Toegankelijkheidsinstelling

Search

Taal selecteren

Doorgaan naar secundair menu

Doorgaan naar inhoudsopgave

Doorgaan naar inhoud

Jehovah’s Getuigen

Nederlands

DE WACHTTOREN (STUDIE-UITGAVE) FEBRUARI 2017

 LEVENSVERHAAL

We hebben Gods onverdiende goedheid op veel manieren ervaren

We hebben Gods onverdiende goedheid op veel manieren ervaren

ALS godvrezend man wilde mijn vader, Arthur, methodistisch predikant worden. Maar dat veranderde toen hij lectuur van de Bijbelonderzoekers ging lezen en met ze begon om te gaan. Hij werd in 1914 gedoopt, toen hij 17 was. De Eerste Wereldoorlog was begonnen, en hij werd opgeroepen voor militaire dienst. Omdat hij weigerde wapens te dragen, werd hij veroordeeld tot een gevangenisstraf van tien maanden in de Kingstongevangenis in Ontario (Canada). Na zijn vrijlating werd hij colporteur (pionier).

In 1926 trouwde mijn vader met Hazel Wilkinson. Haar moeder had de waarheid in 1908 leren kennen. Ik werd geboren op 24 april 1931, als tweede van vier kinderen. Ons leven draaide om de waarheid. Mijn vader had diep respect voor de Bijbel, en daardoor ontwikkelden we een waardering voor Gods Woord die altijd bleef. Regelmatig gingen we als gezin van huis tot huis (Hand. 20:20).

NEUTRAAL BLIJVEN EN PIONIEREN, NET ALS MIJN VADER

In 1939 brak de Tweede Wereldoorlog uit. Het jaar erop werd het werk van Jehovah’s Getuigen in Canada verboden. Op openbare scholen werd de vlag gegroet en het volkslied gezongen. Mijn oudste zus, Dorothy, en ik mochten tijdens die patriottische ceremonies de klas uit. Maar op een dag probeerde mijn leraar me belachelijk te maken en noemde me een lafaard. Na schooltijd werd ik door verschillende klasgenoten uitgescholden en tegen de grond geslagen. Maar dat incident versterkte alleen maar mijn besluit om ‘God als regeerder meer te gehoorzamen dan mensen’ (Hand. 5:29).

In juli 1942, toen ik 11 was, werd ik op een boerderij in een waterreservoir gedoopt. Tijdens de jaarlijkse schoolvakanties genoot ik ervan om in de vakantiepioniersdienst (nu hulppioniersdienst) te gaan. Eén jaar ging ik met drie andere  broeders mee naar niet-toegewezen gebied in het noorden van Ontario om te prediken tot houthakkers die daar woonden.

Op 1 mei 1949 ging ik in de pioniersdienst. Toen werd ik uitgenodigd om te helpen bij de bouwwerkzaamheden op het bijkantoor van Canada, en op 1 december werd ik lid van de Bethelfamilie. Ik ging in de drukkerij werken en leerde om de vlakdrukpers te bedienen. Een aantal weken draaide ik nachtdiensten om mee te helpen met het drukken van een traktaat over de vervolging van Jehovah’s aanbidders in Canada.

Later, toen ik op de Dienstafdeling werkte, interviewde ik verschillende pioniers die onderweg naar hun nieuwe toewijzing in Quebec het bijkantoor bezochten; Quebec was in die tijd een broeinest van tegenstand. Eén van die pioniers was Mary Zazula uit Edmonton (Alberta). Zij en haar oudere broer, Joe, waren door hun ouders, die actief lid waren van de orthodoxe kerk, het huis uitgezet omdat ze niet met hun Bijbelstudie wilden stoppen. In juni 1951 hadden ze zich allebei laten dopen en zes maanden later waren ze met de pioniersdienst begonnen. Tijdens het interview raakte ik onder de indruk van Mary’s geestelijke instelling. Ik dacht bij mezelf: ook al weet ik nog niet alles over haar, dit zou weleens mijn toekomstige vrouw kunnen zijn. Negen maanden later, op 30 januari 1954, trouwden we. Een week na ons trouwen werden we uitgenodigd om opgeleid te worden voor de kringdienst, en de twee jaren erop dienden we in een kring in het noorden van Ontario.

Het wereldwijde predikingswerk groeide enorm, en daarom was er behoefte aan meer zendelingen. We dachten dat als we in Canada de irritante muskieten in de zomer en de ijskoude winters aankonden, we elke toewijzing wel aan zouden kunnen. In juli 1956 studeerden we af van de 27ste klas van Gilead en in november waren we in onze nieuwe toewijzing: Brazilië.

