Doorgaan naar inhoud

Doorgaan naar secundair menu

Doorgaan naar inhoudsopgave

Jehovah’s Getuigen

Nederlands

De Wachttoren — studie-uitgave  |  april 2017

Houd je aan je geloften

Houd je aan je geloften

‘Gij moet uw geloften aan Jehovah betalen.’ — MATTH. 5:33.

LIEDEREN: 124, 51

1. (a) Wat hadden Jefta en Hanna met elkaar gemeen? (Zie beginplaatjes.) (b) Welke vragen gaan we in dit artikel bespreken?

HIJ was een moedige leider; zij een onderworpen echtgenote. Hij was een dappere strijder; zij een nederige huisvrouw. Je zou zeggen dat rechter Jefta en Elkana’s vrouw Hanna weinig met elkaar gemeen hadden, behalve dat ze dezelfde God aanbaden. Toch was dat niet het enige. Ze stonden beiden onder een gelofte. Een gelofte die ze aan God hadden afgelegd en waaraan ze zich ook hielden. Ze zijn geweldige voorbeelden voor iedereen in deze tijd die ervoor kiest om een gelofte aan Jehovah af te leggen. Maar wat is een gelofte? Hoe serieus moet je een gelofte aan God nemen? Wat kunnen we van Jefta en Hanna leren?

2, 3. (a) Wat is een gelofte? (b) Wat zegt de Bijbel over geloften aan God?

2 Een gelofte, zoals het woord in de Bijbel wordt gebruikt, is een plechtige belofte aan God. Iemand belooft dan iets specifieks te doen, een geschenk te geven, een bepaalde vorm van dienst op zich te nemen of zich van bepaalde dingen te onthouden. Geloften worden uit eigen vrije wil afgelegd. Toch zijn ze in Gods ogen heilig en bindend, omdat een gelofte evenveel kracht bezit als een eed — een gezworen verklaring, waarbij iemand belooft iets specifieks te doen of juist te laten (Gen. 14:22, 23; Hebr. 6:16, 17). Wat zegt de Bijbel over hoe serieus je een gelofte aan God moet nemen?

 3 De Wet van Mozes zegt: ‘Ingeval een man een gelofte aan Jehovah doet of een eed zweert (...) mag hij zijn woord niet breken. Overeenkomstig alles wat zijn mond is uitgegaan, dient hij te handelen’ (Num. 30:2). Later schreef Salomo de geïnspireerde woorden: ‘Telkens wanneer gij een gelofte aan God doet, aarzel niet die te betalen, want er is geen behagen in de verstandelozen. Wat gij plechtig belooft, betaal dat’ (Pred. 5:4). En Jezus zei: ‘Gij hebt gehoord dat er tot hen die in de oudheid leefden, werd gezegd: “Gij moogt niet zweren zonder uw eed gestand te doen, maar gij moet uw geloften aan Jehovah betalen”’ (Matth. 5:33).

4. (a) Hoe moeten we een gelofte aan God bezien? (b) Welke vragen gaan we over Jefta en Hanna bespreken?

4 Het is duidelijk dat we geloften aan God niet licht moeten opvatten. De manier waarop we met onze geloften omgaan, heeft effect op onze band met Jehovah. David schreef: ‘Wie mag de berg van Jehovah bestijgen, en wie mag er opstaan in zijn heilige plaats?’ David gaf zelf het antwoord: iedereen die niet vals heeft gezworen bij Jehovah’s leven, die niet ‘bedrieglijk een eed heeft afgelegd’ (Ps. 24:3, 4; vtn.). Welke geloften deden Jefta en Hanna, en was het makkelijk voor ze om zich eraan te houden?

