Toegankelijkheidsinstelling

Search

Taal selecteren

Doorgaan naar secundair menu

Doorgaan naar inhoudsopgave

Doorgaan naar inhoud

Jehovah’s Getuigen

Nederlands

DE WACHTTOREN (STUDIE-UITGAVE) MAART 2017

 LEVENSVERHAAL

Ik heb veel gehad aan de omgang met ‘wijzen’

Ik heb veel gehad aan de omgang met ‘wijzen’

HET was een frisse ochtend in Brookings (South Dakota, VS). Het koude seizoen zat er duidelijk aan te komen. Het zal je misschien verbazen dat we op die dag met een klein groepje stonden te koukleumen in een onverwarmde stal. We stonden voor een drinkbak voor vee die gedeeltelijk gevuld was met koud water. Ik zal je vertellen waarom.

MIJN JEUGDJAREN

Oom Alfred en mijn vader

Ik ben geboren op 7 maart 1936 als jongste van vier kinderen. We woonden op een kleine boerderij in het oosten van South Dakota. Het boerenbestaan was belangrijk voor ons, maar niet het belangrijkst. Mijn ouders hadden zich in 1934 laten dopen als Getuigen van Jehovah. Ze hadden Jehovah beloofd dat ze in hun leven prioriteit zouden geven aan het doen van zijn wil. Mijn vader, Clarence, en later mijn oom, Alfred, diende als groepsdienaar (nu coördinator van het lichaam van ouderlingen genoemd) in onze kleine gemeente in Conde.

De velddienst en het bezoeken van vergaderingen waren onderdeel van de routine die we als gezin hadden. Het voorbeeld van mijn ouders en hun onderwijs hadden een diepgaande invloed op ons als kinderen. Mijn zus Dorothy en ik werden verkondiger toen we zes waren. In 1943 schreef ik me in voor een nieuw onderdeel van onze vergaderingen: de theocratische bedieningsschool.

In 1952 in de pioniersdienst

Congressen en kringvergaderingen waren een belangrijk onderdeel van ons leven. Ik herinner me nog goed het congres in Sioux Falls (South Dakota) in 1949, waar broeder Grant Suiter de lezing ‘Het is later dan u denkt!’ uitsprak. Hij benadrukte dat alle opgedragen christenen hun leven moesten gebruiken om het goede nieuws van  Gods opgerichte Koninkrijk bekend te maken. Dat motiveerde mij om me aan Jehovah op te dragen. En dus stond ik tijdens de eerstvolgende kringvergadering, op 12 november 1949 in Brookings, in de koude stal waar ik het in het begin over had, te wachten om gedoopt te worden. De grote stalen drinkbak was het ‘doopbassin’, waarin ik en nog drie anderen gedoopt werden.

Daarna werd de pioniersdienst mijn doel. Ik begon met pionieren op 1 januari 1952, toen ik 15 was. De Bijbel zegt: ‘Hij die met wijzen wandelt, zal wijs worden’ en er waren veel ‘wijzen’ in mijn familie die mijn beslissing om te gaan pionieren ondersteunden (Spr. 13:20). Oom Julius, die toen 60 was, werd mijn pionierspartner. Ondanks ons leeftijdsverschil hadden we samen veel plezier in de dienst. Door zijn levenservaring leerde ik veel praktische wijsheden. Kort daarna ging ook Dorothy pionieren.

PERSOONLIJKE BELANGSTELLING VAN KRINGOPZIENERS

In mijn jeugd hebben mijn ouders veel kringopzieners en hun vrouwen uitgenodigd om bij ons te logeren. Een echtpaar aan wie ik veel heb gehad, was Jesse en Lynn Cantwell. Mede door hun aanmoediging ben ik gaan pionieren. Door hun persoonlijke belangstelling kreeg ik echt het verlangen theocratische doelen te stellen. Als ze naar gemeenten in de buurt gingen, vroegen ze me soms mee in de velddienst. Dat vond ik echt leuk en aanmoedigend!

Bud Miller en zijn vrouw, Joan, was het volgende echtpaar dat in onze kring diende. Ik was toen 18 en werd opgeroepen om in militaire dienst te gaan. De plaatselijke dienstplichtcommissie nam een beslissing over mij die me, naar mijn mening, niet in staat stelde politiek neutraal te blijven, zoals Jezus zijn volgelingen had geboden. En ik wilde het goede nieuws van het Koninkrijk prediken (Joh. 15:19). Ik verzocht de dienstplichtcommissie om me als predikant aan te merken.