ALS ZENDELINGEN IN BRAZILIË

Toen we in Brazilië aankwamen op het bijkantoor, kwamen we voor het eerst in aanraking met de Portugese taal. Nadat we wat eenvoudige begroetingen en een tijdschriftenaanbieding van een minuut uit ons hoofd hadden geleerd, konden we mee in de velddienst. Als een huisbewoner interesse zou tonen, zouden we Bijbelteksten lezen over de zegeningen van Gods Koninkrijk. Op onze eerste dag in de velddienst trof ik een dame die aandachtig luisterde, dus las ik Openbaring 21:3, 4 voor — om vervolgens flauw te vallen! Mijn lichaam was nog niet gewend aan het hete, vochtige weer. De hitte zou een uitdaging voor me blijven.

We waren toegewezen aan de stad Campos, waar nu 15 gemeenten zijn. Toen we daar aankwamen,  waren er alleen nog maar een geïsoleerde groep en een zendelingenhuis waarin vier zusters woonden: Esther Tracy, Ramona Bauer, Luiza Schwarz en Lorraine Brookes (nu Wallen). Ik kreeg de taak om te helpen met de was en om hout te halen voor het bereiden van de maaltijden. Op een maandagavond, na de Wachttoren-studie, kwam er eens een onverwachte bezoeker langs. Mijn vrouw lag languit op de bank uit te rusten, terwijl we wat zaten na te praten over die dag. Toen ze opstond, zagen we dat er een slang onder haar kussen vandaan kwam! Dat zorgde voor nogal wat commotie, totdat ik het dier uiteindelijk gedood had.

Nadat we een jaar lang Portugees hadden geleerd, werd ik aangesteld als kringopziener. We leidden een eenvoudig leven in landelijke gebieden. Er was geen elektriciteit, we sliepen op matjes en reisden met paard en wagen. Tijdens een predikingscampagne in niet-toegewezen gebied gingen we per trein naar een stad in de bergen en huurden daar een kamer in een pension. Het bijkantoor stuurde ons 800 tijdschriften, die aankwamen op het postkantoor. We moesten heel vaak op en neer om al die tijdschriften op te halen.

In 1962 werd in heel Brazilië de Koninkrijksbedieningsschool gehouden; niet alleen voor broeders, maar ook voor zusters die in de zendingsdienst waren. Zes maanden lang reisde ik van de ene school naar de andere om les te geven — maar zonder Mary. Ik ging naar Manaus, Belém, Fortaleza, Recife en Salvador. Toen ik in Manaus was, organiseerde ik een districtscongres in het beroemde operagebouw. Maar door hevige regens was veel van het drinkwater verontreinigd en hadden we geen geschikte cafetaria (in die tijd werden er op congressen maaltijden geserveerd). Ik nam contact op met het leger. Een aardige officier was zo vriendelijk om in drinkwater te voorzien voor het hele congres. Ook stuurde hij soldaten om twee grote tenten op te zetten die dienden als keuken en cafetaria.

In de tijd dat ik weg was, predikte Mary in een zakenwijk waar geld verdienen het enige onderwerp was waarin mensen geïnteresseerd waren en niemand met haar over de Bijbel wilde praten. Het waren voornamelijk Portugezen, dus zei ze tegen sommige Bethelieten: ‘De laatste plek op aarde waar ik zou willen wonen is Portugal.’ Kort erna kwam de verrassing: we werden uitgenodigd om te dienen in Portugal! In die tijd was het werk daar verboden. Toen Mary eenmaal van de schrik was bekomen, gingen we op de uitnodiging in.

ONZE TOEWIJZING IN PORTUGAL

In augustus 1964 kwamen we aan in Lissabon. Getuigen daar waren het doelwit van vervolging door de Portugese geheime politie (PIDE).  Daarom konden we beter niet verwelkomd worden door de plaatselijke broeders en zusters en geen contact met ze hebben. We verbleven in een pension in afwachting van een verblijfsvergunning. Nadat we onze visa hadden gekregen, gingen we een appartement huren. In januari 1965 was het veilig genoeg om contact te leggen met de broeders van het bijkantoor. Wat waren we blij toen we, na vijf maanden, eindelijk weer een vergadering bezochten!

We kwamen erachter dat de politie dagelijks invallen deed in de huizen van broeders en zusters. Koninkrijkszalen werden gesloten, en daarom werden gemeentevergaderingen in particuliere huizen gehouden. Honderden Getuigen moesten op politiebureaus komen, waar ze zich moesten identificeren en ondervraagd werden. Ze werden mishandeld, in een poging de namen te krijgen van degenen die de vergaderingen leidden. Daarom maakten de broeders er een gewoonte van om elkaar alleen bij de voornaam, zoals José of Paulo, te noemen en de achternaam achterwege te laten. Dus deden wij dat ook.