ZE HIELDEN ZICH AAN HUN GELOFTE

5. Welke gelofte deed Jefta, en wat gebeurde er?

5 Jefta hield zich aan wat hij Jehovah had beloofd toen hij tegen de Ammonieten ging strijden, die Gods volk terroriseerden (Recht. 10:7-9). Jefta wilde natuurlijk heel graag de strijd winnen en hij deed de gelofte aan Jehovah: ‘Indien gij de zonen van Ammon zonder mankeren in mijn hand geeft, moet het ook geschieden dat degene die naar buiten komt, die mij uit de deuren van mijn huis tegemoet komt wanneer ik in vrede van de zonen van Ammon terugkeer, dan aan Jehovah moet toebehoren.’ De Ammonieten werden inderdaad overwonnen. En wie kwam Jefta als eerste tegemoet lopen vanuit zijn huis? Zijn geliefde dochter. Zij zou degene zijn die aan Jehovah ging toebehoren (Recht. 11:30-34). Wat zou dat voor haar inhouden?

6. (a) Was het voor Jefta en zijn dochter makkelijk om zich aan zijn gelofte te houden? (b) Wat leer jij uit Deuteronomium 23:21, 23 en Psalm 15:4 over geloften aan God?

6 Om de gelofte van haar vader te betalen, zou Jefta’s dochter Jehovah fulltime bij het heiligdom moeten dienen. Had Jefta zijn gelofte gedaan zonder erbij na te denken? Nee, hij had waarschijnlijk kunnen weten dat zijn dochter als eerste naar buiten kon komen. Maar dat maakte het emotioneel nog niet minder zwaar. Toen Jefta haar uit het huis zag komen, ‘scheurde hij zijn kleren’ en zei dat zijn hart was gebroken. Zijn dochter ‘beweende haar maagdelijkheid’. Waarom? Jefta had geen zoon, en zijn enige dochter zou nu nooit trouwen. Ze zou hem geen kleinkinderen schenken. Zijn familienaam en erfdeel zouden niet in stand gehouden kunnen worden. Dit was echt een offer voor beiden. Maar wat vonden ze het belangrijkst? Jefta zei: ‘Ik heb mijn mond tegenover Jehovah geopend, en ik kan niet meer terug.’ En zijn dochter zei: ‘Doe met mij naar hetgeen uit uw mond is uitgegaan’ (Recht. 11:35-39). Het kwam niet bij deze loyale personen op om een gelofte aan de Allerhoogste God te breken — ook al kostte dat hun veel. (Lees Deuteronomium 23:21, 23; Psalm 15:4.)

7. (a) Welke gelofte deed Hanna, waarom, en wat gebeurde er? (b) Wat betekende Hanna’s gelofte voor Samuël? (Zie de voetnoot.)

 7 Ook Hanna hield zich aan haar gelofte aan Jehovah. Ze deed die gelofte toen ze het erg moeilijk had omdat ze onvruchtbaar was en onophoudelijk werd getreiterd (1 Sam. 1:4-7, 10, 16). Hanna stortte haar hart bij Jehovah uit en deed de gelofte: ‘O Jehovah der legerscharen, indien gij zonder mankeren de ellende van uw slavin zult aanzien en mij werkelijk zult gedenken, en gij uw slavin niet zult vergeten en uw slavin werkelijk een mannelijke nakomeling zult geven, wil ik hem aan Jehovah geven al de dagen van zijn leven, en geen scheermes zal op zijn hoofd komen’ (1 Sam. 1:11). * Jehovah verhoorde haar gebed. Ze kreeg een zoon. Wat maakte dat haar gelukkig! Maar ze vergat haar gelofte aan Jehovah niet. Toen haar baby werd geboren, zei ze: ‘Van Jehovah heb ik hem gevraagd’ (1 Sam. 1:20).

8. (a) Was het voor Hanna makkelijk om zich aan haar gelofte te houden? (b) Wat hebben Davids woorden in Psalm 61 te maken met het geweldige voorbeeld van Hanna?

