WACHTTOREN (STUDIE-UITGAVE) OKTOBER 2016

 LEVENSVERHAAL

Ik wilde het goede voorbeeld van anderen volgen

Ik wilde het goede voorbeeld van anderen volgen

‘Weet je wel hoe oud ik ben?’, vroeg ik. ‘Ik weet precies hoe oud je bent’, antwoordde Izak Marais, die me vanuit Patterson (New York) belde. Laat ik eens vertellen wat de aanleiding tot dat gesprek was.

IK BEN geboren op 10 december 1936 in Wichita (Kansas, VS) als oudste van vier kinderen. Mijn ouders, William en Jean, waren toegewijde aanbidders van Jehovah. Mijn vader was groepsdienaar, wat betekende dat hij in de gemeente de leiding had. Mijn moeder kende de waarheid via haar moeder, Emma Wagner. Die heeft de waarheid aan veel mensen onderwezen, onder wie aan Gertrude Steele *, die jarenlang zendelinge in Porto Rico is geweest. Ik had dus veel goede voorbeelden om me heen die ik kon volgen.

GOEDE VOORBEELDEN UIT MIJN JEUGD

Mijn vader die op de hoek van een straat staat om tijdschriften aan voorbijgangers aan te bieden

Op een zaterdagavond — ik was toen vijf — was ik met mijn vader mee om op straat De Wachttoren en Vertroosting (nu Ontwaakt!) aan te bieden. In die tijd was het land verwikkeld in de Tweede Wereldoorlog. Op een gegeven moment kwam er een dronken dokter voorbij die mijn vader begon uit te schelden voor lafaard vanwege zijn christelijke neutraliteit. Hij zei dat mijn vader de dienstplicht ontdook. Hij ging vlak voor mijn vader staan en zei: ‘Sla me dan, lafaard.’ Ik was bang maar tegelijkertijd had ik heel veel bewondering voor mijn vader, die gewoon de tijdschriften bleef aanbieden aan de mensen die erop af waren gekomen. Toen kwam er een soldaat aanlopen. De dokter schreeuwde naar hem: ‘Pak die lafaard!’ De soldaat kon zien dat de man dronken was, dus hij zei tegen hem: ‘Ga naar huis om je roes uit te slapen!’ Ze gingen beiden weg. Ik ben Jehovah dankbaar voor de moed die hij mijn vader heeft gegeven. Hij had twee herenkapperszaken in Wichita, en de dokter was een van zijn klanten.

Met mijn ouders, op weg naar een congres in Wichita in de jaren veertig

Toen ik acht was, verkochten mijn ouders hun huis en kapperszaken, bouwden een kleine woonwagen en verhuisden naar Colorado om te dienen waar de behoefte groter was. We gingen in de buurt van Grand Junction wonen, waar mijn ouders gingen pionieren en parttime op het land en in de  veehouderij gingen werken. Dankzij Jehovah’s zegen en hun ijverige werk werd er een gemeente opgericht. Op 20 juni 1948 werd ik in een beekje in de bergen door mijn vader gedoopt. Ook anderen die de waarheid hadden aanvaard werden toen gedoopt, onder wie Billie Nichols en zijn vrouw. Zij gingen later in de kringdienst, en hun zoon en zijn vrouw ook.

We hadden veel vrienden die zich volledig inzetten voor het Koninkrijk, met wie we vaak opbouwende geestelijke gesprekken hadden. Vooral leden van de familie Steele — Don en Earlene, Dave en Julia, en Si en Martha — hebben veel invloed gehad op mijn leven. Hun voorbeeld leerde me dat als je het Koninkrijk op de eerste plaats in je leven stelt, je leven echt betekenis krijgt en je gelukkig wordt.

IK VERHUIS OPNIEUW

Toen ik 19 was, stelde een vriend, Bud Hasty, voor om samen in het zuiden van de VS te gaan pionieren. De kringopziener vroeg ons om naar Ruston (Louisiana) te verhuizen, waar veel Getuigen inactief waren geworden. Hij zei dat we elke week alle vergaderingen moesten houden, ongeacht het aantal aanwezigen. We vonden een geschikte vergaderplaats en knapten die op. We hielden alle vergaderingen, hoewel we soms maar met ons tweeën waren. We deden om de beurt een aandeel, en de ander gaf dan alle antwoorden. Als we een demonstratie moesten houden, stonden we allebei op het podium terwijl er niemand in de zaal zat! Later begon een oudere zuster de vergaderingen te bezoeken. Uiteindelijk gingen enkele Bijbelstudenten en sommige inactieve broeders en zusters de vergaderingen bijwonen, en algauw was er een bloeiende gemeente.

