Toegankelijkheidsinstelling

Search

Taal selecteren

Doorgaan naar secundair menu

Doorgaan naar inhoudsopgave

Doorgaan naar inhoud

Jehovah’s Getuigen

Nederlands

DE WACHTTOREN (STUDIE-UITGAVE) JANUARI 2017

Vertrouw het werk toe aan betrouwbare mannen

Vertrouw het werk toe aan betrouwbare mannen

‘De dingen die gij van mij gehoord hebt (...) vertrouw die toe aan getrouwe mensen, die op hun beurt voldoende bekwaam zullen zijn om anderen te onderwijzen.’ — 2 TIM. 2:2.

LIEDEREN: 123, 53

1, 2. Hoe bezien veel mensen hun werk?

VOOR veel mensen bepaalt hun werk hoe ze over zichzelf denken. Ze laten hun gevoel van eigenwaarde afhangen van de functie die ze hebben. In sommige culturen is een van de eerste vragen die mensen stellen als ze kennis met elkaar maken: ‘Wat voor werk doe je?’

2 De Bijbel beschrijft sommige personen aan de hand van hun beroep. Er wordt gesproken over ‘Mattheüs de belastinginner’, ‘Simon, een leerlooier’ en ‘Lukas, de geliefde geneesheer’ (Matth. 10:3; Hand. 10:6; Kol. 4:14). Anderen stonden bekend om hun theocratische toewijzing of voorrecht. Bijvoorbeeld koning David, de profeet Elia en de apostel Paulus. Die mannen vonden het werk dat ze van God hadden gekregen heel kostbaar. Ook wij moeten waardering hebben voor elk geestelijk voorrecht dat we krijgen.

3. Waarom moeten oudere broeders jongere broeders opleiden? (Zie beginplaatje.)

3 Velen houden van het werk dat ze voor Jehovah mogen  doen en zouden er niet mee willen stoppen. Maar helaas worden we allemaal ouder, waardoor we minder kunnen doen dan toen we nog jong waren (Pred. 1:4). Gods volk heeft in deze tijd te maken met unieke uitdagingen. Ons werk is qua omvang gegroeid en is complexer geworden. Nieuwe projecten brengen nieuwe werkwijzen met zich mee — wat vaak het gebruik van nieuwe technologieën inhoudt. Sommige ouderen vinden het misschien moeilijk om bij te blijven met al deze ontwikkelingen (Luk. 5:39). En zelfs als dat niet zo is, hebben jongeren vaak meer kracht en energie dan ouderen (Spr. 20:29). Daarom is het liefdevol en praktisch als oudere broeders jongere broeders voorbereiden op grotere verantwoordelijkheden. (Lees Psalm 71:18.)

4. Waarom vinden sommigen het moeilijk om te delegeren? (Zie het kader ‘ Waarom sommigen niet delegeren’.)

4 Broeders die door hun positie een mate van autoriteit hebben, zouden het moeilijk kunnen vinden hun werk aan jongeren te delegeren. Sommigen willen hun dierbare voorrecht niet kwijtraken. Anderen zijn bang de controle te verliezen; ze denken dat jongere broeders het werk minder goed kunnen. Weer anderen denken dat ze geen tijd hebben om een ander op te leiden. Tegelijkertijd moeten jongere broeders niet ongeduldig worden als ze geen grotere verantwoordelijkheden krijgen.

5. Welke vragen gaan we in dit artikel bespreken?

5 In dit artikel bespreken we het onderwerp delegeren vanuit het perspectief van oudere broeders en ook van jongere broeders. Hoe kunnen ouderen jongeren helpen meer verantwoordelijkheden op zich te nemen, en waarom is dat belangrijk? (2 Tim. 2:2) En waarom is het belangrijk dat jongere broeders een goede instelling hebben als ze ervaren broeders ondersteunen en van hen leren? We gaan eerst kijken hoe koning David zijn zoon hielp een belangrijk werk op zich te nemen.

DAVID ONDERSTEUNDE SALOMO

6. Wat wilde David doen, maar hoe reageerde Jehovah hierop?

6 David moest jarenlang vluchten voor  zijn leven. Later werd hij koning en ging in een mooi huis wonen. Maar hij vond het heel erg dat er geen aan Jehovah opgedragen huis of tempel was. Daarom wilde hij er een bouwen. Hij zei tegen de profeet Nathan: ‘Zie, ik woon in een huis van ceders, maar de ark van het verbond van Jehovah staat onder tentkleden.’ Nathan antwoordde: ‘Doe al wat in uw hart is, want de ware God is met u.’ Maar Jehovah dacht er anders over. Hij liet Nathan tegen David zeggen: ‘Niet gij zult mij het huis bouwen om in te wonen.’ Hoewel Jehovah David er liefdevol van verzekerde dat hij hem zou blijven zegenen, wilde Hij dat Davids zoon Salomo de tempel zou bouwen. Hoe reageerde David hierop? — 1 Kron. 17:1-4, 8, 11, 12; 29:1.