8 Toen Samuël rond zijn derde geen borstvoeding meer kreeg, deed Hanna precies wat ze Jehovah beloofd had. Het kwam niet in haar op om dat niet te doen. Ze nam Samuël mee naar de hogepriester Eli bij de tabernakel in Silo en zei: ‘Met betrekking tot deze jongen heb ik gebeden dat Jehovah mijn bede die ik van hem gevraagd heb, voor mij zou inwilligen. En ik, op mijn beurt, heb hem aan Jehovah geleend. Al de dagen van zijn bestaan is hij iemand om wie een verzoek is gedaan voor Jehovah’ (1 Sam. 1:24-28). Daar, bij de tabernakel, ‘groeide de jongen Samuël bij Jehovah op’ (1 Sam. 2:21). Maar wat betekende dat voor Hanna? Ze hield zielsveel van haar zoontje, en nu kon ze niet meer elke dag bij hem zijn. Stel je voor hoe ze zich gevoeld moet hebben — hoe graag ze hem wilde knuffelen, met hem wilde spelen en voor hem wilde zorgen. Hanna zou veel dierbare momenten mislopen die elke moeder koestert terwijl ze haar kleintje ziet opgroeien. Toch had ze geen spijt van haar gelofte. Ze zei: ‘Mijn hart heeft werkelijk uitbundige vreugde in Jehovah’ (1 Sam. 2:1, 2; lees Psalm 61:1, 5, 8).

Houd jij je aan je geloften aan Jehovah?

9. Welke vragen gaan we nu bespreken?

9 Een gelofte aan God is dus een serieuze zaak. Maar wat voor geloften doen wij als christenen? En hoe serieus moeten we ze nemen?

JE OPDRACHTSGELOFTE

Opdrachtsgelofte (Zie alinea 10)

10. Wat is de belangrijkste gelofte die een christen kan doen, en wat houdt die gelofte in?

10 De belangrijkste gelofte die je als christen kunt doen, is de opdrachtsgelofte. Je belooft Jehovah dan in een persoonlijk gebed dat je je leven zult gebruiken om hem voor altijd te dienen, wat er ook gebeurt. Je cijfert jezelf weg — ‘verloochent jezelf’ — en belooft plechtig dat je Gods wil voor zult laten gaan op al het andere in je leven (Matth. 16:24). Vanaf dat moment ben je van Jehovah (Rom. 14:8). Iedereen die de opdrachtsgelofte doet, moet beseffen dat dat een serieuze zaak is. De psalmdichter zei: ‘Wat zal ik Jehovah vergelden voor al zijn weldaden jegens mij? Mijn geloften zal ik aan Jehovah betalen, ja, in het bijzijn van heel zijn volk’ (Ps. 116:12, 14).

11. Wat heb je op de dag van je doop verklaard?

11 Heb jij je aan Jehovah opgedragen en je opdracht gesymboliseerd door de waterdoop? Op de dag van je doop werd je in het bijzijn van anderen gevraagd of je  je aan Jehovah had opgedragen en of je begreep dat ‘je opdracht en doop je identificeren als een van Jehovah’s Getuigen, verbonden met Gods door de geest geleide organisatie’. Je hebt op beide vragen ja geantwoord; daarmee verklaarde je in het openbaar dat je je onvoorwaardelijk aan Jehovah had opgedragen en liet je zien dat je in aanmerking kwam voor de doop als een geordineerde dienaar van Jehovah. Wat moet je Jehovah die dag blij hebben gemaakt!

12. (a) Over welke vragen moeten we nadenken? (b) Waartoe moedigde Petrus ons aan?

12 Toch is de doop pas het begin. Vanaf dan willen we ons steeds aan onze opdracht houden door Jehovah trouw te blijven dienen. Het is daarom goed je af te vragen: Ben ik sinds mijn doop geestelijk gegroeid? Dien ik Jehovah nog steeds met heel mijn hart? (Kol. 3:23) Bid ik, lees ik de Bijbel, woon ik gemeentevergaderingen bij en ga ik zo veel mogelijk in de velddienst? Of ben ik het in sommige opzichten rustiger aan gaan doen? Petrus zei dat we aan ons geloof kennis, volharding en toewijding aan God moeten blijven toevoegen, want dat voorkomt dat we inactief worden. (Lees 2 Petrus 1:5-8.)