Op een dag spraken we met een voorganger van de Church of Christ, die het over Bijbelteksten had die ik niet kende. Daar schrok ik best wel van, en ik ging serieuzer nadenken over wat ik geloofde. Een week lang zocht ik tot in de kleine uurtjes antwoorden op de vragen die hij had gesteld. Dat hielp me om me de waarheid eigen te maken, en ik kon niet wachten om weer met een voorganger te praten.

Kort daarna vroeg de kringopziener me om naar El Dorado (Arkansas) te verhuizen om daar de gemeente te ondersteunen. Vandaaruit moest ik regelmatig terug naar Colorado om voor de dienstplichtcommissie te verschijnen. Toen ik tijdens een van die ritten samen met een paar andere pioniers reisde, kregen we een ongeluk waarbij mijn auto behoorlijke schade opliep. We belden een broeder,  die ons eerst naar zijn huis bracht en daarna naar de vergadering. Daar werd een mededeling gedaan over ons ongeluk, en de broeders en zusters gaven ons vriendelijk financiële steun. Ook kon de broeder mijn auto voor 25 dollar verkopen.

We konden een lift krijgen naar Wichita, waar ‘Doc’ McCartney pionierde, een goede vriend van ons gezin. Zijn zoons, Frank en Francis, een tweeling, zijn nog steeds heel goede vrienden van me. Ik kon van hen een oude auto kopen voor 25 dollar, precies het bedrag dat ik had gekregen voor mijn kapotte auto. Dat was de eerste keer dat ik duidelijk zag dat Jehovah precies gaf wat ik nodig had omdat ik het Koninkrijk op de eerste plaats stelde. Tijdens dat bezoek stelden de McCartneys me voor aan een knappe zuster die goed in de waarheid was: Bethel Crane. Haar moeder Ruth, een ijverige Getuige in Wellington (Kansas), bleef pionieren tot ze in de 90 was. Bethel en ik trouwden nog geen jaar later, in 1958. Samen gingen we in El Dorado pionieren.

GEWELDIGE TOEWIJZINGEN

We dachten na over het goede voorbeeld van mensen met wie we waren opgegroeid, en dat motiveerde ons om alles te doen wat Jehovah’s organisatie ons zou vragen. We werden als speciale pioniers toegewezen aan Walnut Ridge (Arkansas). In 1962 werden we tot onze grote vreugde uitgenodigd om de 37ste klas van Gilead bij te wonen. We waren blij verrast toen bleek dat Don Steele in dezelfde klas zat. Na de graduatie werden Bethel en ik toegewezen aan Nairobi (Kenia). Met een brok in de keel verlieten we New York, maar dat gevoel verdween direct toen we op de luchthaven van Nairobi door onze broeders en zusters werden verwelkomd!

In de velddienst in Nairobi, met Mary en Chris Kanaiya

We gingen al snel van Kenia houden en genoten van de velddienst daar. Onze eerste Bijbelstudenten die in de waarheid kwamen, waren Chris en Mary Kanaiya, die nu nog steeds getrouw als volletijddienaren in Kenia dienen. Een jaar later werden we gevraagd om naar Kampala (Oeganda) te gaan. We waren de eerste zendelingen in dat land. Het was een prachtige tijd. Heel veel mensen wilden graag de Bijbelse waarheid leren kennen en werden onze broeders en zusters. Maar na drieënhalf jaar keerden we terug naar de VS omdat er een kindje op komst was. Op de dag dat we uit Afrika vertrokken, was de brok in onze keel nog groter dan toen we uit New York vertrokken. We waren echt van de mensen daar gaan houden en hoopten er ooit nog eens terug te komen.