Het was enorm belangrijk dat de broeders en zusters geestelijk voedsel zouden krijgen. Mary had de toewijzing om lectuur, zoals studieartikelen uit De Wachttoren, over te typen op een speciaal soort papier zodat er met een stencilmachine kopieën van konden worden gemaakt.

HET GOEDE NIEUWS VERDEDIGEN VOOR DE RECHTER

In juni 1966 werd er in Lissabon een bijzondere rechtszaak gevoerd. Alle 49 leden van de gemeente Feijó waren voor de rechter gesleept voor het bezoeken van een illegale bijeenkomst in een particulier huis. Ik bereidde ze voor op de rechtszaak en het verhoor, door de rol van de openbaar aanklager te spelen. We wisten dat we de zaak zouden verliezen, maar beseften dat we een geweldig getuigenis konden geven. Onze advocaat besloot moedig zijn verdediging met de woorden van Gamaliël uit de eerste eeuw (Hand. 5:33-39). De rechtszaak haalde het nieuws. De 49 Getuigen kregen gevangenisstraffen variërend van 45 dagen tot vijf en een halve maand. We zijn blij dat onze moedige advocaat een Bijbelstudie aanvaardde en dat hij, voordat hij stierf, vergaderingen bezocht.

In december 1966 werd ik aangesteld als bijkantooropziener, en ik besteedde veel tijd aan juridische kwesties. Er werd veel gedaan om vrijheid van aanbidding voor Jehovah’s Getuigen te verkrijgen (Fil. 1:7). Eindelijk, op 18 december 1974, werden we wettelijk erkend. Nathan Knorr en Frederick Franz van het internationale hoofdkantoor kwamen naar Portugal om te delen in onze vreugde op een historische bijeenkomst in Porto en Lissabon, met een gezamenlijk aanwezigenaantal van 46.870.

 Jehovah had de deur geopend voor toename op verschillende eilanden waar Portugees wordt gesproken, waaronder São Tomé en Príncipe, de Azoren, Madeira en Kaapverdië. Daardoor hadden we een groter bijkantoor nodig. Op 23 april 1988 kwam Milton Henschel het bijkantoor inwijden voor een enthousiast publiek van 45.522 mensen. Het was hartverwarmend dat 20 broeders en zusters die als zendeling in Portugal hadden gediend, terugkwamen om dat historische evenement bij te wonen.

WE LEERDEN VAN ANDEREN

Door de jaren heen heeft de omgang met trouwe broeders ons leven enorm verrijkt. Ik leerde een belangrijke les toen ik met broeder Theodore Jaracz samenwerkte tijdens een zonebezoek. Het bijkantoor dat we bezochten, had met een lastige kwestie te maken. De leden van het bijkantoorcomité hadden alles gedaan wat ze konden. Broeder Jaracz stelde ze gerust en zei: ‘Nu is het tijd om de heilige geest aan het werk te laten.’ Jaren geleden bezochten Mary en ik Brooklyn, en we brachten een avond door met broeder Franz en een paar anderen. Toen hem aan het eind van de avond werd gevraagd nog iets te zeggen over zijn vele jaren in Jehovah’s dienst, zei hij: ‘Mijn raad is: blijf wat er ook gebeurt dicht bij Jehovah’s zichtbare organisatie. Het is de enige organisatie die het werk doet dat Jezus heeft geboden — het goede nieuws van Gods Koninkrijk prediken!’

Dat hebben Mary en ik ook altijd gedaan, en het heeft ons heel gelukkig gemaakt. We hebben warme herinneringen aan de zonebezoeken die we aan bijkantoren hebben gebracht. Die bezoeken gaven ons de gelegenheid om aan jong en oud onze waardering te tonen voor hun trouwe dienst. We konden ze ook aanmoedigen hun speciale voorrecht om Jehovah te dienen, te koesteren.

De jaren zijn voorbij gevlogen. We zijn nu allebei in de 80, en Mary heeft veel gezondheidsproblemen (2 Kor. 12:9). Beproevingen hebben ons geloof gelouterd en ons besluit om trouw te blijven versterkt. Als we terugkijken op ons leven, beseffen we heel goed dat we Jehovah’s onverdiende goedheid op heel veel manieren hebben ervaren. *

^ ¶29 Terwijl dit artikel werd gereedgemaakt voor publicatie, is Douglas Guest op 25 oktober 2015 in getrouwheid gestorven.