13. Wat moet een opgedragen, gedoopte christen beseffen?

 13 Een opdrachtsgelofte kun je niet ongedaan maken. Je kunt niet terugnemen wat je aan God hebt beloofd. Als iemand Jehovah niet meer wil dienen of niet meer als christen wil leven, kan hij niet ineens zeggen dat hij zich niet echt had opgedragen en dat zijn doop ongeldig is. * Hij heeft zich zelf voor de doop aangeboden als iemand die zich aan Jehovah heeft opgedragen. Hij zal zichzelf tegenover Jehovah en de gemeente moeten verantwoorden voor ernstige zonden die hij eventueel begaat (Rom. 14:12). Wij willen natuurlijk nooit dat er van ons gezegd kan worden: ‘De liefde die gij eerst hadt, hebt gij verlaten.’ We willen juist dat Jezus over ons kan zeggen: ‘Ik ken uw daden en uw liefde en geloof en bediening en volharding, en ik weet dat uw daden de laatste tijd meer zijn dan die van vroeger’ (Openb. 2:4, 19). Maak Jehovah dus blij en leef ijverig naar je opdrachtsgelofte!

JE HUWELIJKSGELOFTE

Huwelijksgelofte (Zie alinea 14)

14. Wat is de op één na belangrijkste gelofte die iemand kan doen, en waarom?

14 De op één na belangrijkste gelofte die iemand kan doen, is de huwelijksgelofte. Waarom? Omdat het huwelijk heilig is. Het jawoord dat de bruid en bruidegom elkaar geven, is een gelofte die ze afleggen ten overstaan van getuigen en God. In veel landen spreken Jehovah’s Getuigen een huwelijksgelofte uit waarin ze beloven elkaar te zullen liefhebben, koesteren en respecteren ‘zolang ze samen volgens Gods huwelijksregeling op aarde zullen leven’. Of nu exact die woorden worden gebruikt of niet, het jawoord is een gelofte ten overstaan van God. Vervolgens worden ze tot man en vrouw verklaard. Het is de bedoeling dat hun huwelijk een levenslange verbintenis is (Gen. 2:24; 1 Kor. 7:39). Jezus zei dan ook: ‘Wat God onder één juk heeft samengebracht, brenge geen mens vaneen’ — ook de huwelijkspartners zelf niet. Het uitgangspunt voor stellen die trouwen moet zijn dat echtscheiding geen optie is (Mark. 10:9).

15. Waarom is het niet goed om de wereldse kijk op het huwelijk over te nemen?

15 Natuurlijk is geen enkel huwelijk volmaakt. Elk huwelijk bestaat uit twee onvolmaakte mensen. Daarom zegt de Bijbel dat getrouwde mensen soms ‘verdrukking in hun vlees’ zullen hebben (1 Kor. 7:28). Helaas denken veel mensen in deze wereld te makkelijk over het huwelijk. Als er spanningen komen, geven ze het op en gaan ze bij hun huwelijkspartner weg. Maar dat is niet christelijk. Je huwelijksgelofte breken komt neer op liegen tegen Jehovah, en Jehovah haat leugenaars! (Lev. 19:12; Spr. 6:16-19) Paulus schreef: ‘Zijt gij aan een vrouw gebonden? Zoek niet langer vrij te komen’ (1 Kor. 7:27). Paulus kon dat zeggen omdat hij wist dat Jehovah het haat als iemand op een trouweloze manier een echtscheiding aangaat (Mal. 2:13-16).

16. Wat zegt de Bijbel over echtscheiding en uiteengaan?

16 Jezus zei wat de enige Bijbelse grond is voor het ontbinden van een huwelijk: als je partner overspel pleegt en jij ervoor kiest hem of haar niet te vergeven (Matth. 19:9; Hebr. 13:4). Maar hoe zit het met uiteengaan zonder een officiële echtscheiding? Ook daar is de Bijbel duidelijk over. (Lees 1 Korinthiërs 7:10, 11.) De Bijbel geeft geen gronden voor uiteengaan. Maar sommige getrouwde christenen hebben in een bepaalde situatie  reden gezien om bij hun partner weg te gaan, bijvoorbeeld wanneer een gewelddadige of afvallige partner een extreem gevaar vormde voor zijn of haar leven of geestelijke leven. *