7. Hoe reageerde David op Jehovah’s beslissing?

7 David had heel graag een tempel voor Jehovah willen bouwen, dus hij zal misschien wel teleurgesteld zijn geweest. Toch gaf hij zijn volledige steun aan het project. Hij organiseerde ijverig werkgroepen en verzamelde ijzer, koper, goud, zilver en cederhout. Hij maakte zich niet druk om wie de eer zou krijgen voor het bouwen van de tempel, die later bekend kwam te staan als de tempel van Salomo. En hij moedigde Salomo aan met de woorden: ‘Welnu, mijn zoon, moge Jehovah met u blijken te zijn, en gij moet succesvol bevonden worden en het huis van Jehovah, uw God, bouwen, juist zoals hij betreffende u gesproken heeft’ (1 Kron. 22:11, 14-16).

8. Waarom had David kunnen denken dat Salomo niet geschikt was voor zo’n groot project, maar wat deed hij?

8 Lees 1 Kronieken 22:5. David had kunnen denken dat Salomo zo’n groots project niet zou kunnen leiden. De tempel moest namelijk ‘alles overtreffend’ zijn en Salomo was op dat moment ‘jong en teer’. Maar David wist dat Jehovah Salomo zou helpen bij het werk. Daarom focuste David zich op wat hij kon doen om het werk te ondersteunen.

OPLEIDEN GEEFT VOLDOENING

Het is mooi om te zien dat jongere mannen grotere verantwoordelijkheden op zich nemen (Zie alinea 9)

9. Illustreer waarom het voldoening kan geven verantwoordelijkheden over te dragen.

9 Oudere broeders hoeven niet ontmoedigd te raken als het nodig wordt hun taken over te dragen aan jongere broeders. Het is alleen maar beter voor het werk als jongeren worden opgeleid. Het geeft echt voldoening als je als aangestelde broeder anderen goed hebt opgeleid zodat ze het werk kunnen overnemen. Denk eens aan een vader en een zoon. Als kind kijkt het zoontje hoe zijn vader autorijdt. Als de zoon wat ouder wordt, legt zijn vader uit wat hij precies doet tijdens het autorijden. Heeft de zoon eenmaal zijn rijbewijs gehaald, dan rijden ze om beurten waarbij de vader nog wat tips kan geven. Maar als de vader op leeftijd komt, zal zijn zoon steeds vaker achter het stuur zitten. Op een gegeven moment zal misschien alleen de zoon rijden. De vader is  blij dat zijn zoon het kan overnemen en heeft niet het gevoel dat hij de controle moet houden. Zo kunnen oudere broeders er trots op zijn als ze jongeren opgeleid hebben om theocratische verantwoordelijkheden over te nemen.

10. Hoe dacht Mozes over eer en autoriteit?

10 Als ouderen moeten we ervoor oppassen niet jaloers te worden. Merk op hoe Mozes reageerde toen sommigen in het kamp van Israël zich als profeten gingen gedragen. (Lees Numeri 11:24-29.) Jozua, Mozes’ dienaar, wilde ze tegenhouden. Hij dacht misschien dat Mozes’ positie en autoriteit erdoor ondermijnd werden. Maar Mozes antwoordde: ‘Zijt gij soms jaloers om mij? Neen, ik wenste wel dat allen van Jehovah’s volk profeten waren, want Jehovah zou zijn geest op hen leggen!’ Mozes zag de hand van Jehovah in wat er gebeurde. Hij hoefde zelf geen eer, maar wilde juist dat iedereen van het volk geestelijke gaven zou krijgen. Zijn wij, net als Mozes, niet blij als anderen voorrechten krijgen die wij misschien ook hadden kunnen krijgen?

11. Wat zei een broeder over de verandering van zijn toewijzing?

11 In deze tijd zijn er veel voorbeelden van broeders die zelf tientallen jaren keihard hebben gewerkt, maar ook anderen hebben opgeleid om meer verantwoordelijkheden op zich te nemen. Neem Peter. Hij is al meer dan 74 jaar in de volletijddienst, waarvan 35 jaar op een bijkantoor in Europa. Tot voor kort was hij opziener van de Dienstafdeling. Nu is die verantwoordelijkheid overgenomen door Paul, een jongere broeder die enkele jaren met hem heeft samengewerkt. Toen aan Peter werd gevraagd wat hij daarvan vond, zei hij: ‘Ik ben zo blij dat er broeders zijn die opgeleid zijn om grotere verantwoordelijkheden op zich te nemen en die je het werk echt kunt toevertrouwen.’

HEB WAARDERING VOOR DE OUDEREN ONDER ONS

12. Wat kunnen we leren van het Bijbelverslag over Rehabeam?

12 Toen Salomo stierf, werd zijn zoon Rehabeam koning. Toen Rehabeam advies nodig had over hoe hij iets het best kon aanpakken, vroeg hij eerst de oudere mannen om raad. Maar hij deed daar niets mee. In plaats daarvan volgde hij het advies op van de jongere mannen met wie hij was opgegroeid en die nu zijn dienaren waren. De gevolgen waren rampzalig (2 Kron. 10:6-11, 19). De les? Het is voor jongere broeders verstandig om oudere, ervaren broeders om raad te vragen en die raad serieus te nemen. Hoewel ze niet het gevoel hoeven te hebben dat ze vastzitten aan de manier waarop dingen altijd gedaan werden, moeten ze de raad van ouderen niet te snel aan de kant schuiven.

