Doorgaan naar inhoud

Doorgaan naar secundair menu

Doorgaan naar inhoudsopgave

Jehovah’s Getuigen

Nederlands

De Wachttoren — studie-uitgave  |  december 2015

 LEVENSVERHAAL

Ik vond vrede met God en met mijn moeder

Ik vond vrede met God en met mijn moeder

‘WAAROM weiger je je voorouders te aanbidden?’, vroeg mijn moeder. ‘Zie je dan niet dat je aan hen je leven te danken hebt? Hoe kun je zo ondankbaar zijn? Hoe kun je de gebruiken die we al generaties lang hebben, zomaar overboord gooien? Als je onze voorouders niet eert, zeg je eigenlijk dat het allemaal onzin is wat we doen.’ Toen barstte ze in tranen uit.

Het was niets voor mijn moeder om zo te praten. Per slot van rekening had zíȷ́ geregeld dat ik Bijbelstudie kreeg, hoewel ze dat eigenlijk alleen maar had gedaan om zelf beleefd studie te weigeren. Ik had haar altijd gehoorzaamd, dus vond ik het heel moeilijk om dat nu niet te doen. Maar ik had geen andere keus, als ik Jehovah’s goedkeuring wilde. Zonder zijn kracht had ik dat niet gekund.

IK WORD CHRISTEN

Net als de meeste Japanners waren we boeddhistisch. Maar na twee maanden Bijbelstudie met Jehovah’s Getuigen was ik ervan overtuigd dat wat de Bijbel zegt waar is. Toen ik erachter kwam dat ik een hemelse Vader had, wilde ik hem heel graag leren kennen. Mijn moeder en ik vonden het leuk om te praten over wat ik had geleerd. Ik begon de vergaderingen op zondag te bezoeken. Toen ik wat meer kennis van de waarheid had gekregen, vertelde ik mijn moeder dat ik niet langer mee zou doen met boeddhistische riten. Plotseling veranderde haar houding. ‘Het is een schande als iemand in de familie geen liefde voor onze voorouders heeft’, zei ze. Ze eiste dat ik zou stoppen met de Bijbelstudie en het bezoeken van de vergaderingen. Ik had nooit gedacht dat mijn moeder dat zou zeggen. Het was alsof ze een ander mens was.

Uit Efeziërs 6 leerde ik dat Jehovah wil dat ik mijn ouders gehoorzaam. Mijn vader koos partij voor mijn moeder. Eerst redeneerde ik dat als ik naar ze zou luisteren, zij ook naar mij zouden luisteren en dat de vrede in ons gezin dan weer zou worden hersteld. Daarnaast zaten er schoolexamens aan te komen, waar ik me op moest voorbereiden. Dus zei ik tegen mijn ouders dat ik drie maanden lang niet naar de vergaderingen zou gaan. Maar ik beloofde Jehovah dat ik de vergaderingen daarna weer zou gaan bezoeken.

 Dat bleek geen goede beslissing. Ik had gedacht dat mijn gevoelens in drie maanden niet zouden veranderen. Maar al snel begon ik me geestelijk uitgehongerd te voelen, en mijn band met Jehovah werd zwakker. Ook dacht ik dat mijn ouders me wel tegemoet zouden komen, maar in plaats daarvan zetten ze me nog meer onder druk om te stoppen met alles wat met de waarheid te maken had.

HULP EN TEGENSTAND

In de Koninkrijkszaal had ik veel anderen ontmoet die ook met tegenstand in de familie te maken hadden. Ze hadden me ervan verzekerd dat Jehovah me zou helpen (Matth. 10:34-37). Ze legden uit dat ik voor mijn familie de belangrijkste schakel was om Jehovah te leren kennen. Dus begon ik intens te bidden, want ik wilde leren op Jehovah te vertrouwen.

De tegenstand nam verschillende vormen aan. Smeken, op me inpraten — mijn moeder probeerde van alles. Meestal bleef ik stil. Als ik toch iets zei, werden we vaak emotioneel, omdat we allebei ons gelijk wilden halen. Als ik meer rekening had gehouden met de gevoelens en overtuiging van mijn moeder, was dat natuurlijk beter geweest voor de sfeer. Mijn ouders gaven me steeds meer werk te doen, in een poging me thuis te houden. Soms werd ik buitengesloten of hadden ze geen eten voor me bewaard.

Mijn moeder vroeg anderen om hulp. Ze ging naar mijn leraar, maar die hield zich erbuiten. Ook nam ze me mee naar haar baas, zodat hij me ervan zou overtuigen dat alle  religies nutteloos waren. Thuis belde ze verschillende familieleden en smeekte huilend om hulp. Dat deed me pijn, maar de ouderlingen moedigden me aan om te denken aan alle mensen die mijn moeder onbedoeld getuigenis gaf.