17. Hoe kunnen echtparen hun huwelijk versterken?

17 Als iemand de ouderlingen benadert in verband met zijn of haar huwelijksproblemen, doen de ouderlingen er goed aan het echtpaar te vragen of ze kort geleden nog de film Wat is ware liefde? hebben gezien en de brochure Adviezen voor een gelukkig gezin met elkaar hebben bestudeerd. Waarom? Omdat deze hulpmiddelen de Bijbelse principes bespreken die velen hebben geholpen hun huwelijk te versterken. Eén echtpaar zegt: ‘Sinds we deze brochure bespreken, zijn we samen gelukkiger dan ooit.’ Een zuster gaf aan dat zij en haar man na 22 jaar huwelijk op het punt hadden gestaan uit elkaar te gaan. Ze vertelt: ‘We zijn allebei gedoopt, maar emotioneel zaten we totaal niet op dezelfde golflengte. De film kwam precies op tijd! Het gaat nu veel beter tussen ons.’ Ben jij getrouwd? Pas dan altijd Bijbelse principes toe. Dat zal je helpen om je met alle liefde aan je huwelijksgelofte te houden!

DE GELOFTE VAN SPECIALE VOLLETIJDDIENAREN

18, 19. (a) Waartoe hebben veel ouders hun kinderen aangemoedigd? (b) Welke gelofte leggen speciale volletijddienaren af, en wat houdt die gelofte in?

18 Wat hadden Jefta’s en Hanna’s gelofte met elkaar gemeen? Jefta’s dochter en Hanna’s zoon werden afgezonderd om speciale heilige dienst bij de tabernakel te doen. Zo’n leven heeft ze veel voldoening gegeven. In deze tijd hebben veel ouders hun kinderen aangemoedigd in de volletijddienst te gaan en helemaal op te gaan in hun dienst voor God. Zij verdienen echt een compliment! — Recht. 11:40; Ps. 110:3.

Gelofte van speciale volletijddienaren (Zie alinea 19)

19 Er zijn nu zo’n 67.000 leden van de Wereldwijde Orde van Speciale Volletijddienaren van Jehovah’s Getuigen. Sommigen dienen op Bethel, anderen doen bouwwerkzaamheden, zijn in de kringdienst, of dienen als veldleraren *, speciale pioniers, zendelingen, congreshaldienaren of Bijbelschoolfaciliteitsdienaren. Ze hebben allemaal een gelofte afgelegd: de ‘Gelofte van gehoorzaamheid en armoede’. Daarin hebben ze beloofd om alles te doen wat ze toegewezen krijgen ter bevordering van de Koninkrijksbelangen, om een eenvoudige levensstijl te hebben en om geen werelds werk te verrichten zonder toestemming. Het is hun toewijzing die speciaal is, niet zijzelf. Ze beseffen dat het belangrijk is om, zolang ze in de speciale volletijddienst zijn, zich aan hun plechtige gelofte te houden.

20. Wat moeten we ‘dag aan dag’ doen, en waarom?

20 Hoeveel van de geloften aan God die we hebben besproken, heb jij gedaan: één, twee of alle drie? Ongetwijfeld besef je hoe serieus je je geloften moet nemen (Spr. 20:25). Als iemand zich niet aan zijn woord houdt en zijn gelofte aan Jehovah breekt, dan kan dat ernstige consequenties hebben (Pred. 5:6). Laten we dus ‘voor eeuwig [Jehovah’s] naam bezingen met melodieën, om dag aan dag onze geloften te betalen’ (Ps. 61:8).

^ ¶7 Hanna’s gelofte zou betekenen dat haar kind zijn leven lang een nazireeër zou zijn. Hij zou afgezonderd, opgedragen en afgescheiden zijn voor heilige dienst (Num. 6:2, 5, 8).

^ ¶13 Gezien de stappen die de ouderlingen doen om er zeker van te zijn dat iemand in aanmerking komt voor de doop, zou het extreem zeldzaam zijn dat iemands doop ongeldig is.

^ ¶16 Zie de appendix ‘De Bijbelse kijk op echtscheiding en uiteengaan’ in het boek Blijf in Gods liefde.

^ ¶19 Veldleraren zijn broeders die lesgeven op de School voor Koninkrijkspredikers, de School voor Gemeenteouderlingen of de School voor Reizende Opzieners en hun vrouwen. Meestal worden de scholen gehouden in congreshallen, Koninkrijkszalen of gebouwen voor Bijbelscholen.