Toegankelijkheidsinstelling

Search

Taal selecteren

Doorgaan naar secundair menu

Doorgaan naar inhoudsopgave

Doorgaan naar inhoud

Jehovah’s Getuigen

Nederlands

DE WACHTTOREN (STUDIE-UITGAVE) MAART 2016

Doe je best om de praktische, emotionele en geestelijke behoeften van je broeders en zusters te begrijpen

Kun je in je eigen gemeente helpen?

Kun je in je eigen gemeente helpen?

VOORDAT hij naar de hemel opsteeg, zei Jezus tegen zijn discipelen: ‘Gij zult getuigen van mij zijn (...) tot de verst verwijderde streek der aarde’ (Hand. 1:8). Hoe zouden ze die overweldigende taak kunnen uitvoeren?

Martin Goodman, hoogleraar aan de Universiteit van Oxford, zegt dat ‘zendingsdrang de christenen in het vroege Romeinse Rijk onderscheidde van andere religieuze groeperingen, waaronder de joden.’ Jezus reisde van de ene plaats naar de andere om te prediken. Ware christenen moesten zijn voorbeeld volgen en ‘het goede nieuws van het koninkrijk Gods’ overal prediken. Ze moesten op zoek gaan naar mensen die de Bijbelse waarheid wilden weten (Luk. 4:43). Dit is een van de redenen waarom de eerste-eeuwse christelijke gemeente ‘apostelen’ had, een woord dat duidt op personen die worden uitgezonden (Mark. 3:14). Jezus gaf zijn volgelingen de opdracht: ‘Gaat daarom en maakt discipelen van mensen uit alle natiën’ (Matth. 28:18-20).

De 12 apostelen zijn nu niet meer op aarde, maar veel aanbidders van Jehovah hebben wel een zendingsgeest. Op de uitnodiging om hun dienst uit te breiden, reageren ze net als Jesaja: ‘Hier ben ik! Zend mij’ (Jes. 6:8). Sommige broeders en zusters zijn naar verre landen verhuisd, zoals de duizenden afgestudeerden van Gilead. Anderen zijn binnen hun land naar een andere streek verhuisd. Velen hebben een andere taal geleerd om anderstalige gemeenten en groepen te ondersteunen. Zulke broeders en zusters waren misschien niet in de meest ideale omstandigheden en misschien was het niet altijd makkelijk. Ze hadden een zelfopofferende houding  nodig om hun liefde voor Jehovah en hun naaste te tonen. Ze hebben de kosten berekend en offers gebracht om te helpen (Luk. 14:28-30). Broeders en zusters die zulke stappen doen, voorzien in hulp waar anderen echt iets aan hebben.

Maar omstandigheden verschillen. Niet iedereen kan verhuizen naar waar de behoefte groter is of een nieuwe taal leren. Kun je misschien in je eigen gemeente laten zien dat je een zendingsgeest hebt?

WEES EEN ZENDELING IN JE EIGEN GEMEENTE

Gebruik je huidige omstandigheden goed om anderen de hulp te geven die ze nodig hebben

De eerste-eeuwse christenen hadden duidelijk een zendingsgeest, maar waarschijnlijk bleven de meesten gewoon in hun eigen woonplaats. Toch gold de aansporing aan Timotheüs ook voor hen, en voor al Gods aanbidders: ‘Doe het werk van een evangelieprediker, volbreng uw bediening ten volle’ (2 Tim. 4:5). Het gebod om de Koninkrijksboodschap te prediken en discipelen te maken geldt voor alle christenen, waar ze ook wonen. Bovendien kunnen we zelfs in onze eigen gemeente op veel verschillende manieren als een zendeling zijn.