Broeder Miller bood aan om mee te gaan naar de hoorzitting van de dienstplichtcommissie. Dat deed me echt goed. Hij was van nature absoluut niet verlegen en liet zich niet gauw intimideren. Ik voelde me enorm gesterkt met een man naast me van dat kaliber, die zo geestelijk ingesteld  was! De uitkomst was dat de dienstplichtcommissie me in de nazomer van 1954 als predikant aanmerkte. Dat opende voor mij de mogelijkheid om een ander theocratisch doel te bereiken.

Als nieuweling op de Wachttorenboerderij

Rond die tijd kreeg ik een uitnodiging voor Betheldienst op de Wachttorenboerderij op Staten Island (New York). Daar heb ik drie jaar mogen werken. Dat was een geweldige tijd, want ik heb daar veel ‘wijzen’ ontmoet met wie ik mocht samenwerken.

BETHELDIENST

Bij WBBR, samen met broeder Franz

Op de boerderij op Staten Island bevond zich ook het radiostation WBBR, dat door Jehovah’s Getuigen van 1924 tot 1957 werd gebruikt. Er werkten maar 15 tot 20 Bethelieten op de boerderij. De meesten van ons waren jong en nogal onervaren. Maar gelukkig hadden we Eldon Woodworth, een oudere gezalfde broeder. Hij was echt een wijs man. Zijn vaderlijke belangstelling voor ons had in geestelijk opzicht een stabiliserende uitwerking. Als onvolmaaktheden soms voor wat problemen zorgden, zei hij altijd: ‘Wat is het toch verbazingwekkend wat de Heer allemaal bereikt heeft als je bedenkt waar hij mee moet werken.’

Harry Peterson was enorm ijverig in de prediking

Ook hadden we het grote voorrecht broeder Frederick W. Franz bij ons te hebben. Zijn wijsheid en diepgaande kennis van de Bijbel hadden een positieve invloed op de groep, en hij had persoonlijke belangstelling voor ons allemaal. Onze kok was broeder Papargyropoulos, maar omdat dat lastig uit te spreken was, werd hij Harry Peterson genoemd. Broeder Peterson was ook gezalfd. Hij had enorm veel ijver voor de dienst; hij deed zijn werk op Bethel goed, maar ging daarnaast ook volop in de velddienst. Hij verspreidde elke maand honderden tijdschriften. Ook bezat hij een schat aan Bijbelkennis, en hij beantwoordde veel van onze vragen.

WIJZE ZUSTERS

De opbrengst van de boerderij, per jaar zo’n 45.000 potten groente en fruit, werd ter plekke ingemaakt. Daar at dan de hele Bethelfamilie van. Ik had het voorrecht met Etta Huth samen te werken, een wijze zuster. Zij was verantwoordelijk voor de recepten die we gebruikten. Bij het  inmaken van de groente en het fruit kwamen plaatselijke zusters helpen. Etta hielp bij het organiseren van hun werk. Hoewel ze bij het werk een sleutelrol speelde, had ze respect voor de broeders die het opzicht over de boerderij hadden. Zo was ze voor mij een uitstekend voorbeeld van onderworpenheid aan theocratische leiding.

Met Angela en Etta Huth

Angela Romano was een van de jonge zusters die mee kwam helpen met dit werk. Etta had Angela begeleid toen ze in de waarheid kwam. Zo ontmoette ik dus nog een wijze zuster, met wie ik nu al 58 jaar ‘wandel’. Angie en ik trouwden in april 1958, en we hebben samen veel voorrechten gehad. Door de jaren heen is Angie’s onvoorwaardelijke trouw aan Jehovah een bron van kracht in ons huwelijk geweest. Ik kan blind op haar vertrouwen, wat er ook op ons pad komt.

ZENDINGSWERK EN REIZENDE DIENST

Toen in 1957 het radiostation WBBR verkocht werd, ging ik korte tijd op Bethel in Brooklyn werken. Daarna trouwde ik met Angie en ging dus van Bethel. Ongeveer drie jaar lang pionierden we op Staten Island. Ik heb zelfs een poosje voor de nieuwe eigenaren van het radiostation gewerkt, dat toen WPOW heette.

