Doorgaan naar inhoud

Doorgaan naar secundair menu

Doorgaan naar inhoudsopgave

Jehovah’s Getuigen

Nederlands

De Wachttoren — studie-uitgave  |  juni 2017

Kijk jij verder dan het uiterlijk?

Kijk jij verder dan het uiterlijk?

DON, een Getuige van Jehovah in Canada, doet speciaal moeite om met mensen te praten die op straat leven. Over een van die mensen vertelt hij: ‘Een dakloze man die Peter heette was een van de meest vieze mensen die ik ooit op straat had gezien. Hij was een vervelende man die mensen altijd van zich af wist te stoten. Mensen hadden hem herhaaldelijk hulp aangeboden, maar hij sloeg die steeds af.’ Maar Don deed moeite om geduldig en vriendelijk te blijven, en hij besteedde 14 jaar lang af en toe aandacht aan deze dakloze man.

Op een dag vroeg Peter aan Don: ‘Waarom kom je elke keer naar me toe? Anderen laten me ook gewoon met rust. Waarom jij niet?’ Don probeerde tactvol Peters hart te raken en gebruikte daarbij drie Bijbelteksten. Eerst vroeg hij hem of hij wist dat God een naam heeft en liet hem die naam toen zelf lezen in Psalm 83:18. Daarna liet hij hem Romeinen 10:13, 14 lezen om te laten zien waarom hij steeds bij hem kwam. Daar staat dat ‘ieder die de naam van Jehovah aanroept, gered zal worden’. Tot slot las hij Mattheüs 9:36 voor en vroeg Peter daarna om het nog een keer voor zichzelf te lezen. In dat vers staat: ‘Bij het zien van de scharen had [Jezus] medelijden met hen, omdat zij gestroopt en heen en weer gedreven waren als schapen zonder herder.’ Toen Peter dat had gelezen, vroeg hij met tranen in zijn ogen: ‘Ben ik één van die schapen?’

Peter begon te veranderen. Hij waste zich, knipte zijn baard netjes bij en deed de nette kleren aan die hij van Don had gekregen. En hij bleef er voortaan netjes uitzien.

Peter hield een dagboek bij. Het begin van zijn dagboek was somber, maar later veranderde de toon. Op één bladzijde stond: ‘Vandaag heb ik Gods naam leren kennen. Als ik nu bid, bid ik tot Jehovah. Het is prachtig om zijn  naam te weten. Don zegt dat Jehovah een vriend van me kan worden, iemand die altijd tijd heeft om naar me te luisteren, waar het ook over gaat.’

Aan het eind van zijn dagboek richtte Peter zich tot zijn broer en zus. Hij schreef:

‘Ik voel me vandaag niet goed. Ik denk dat ik niet lang meer te leven heb. Maar zelfs als dit mijn laatste dag is, weet ik dat ik mijn vriend [Don] in het paradijs weer zal zien. Als jullie dit lezen, ben ik er niet meer. Maar als je op mijn uitvaart een man ziet die er niet bij lijkt te horen, praat dan met hem, en lees alsjeblieft dit blauwe boekje *. Daarin staat dat ik mijn vriend in het paradijs weer zal zien — iets waar ik echt van overtuigd ben. Liefs van jullie broer, Peter.

Na de begrafenis vertelde Ummi, de zus van Peter: ‘Ongeveer twee jaar geleden nam Peter contact met me op. Voor het eerst in jaren leek hij gelukkig. Hij had zelfs een glimlach op zijn gezicht.’ Ze zei tegen Don: ‘Ik ga dat boek lezen, want als het mijn broer heeft kunnen raken, moet het wel heel speciaal zijn.’ Ummi aanvaardde ook het aanbod om met een Getuige over het recentere boek Wat leert de bijbel echt? te praten.

Ook wij willen graag verder kijken dan het uiterlijk, echte liefde tonen en geduldig zijn met alle soorten mensen (1 Tim. 2:3, 4). Wellicht kunnen we dan mensen bereiken als Peter, mensen die er op het oog misschien niet zo aantrekkelijk uitzien maar wel een goed hart hebben. Je kunt er zeker van zijn dat God, die ‘ziet hoe het hart is’, de waarheid in het hart van zulke mensen zal laten groeien (1 Sam. 16:7; Joh. 6:44).

^ ¶7 De waarheid die tot eeuwig leven leidt, een Bijbelstudiehulpmiddel dat Peter jaren daarvoor had gekregen (uitgegeven door Jehovah’s Getuigen; nu niet meer leverbaar).