Zendelingen in het buitenland moeten zich bijvoorbeeld aan nieuwe omstandigheden aanpassen. Veel dingen in een nieuwe toewijzing zijn heel anders dan wat ze gewend waren. Maar hoe zit het met ons? Als we niet kunnen verhuizen naar waar de behoefte groter is, moeten we dan concluderen dat we alles al weten over het gebied waarin wij prediken? Of kunnen we nieuwe manieren proberen om mensen te bereiken? In 1940 werden broeders en zusters bijvoorbeeld aangemoedigd om een dag per week in te plannen voor straatgetuigenis. Kun jij dat ook doen? Of wat dacht je van getuigenis geven met lectuurstands? Waar het om gaat is: sta je open voor zulke methoden, ook als ze nieuw voor je zijn?

Moedig anderen aan ‘het werk te doen van een evangelieprediker’

Als we voor verschillende methoden openstaan, zal dat ons helpen om ijverig en enthousiast in de dienst te zijn. Degenen die zich beschikbaar stellen om te dienen waar de behoefte groter is of om te dienen in een anderstalige gemeente, zijn in veel gevallen bekwame verkondigers. Ze kunnen dan ook veel voor anderen betekenen, bijvoorbeeld door de leiding te nemen in de velddienst. Bovendien nemen zendelingen vaak de leiding in gemeenteregelingen totdat plaatselijke broeders het stokje kunnen overnemen. Als jij een gedoopte broeder bent, streef je er dan naar om de broeders en zusters  in je gemeente te dienen als dienaar of ouderling? — 1 Tim. 3:1.

WORD ‘EEN VERSTERKENDE HULP’

Geef praktische hulp

Er zijn nog andere manieren om je gemeente te helpen. Iedereen — jong of oud, man of vrouw — kan ‘een versterkende hulp’ worden voor geloofsgenoten die het moeilijk hebben (Kol. 4:11).

Om onze broeders en zusters te kunnen helpen, moeten we ze goed kennen. De Bijbel geeft de raad om ‘op elkaar te letten’ als we bij elkaar komen (Hebr. 10:24). Dus hoewel we ons niet met andermans zaken bemoeien, moeten we wel ons best doen om onze geloofsgenoten te begrijpen en te weten wat hun behoeften zijn — op praktisch, emotioneel en geestelijk gebied. Het helpen van broeders en zusters is niet uitsluitend de verantwoordelijkheid van ouderlingen of dienaren. Natuurlijk kunnen er situaties zijn waarbij de hulp moet komen van zulke aangestelde broeders (Gal. 6:1). Maar over het algemeen kunnen we allemaal hulp bieden aan degenen die het moeilijk hebben. Bijvoorbeeld aan oudere broeders en zusters of gezinnen die een moeilijke tijd doormaken.

Geef emotionele steun aan degenen die te maken hebben met de zorgen van het leven

Neem het voorbeeld van Salvatore. Hij kreeg te maken met zware financiële tegenslagen, waardoor hij zijn bedrijf, zijn huis en veel bezittingen van het gezin moest verkopen. Hij vroeg zich af hoe ze nu verder moesten. Een ander gezin in de gemeente zag dat ze het moeilijk hadden en gaf de juiste hulp. Ze gaven financiële steun, hielpen Salvatore en zijn vrouw met het zoeken naar werk en brachten veel avonden met het hele gezin door om naar ze te luisteren en ze aan te moedigen. Er ontstond een hechte vriendschap. Ondanks de stress in die periode hebben beide gezinnen mooie herinneringen aan de tijd die ze samen hebben doorgebracht.

Voor ware christenen is geloof geen privé-aangelegenheid. Net zoals Jezus moeten we anderen over de prachtige Bijbelse beloften vertellen. Of we nu wel of niet kunnen verhuizen, we kunnen allemaal ons best doen om goed te zijn voor iedereen. En dat kan zeker ook in de gemeente waar we op dit moment dienen (Gal. 6:10). Als we dat doen zullen we de vreugde van het geven ervaren, en het zal ons helpen om ‘in ieder goed werk vrucht te blijven dragen’ (Kol. 1:10; Hand. 20:35).