13. Hoe moeten jongere broeders samenwerken met oudere broeders?

13 Sommige jongere broeders moeten nu misschien de leiding nemen bij bepaald werk, en het kan zijn dat ook oudere broeders onder hun leiding vallen. Het zou verstandig zijn als ze de wijsheid en ervaring van die broeders gebruiken bij het nemen van beslissingen. Paul, die Peter verving als opziener van de Dienstafdeling op Bethel, zegt: ‘Ik nam de tijd om Peter om advies te vragen, en ik moedigde anderen op de afdeling aan hetzelfde te doen.’

14. Wat leren we van de samenwerking tussen Timotheüs en Paulus?

14 Timotheüs was een stuk jonger dan de apostel Paulus. Ze hebben jarenlang samengewerkt. (Lees Filippenzen 2:20-22.) Paulus schreef aan de Korinthiërs: ‘Ik zend Timotheüs naar u toe, daar  hij mijn geliefd en trouw kind is in de Heer, en hij zal u mijn methoden in verband met Christus Jezus in herinnering brengen, zoals ik overal in elke gemeente onderwijs’ (1 Kor. 4:17). Uit deze uitspraak blijkt hoe nauw Paulus en Timotheüs met elkaar samenwerkten. Paulus had de tijd genomen om Timotheüs zijn ‘methoden in verband met Christus’ te leren. Timotheüs stond daarvoor open en de twee kregen een hechte band. Paulus was ervan overtuigd dat Timotheüs goed in de geestelijke behoeften van de broeders en zusters in Korinthe kon voorzien. Wat een mooi voorbeeld voor ouderlingen in deze tijd, die andere broeders in de gemeente opleiden.

EEN BELANGRIJKE TAAK VOOR ONS ALLEMAAL

15. Hoe kan Paulus’ raad aan de christenen in Rome ons helpen als veranderingen in Jehovah’s organisatie ons persoonlijk raken?

15 We leven in spannende tijden. Het aardse deel van Jehovah’s organisatie groeit in verschillende opzichten, waardoor veranderingen noodzakelijk zijn. Als veranderingen jou persoonlijk raken, blijf dan nederig en blijf je focussen op Jehovah’s belangen, niet op je eigen belangen. Dat bevordert de eenheid. Paulus schreef aan de christenen in Rome: ‘Ik zeg tot een ieder onder u, niet meer van zichzelf te denken dan nodig is, maar met een gezond verstand te denken, een ieder naar de mate van geloof die God hem heeft toebedeeld. Want evenals wij in één lichaam vele leden hebben, maar de leden niet alle dezelfde functie hebben, zo zijn wij, hoewel velen, één lichaam in eendracht met Christus’ (Rom. 12:3-5).

16. Wat kunnen oudere broeders, jongere broeders en echtgenotes doen om de vrede en eenheid onder Jehovah’s volk te bewaren?

16 Laten we dus allemaal ons best doen om de belangen van Jehovah’s Koninkrijk te bevorderen, wat onze omstandigheden ook zijn. Oudere broeders, help jongeren om te kunnen doen wat jij doet. Jongere broeders, aanvaard de verantwoordelijkheden die je krijgt, wees bescheiden en blijf respectvol tegenover ouderen. En echtgenotes, volg het voorbeeld van Aquila’s vrouw, Priskilla, die trouw met haar man meeging en hem ondersteunde toen hun omstandigheden veranderden (Hand. 18:2).

17. Welk vertrouwen had Jezus in zijn volgelingen, en voor welk werk leidde hij ze op?

17 Wat betreft het opleiden van anderen is er geen beter voorbeeld dan Jezus. Hij wist dat er een eind zou komen aan zijn bediening op aarde en dat anderen zijn werk zouden voortzetten. Hoewel zijn volgelingen onvolmaakt waren, had hij vertrouwen in ze. Hij zei dat ze grotere werken zouden doen dan hij (Joh. 14:12). Hij gaf ze een goede opleiding, en ze maakten het goede nieuws inderdaad op grotere schaal bekend dan hij had gedaan (Kol. 1:23).

18. Welke vooruitzichten hebben we, en wat kunnen we nu doen?

18 Na zijn dood werd Jezus opgewekt, en in de hemel kreeg hij meer werk te doen; hij kreeg autoriteit ‘hoog boven elke regering en autoriteit en kracht en heerschappij’ (Ef. 1:19-21). Als wij vóór Armageddon in getrouwheid komen te overlijden, zullen we worden opgewekt in een rechtvaardige nieuwe wereld. Daar zal genoeg voldoening gevend werk voor ons zijn. Maar nu is er een belangrijk werk waar we allemaal aan mee kunnen doen: het prediken van het goede nieuws en het maken van discipelen. Laten we dus allemaal ons best doen om ‘altijd volop te doen te hebben in het werk van de Heer’ (1 Kor. 15:58).