EEN NIEUWE TOEWIJZING

We verhuisden naar het westen van Colorado, waar mijn ouders woonden. Niet lang daarna werd onze eerste dochter, Kimberly, geboren en 17 maanden later kwam Stephany. We namen onze nieuwe toewijzing als ouders heel serieus en namen ons voor om onze prachtige dochters liefde voor de waarheid bij te brengen. We wilden hun net zo’n goed voorbeeld geven als wijzelf hadden gehad. Maar het was ontnuchterend te bedenken dat een goed voorbeeld, hoe nuttig ook, geen garantie is dat kinderen later Jehovah gaan dienen. Mijn broertje en een van mijn zussen waren met de waarheid gestopt. Ik hoop dat ze ooit opnieuw de goede voorbeelden zullen navolgen die ook zij hebben gekregen.

 We hadden veel plezier in het opvoeden van onze dochters en deden veel dingen samen. Omdat we in de buurt van het wintersportgebied Aspen woonden, leerde het hele gezin skiën, zodat we dat af en toe samen konden doen. De ritjes in de skilift waren mooie gelegenheden om met de meisjes te praten. Ook gingen we weleens kamperen, en bij het kampvuur hadden we dan de leukste gesprekken. Hoewel ze nog jong waren, kwamen ze met vragen als: ‘Wat zal ik doen als ik groot ben?’ en ‘Met wat voor man ga ik later trouwen?’ We deden ons best om onze dochters Bijbelse normen bij te brengen. We moedigden ze aan om de volletijddienst als doel te stellen en om te trouwen met iemand die hetzelfde doel heeft. We probeerden ze ook te laten begrijpen dat het het beste is om niet te jong te trouwen. We zeiden vaak: ‘Stay free until you are at least twenty-three’ (trouw niet voor je 23ste).

We deden net als onze ouders veel moeite om de vergaderingen bij te wonen en regelmatig als gezin in de velddienst te gaan. Ook lieten we volletijddienaren bij ons thuis logeren. En we vertelden vaak over het geweldige leven dat we als zendelingen hadden gehad. We zeiden tegen onze dochters dat we hoopten ooit met z’n vieren naar Afrika te gaan. Ze reageerden daar heel enthousiast op.

We lieten de gezinsstudie altijd doorgaan. Vaak speelden we situaties na die op school zouden kunnen voorkomen. De meisjes moesten de rol van de Getuige spelen en vragen beantwoorden. Ze vonden het leuk om op die manier te oefenen, en het gaf ze zelfvertrouwen. Toen ze ouder werden, hadden ze niet altijd zin in de gezinsstudie. Eén keer was ik daar zo gefrustreerd over dat ik ze naar hun kamer stuurde en zei dat de gezinsstudie niet doorging. Ze schrokken daar zo van dat ze begonnen te huilen en zeiden dat ze wél wilden studeren. Toen beseften we dat we ze waardering hadden bijgebracht voor geestelijke zaken. Ze gingen steeds meer van de studie genieten en voelden zich vrij om te zeggen wat ze dachten. We vonden het niet altijd makkelijk als ze zeiden dat ze het met een bepaald aspect van de waarheid niet eens waren, maar we kwamen er daardoor wel achter wat er in hun hart leefde. We redeneerden met ze, waardoor ze Jehovah’s manier van denken gingen begrijpen.

NOG MEER VERANDERINGEN

De jaren dat we bezig waren met de opvoeding van onze dochters vlogen voorbij. We deden ons best om ze met de hulp en leiding van Jehovah’s organisatie liefde voor Jehovah bij te brengen. Wat waren we blij toen ze allebei na de middelbare school gingen pionieren en leerden hoe ze in hun eigen onderhoud konden voorzien. Ze verhuisden samen met twee andere zusters naar Cleveland (Tennessee) om te dienen waar de behoefte groter was. Hoewel we ze ontzettend misten, waren we blij dat ze voor de volletijddienst hadden gekozen. Bethel en ik gingen ook weer pionieren, wat andere mooie voorrechten met zich meebracht. We gingen in de vervangende kringdienst en deden werk voor congressen.