Angie en ik waren vastbesloten ons leven eenvoudig te houden, zodat we konden dienen waar we maar nodig waren. In 1961 konden we dan ook de toewijzing aanvaarden om als speciale pioniers te dienen in Falls City (Nebraska). Maar al gauw werden we uitgenodigd voor de Koninkrijksbedieningsschool, in die tijd een cursus van een maand in South Lansing (New York). We genoten van die opleiding. We dachten dat we daarna terug zouden gaan naar Nebraska. Wat waren we verbaasd toen we een nieuwe toewijzing kregen: zendingsdienst in Cambodja! De exotische landschappen, geluiden en geuren in dat prachtige land in Zuidoost-Azië waren compleet nieuw voor ons. Wat hadden we zin om daar te gaan prediken.

Maar het politieke klimaat sloeg om en we werden overgeplaatst naar Zuid-Vietnam. Helaas kreeg ik na twee jaar ernstige gezondheidsproblemen, en we moesten terug naar de VS. Toen ik na een tijdje genoeg was aangesterkt, konden we de volletijddienst weer oppakken.

Met Angela in 1975, vlak voor een tv-interview

In maart 1965 gingen we in de reizende dienst. Angie en ik hebben 33 jaar lang genoten van de kring- en districtsdienst, en we hebben ook veel werk voor congressen mogen doen. Congressen waren altijd al hoogtepunten voor me geweest, dus ik vond het geweldig dat ik mocht meehelpen bij het organiseren ervan. We hebben enkele jaren in de omgeving van de stad New York gediend en veel van de congressen werden in het Yankee Stadium gehouden.

BETHEL EN THEOCRATISCHE SCHOLEN

Angie en ik hebben door de jaren heen verschillende nieuwe en uitdagende toewijzingen gekregen. In 1995 bijvoorbeeld werd me gevraagd les te geven op de Bedienarenopleidingsschool. Drie jaar later werden we uitgenodigd om te komen dienen op Bethel, de plek waar 40 jaar eerder mijn speciale volletijddienst begon. Wat was  het heerlijk om terug te zijn. Ik heb een tijdje op de Dienstafdeling gewerkt, en ook als leraar op een aantal scholen. In 2007 plaatste het Besturende Lichaam de scholen die op Bethel gehouden werden onder een nieuwe afdeling: de afdeling Theocratische Scholen. Ik had het voorrecht een aantal jaren opziener van die afdeling te zijn.

De afgelopen jaren zijn er in verband met de theocratische scholen veel veranderingen geweest. In 2008 begon de School voor Gemeenteouderlingen. In twee jaar tijd kwamen meer dan 12.000 ouderlingen naar Patterson en Brooklyn om die school bij te wonen. Nu wordt die school op andere locaties gehouden door bekwame veldleraren. In 2010 kreeg de Bedienarenopleidingsschool een nieuwe naam: de Bijbelschool voor Ongehuwde Broeders. Ook werd er een nieuwe school gevormd: de Bijbelschool voor Echtparen.

Vanaf het dienstjaar 2015 werden die twee scholen samengevoegd tot de School voor Koninkrijkspredikers, waar zowel echtparen als ongehuwde broeders en zusters naartoe mogen. Veel broeders en zusters over de hele wereld vonden het geweldig dat de school in hun eigen land gehouden zou worden. Het is mooi om te zien dat nu meer mensen de mogelijkheid hebben om een van deze scholen bij te wonen. Ik ben ontzettend dankbaar dat ik al veel mensen heb ontmoet die zich beschikbaar hebben gesteld om naar een van deze scholen te gaan.

Als ik terugkijk op mijn leven, vanaf het moment dat ik voor die grote drinkbak stond tot nu toe, dan ben ik Jehovah dankbaar voor de ‘wijzen’ van wie ik zo veel geleerd heb. Sommigen hadden niet dezelfde leeftijd of culturele achtergrond als ik, maar het waren geestelijk ingestelde mensen. Hun diepe liefde voor Jehovah was duidelijk te merken aan hun houding en daden. In Jehovah’s organisatie zijn veel wijzen met wie we kunnen wandelen. Ik heb dat gedaan, en ik heb er veel aan gehad!

Ik vind het heel leuk om studenten van over de hele wereld te ontmoeten