Toen kwam het volgende probleem: zou ik naar de universiteit gaan? Mijn ouders hoopten me zo de beste start in het leven te geven. Ze wilden graag dat ik een goede baan zou krijgen. We waren te emotioneel om er rustig over te praten, dus schreef ik ze meerdere brieven om uit te leggen wat mijn doelen waren. Woedend dreigde mijn vader: ‘Jij denkt zomaar een baan te kunnen vinden? Als je morgen niks hebt, kun je vertrekken.’ Ik legde dit voor in gebed. Toen ik de volgende dag in de velddienst was, vroegen twee zusters, los van elkaar, of ik hun kinderen les wilde geven. Mijn vader was hier niet blij mee en praatte niet meer met me, sterker nog, hij begon me te negeren. Mijn moeder zei dat ze liever had gehad dat ik een crimineel was dan een Getuige van Jehovah.

Jehovah heeft me geholpen om mijn denken bij te stellen en in te zien wat ik moest doen

Soms vroeg ik me af of Jehovah wel wilde dat ik in die mate tegen mijn ouders’ wil inging. Maar door gebed en meditatie over Bijbelteksten kon ik objectief naar de situatie kijken. Ik ging begrijpen dat de tegenstand deels voortkwam uit oprechte bezorgdheid. Jehovah hielp me om mijn denken bij te stellen en in te zien wat ik moest doen. Ik ging ook vaker in de velddienst, waardoor ik er steeds meer van ging genieten. De pioniersdienst werd mijn doel.

DE PIONIERSDIENST

Sommige zusters die wisten dat ik wilde pionieren, raadden me aan om daarmee te wachten tot mijn ouders gekalmeerd waren. Ik bad om wijsheid, deed nazoekwerk, onderzocht mijn motieven en sprak met rijpe broeders en zusters. Toen besefte ik dat ik in de eerste plaats Jehovah blij wilde maken. En dat uitstel van de pioniersdienst geen garantie was dat de houding van mijn ouders zou veranderen.

Ik begon te pionieren in het laatste jaar van de middelbare school. Na een tijdje wilde ik dienen waar de behoefte groter was, maar mijn ouders wilden niet dat ik het huis uitging. Dus wachtte ik tot ik twintig was. En om rekening te houden met mijn moeder vroeg ik het bijkantoor toen om een toewijzing in het zuiden van Japan, waar familie van ons woonde.

In mijn nieuwe toewijzing werden verschillende personen met wie ik had gestudeerd, gedoopt. Intussen leerde ik Engels om mijn dienst uit te kunnen breiden. Bij mij in de gemeente zaten twee speciale pioniers. Ik zag de ijver van die broeders en hoe ze anderen hielpen. Toen werd de speciale pioniersdienst mijn doel. In die periode kreeg mijn moeder twee keer ernstige gezondheidsproblemen. Beide keren ging ik naar huis om voor haar te zorgen. Dat verbaasde haar, en ik merkte dat ze wat milder werd.

VEEL ZEGENINGEN

Zeven jaar later kreeg ik een brief van Atsushi, een van de speciale pioniers waar ik het eerder over had. Hij zei dat hij aan trouwen dacht en vroeg zich af hoe ik erin stond. Ik had nooit romantische gevoelens voor hem gehad, en had ook niet de indruk dat hij die voor mij had. Maar na een maand antwoordde ik dat ik hem wel beter wilde leren kennen. We ontdekten dat we veel gemeen hadden. We wilden allebei in de volletijddienst blijven, in welke vorm dan ook. Na verloop van  tijd trouwden we. Wat was ik blij dat mijn ouders en verschillende familieleden op onze bruiloft waren!

Nepal

Niet lang daarna, terwijl we in de pioniersdienst waren, werd Atsushi aangesteld als vervangend kringopziener. Al gauw kregen we andere voorrechten: de speciale pioniersdienst en daarna de vaste kringdienst. Nadat we alle gemeenten in onze kring één keer hadden bezocht, belde het bijkantoor om ons uit te nodigen voor de kringdienst in Nepal.

Ik heb veel over Jehovah geleerd door in verschillende landen te dienen

Ik vroeg me af wat mijn ouders ervan zouden vinden als ik zo ver weg zou wonen. Ik belde ze op en kreeg mijn vader aan de lijn. ‘Jullie gaan naar een mooie plek’, zei hij. Een week daarvoor had hij van een vriend een boek over Nepal gekregen, en het had hem wel een mooi land geleken om eens te bezoeken.

We vonden het geweldig bij de vriendelijke Nepalese bevolking. Toen kwam er nog iets moois: Bangladesh werd aan onze kring toegevoegd. Zo dichtbij, maar zo anders! De velddienst was heel afwisselend. Na vijf jaar werden we weer toegewezen aan Japan, waar we nu in de kringdienst zijn.

Japan, Nepal, Bangladesh — dienen in deze landen heeft me zo veel over Jehovah geleerd! Elk volk heeft zijn eigen cultuur en gewoonten. En ieder mens is ook weer uniek. Ik heb gezien hoe Jehovah voor mensen individueel zorgt en ze aanvaardt, helpt en zegent.

Jehovah heeft me gezegend met kennis over hem, het voorrecht om voor hem te werken en een goede man. Jehovah heeft me geholpen goede beslissingen te nemen, en nu heb ik een hechte band met hem en mijn familie. Dankzij hem zijn mijn moeder en ik weer goede vrienden. Wat ben ik dankbaar dat ik vrede heb gevonden met God en met mijn moeder.

We genieten volop van de kringdienst