Voordat onze dochters naar Tennessee verhuisden, maakten ze een reisje naar Londen. Ze bezochten daar het bijkantoor, waar Stephany, die toen 19 was, kennismaakte met Paul Norton, een jonge Betheliet. Tijdens een volgend uitje leerde Kimberly een collega van hem kennen: Brian Llewellyn. Paul en Stephany trouwden, maar nadat Stephany 23 was geworden. Het jaar erop trouwden Brian en Kimberly, toen Kimberly 25 was. Ze trouwden dus niet voor hun 23ste! En we vonden het geweldig dat ze allebei zo’n goede huwelijkspartner hadden uitgekozen.

Met Paul, Stephany, Kimberly en Brian in 2002 op het bijkantoor van Malawi

Onze dochters hebben weleens gezegd dat ons voorbeeld en dat van hun grootouders ze hebben geholpen Jezus’ gebod te gehoorzamen om ‘eerst het koninkrijk te zoeken’, zelfs als ze het financieel moeilijk hadden (Matth. 6:33). In april 1998 werden Paul en Stephany uitgenodigd voor de 105de klas van Gilead. Daarna kregen ze de toewijzing om in Malawi (Afrika) te dienen. In dezelfde periode werden Brian en Kimberly uitgenodigd om te dienen op Bethel in Londen. Later werden ze overgeplaatst naar Bethel in Malawi. Wat waren we gelukkig, want er is geen betere manier waarop jongeren hun leven kunnen gebruiken.

 OPNIEUW EEN GEWELDIGE UITNODIGING

In januari 2001 kreeg ik het telefoontje waar ik het in het begin over had. Broeder Marais, de opziener van Translation Services, zei dat de broeders een cursus voor een beter begrip van het Engels organiseerden voor vertalers over de hele wereld. Ze wilden mij, op m’n 64ste, opleiden tot een van de leraren. Bethel en ik baden erover en bespraken het met onze moeders. Die wilden allebei dat we zouden gaan, hoewel ze al op leeftijd waren en we niet bij ze in de buurt zouden zijn. Ik belde dus terug en zei dat we ons heel graag beschikbaar wilden stellen voor dit prachtige voorrecht.

Toen kreeg mijn moeder te horen dat ze kanker had. Ik zei tegen haar dat we zouden blijven en mijn zus Linda zouden helpen met de zorg. ‘Geen sprake van’, zei mijn moeder. ‘Als jullie niet zouden gaan, zou ik me alleen maar beroerder voelen.’ Linda dacht er ook zo over. Wat hadden we veel waardering voor hun zelfopofferende instelling en voor de hulp van broeders en zusters in de omgeving! De dag nadat we waren vertrokken naar het Wachttoren-Onderwijscentrum in Patterson, belde Linda ons op om te vertellen dat mijn moeder was overleden. Zoals mijn moeder het zou hebben gewild, stortten we ons op ons nieuwe werk.

Tot onze verrassing mochten we beginnen met lesgeven op het bijkantoor in Malawi, waar onze dochters met hun echtgenoten dienden. Een heerlijke reünie! Later gaf ik les in Zimbabwe en daarna in Zambia. Na drieënhalf jaar werden we gevraagd om terug te gaan naar Malawi om de ervaringen te documenteren van de Getuigen die waren vervolgd vanwege hun christelijke neutraliteit. *

Samen met onze kleindochters in de velddienst

In 2005 gingen Bethel en ik, opnieuw met een brok in de keel, terug naar Basalt (Colorado), waar we gingen pionieren. In 2006 kwamen Brian en Kimberly naast ons wonen om hun twee dochters, Mackenzie en Elizabeth, groot te brengen. Paul en Stephany dienen nog steeds in Malawi, waar Paul lid is van het bijkantoorcomité. Ik ben nu bijna 80 en ik ben blij te zien dat jongere mannen met wie ik heb samengewerkt, de verantwoordelijkheden overnemen die ik had. Onze vreugde is grotendeels te danken aan de goede voorbeelden die we hebben gehad, en wij proberen goede voorbeelden te zijn voor onze kinderen en kleinkinderen.

^ ¶5 In De Wachttoren van 15 juni 1958, blz. 360-363 en 15 juni 1971, blz. 379-384 kun je meer lezen over het zendingswerk van verschillende leden van de familie Steele.

^ ¶30 Zie bijvoorbeeld het levensverhaal van Trophim Nsomba in De Wachttoren van 15 april 2015, blz. 14-18.