Toegankelijkheidsinstelling

Search

Taal selecteren

Doorgaan naar secundair menu

Doorgaan naar inhoudsopgave

Doorgaan naar inhoud

Jehovah’s Getuigen

Nederlands

DE WACHTTOREN (STUDIE-UITGAVE) MEI 2015

 LEVENSVERHAAL

Mijn eerste liefde voor Jehovah heeft me geholpen te volharden

Mijn eerste liefde voor Jehovah heeft me geholpen te volharden

HET was het begin van de zomer van 1970. Ik lag in een ziekenhuisbed in het Valley Forge General Hospital in Phoenixville (Pennsylvania, VS). Een verpleger controleerde elk halfuur mijn bloeddruk. Ik was een soldaat van twintig met een ernstige infectieziekte. De verpleger, een paar jaar ouder dan ik, keek bezorgd. Terwijl mijn bloeddruk bleef dalen, zei ik: ‘Je hebt zeker nooit eerder iemand zien sterven?’ Hij trok wit weg en zei: ‘Nee, nog nooit.’

Het zag er somber voor me uit. Maar hoe was ik in dat ziekenhuis terechtgekomen? Ik zal eens iets over mijn leven vertellen.

MIJN EERSTE KENNISMAKING MET OORLOG

Ik werd ziek toen ik diende als operatieassistent tijdens de oorlog in Vietnam. Ik vond het fijn om zieken en gewonden te kunnen verzorgen en wilde graag chirurg worden. In juli 1969 kwam ik in Vietnam aan. Net als alle andere nieuwkomers kreeg ik een week de tijd om te wennen aan het tijdsverschil en de enorme hitte.

Het veldhospitaal waar ik zou gaan werken, bevond zich in Dong Tam, in de Mekongdelta. Kort nadat ik me daar had gemeld, arriveerden er allemaal helikopters vol gewonden. Ik was erg trots op mijn vaderland en hield van aanpakken, dus ik wilde meteen meehelpen. De gewonden werden klaargemaakt voor operatie en snel overgebracht naar krappe metalen containers met airco die werden gebruikt als operatiekamers. In elk van deze ruimten zaten een chirurg, een anesthesist en twee verpleegkundigen dicht op elkaar gepropt, terwijl ze hun best deden om levens te redden. Ik zag dat een deel van de lading, verpakt in grote zwarte zakken, niet uit de helikopters werd gehaald. Iemand zei me dat daar de lichaamsdelen in zaten van soldaten die waren omgekomen in de strijd. Dit was mijn eerste kennismaking met oorlog.

MIJN ZOEKTOCHT NAAR GOD

Ik ben als jongere al in contact geweest met de waarheid

Ik ben als jongere al in contact geweest met de waarheid die Jehovah’s Getuigen onderwijzen. Mijn moeder bestudeerde de Bijbel met de Getuigen, hoewel ze uiteindelijk nooit gedoopt is. Ik vond het heel leuk om bij de studie te zitten. Rond  die tijd kwam ik een keer samen met mijn stiefvader langs een Koninkrijkszaal en vroeg hem wat dat was. Hij antwoordde: ‘Blijf bij die mensen uit de buurt.’ Omdat ik van mijn stiefvader hield en hem vertrouwde, nam ik zijn waarschuwing serieus. Zo verloor ik het contact met Jehovah’s Getuigen.

Na mijn terugkomst uit Vietnam voelde ik dat ik God nodig had in mijn leven. Door pijnlijke herinneringen was ik emotioneel verdoofd. Het leek wel alsof niemand echt begreep wat er in Vietnam gaande was. Ik weet nog goed dat Amerikaanse soldaten bij demonstraties babymoordenaars werden genoemd, vanwege berichten over onschuldige kinderen die in de oorlog werden afgeslacht.

Om mijn geestelijke honger te stillen, bezocht ik verschillende kerken. Ik had altijd al een liefde voor God gevoeld, maar was niet bepaald onder de indruk van de diensten die ik bezocht. Uiteindelijk kwam ik terecht in een Koninkrijkszaal van Jehovah’s Getuigen in Delray Beach (Florida). Dat was op een zondag in februari 1971.

Toen ik de Koninkrijkszaal binnenstapte, was de openbare lezing bijna afgelopen, dus bleef ik voor de Wachttoren-studie die erop volgde. Ik weet niet meer wat het onderwerp was, maar kan me nog wel herinneren hoe de kinderen ijverig in hun eigen bijbel bladerden om de teksten te vinden. Dat maakte echt indruk op me! Ik zat het rustig te bekijken en luisterde. Toen ik naar buiten liep, kwam een vriendelijke broeder van rond de tachtig naar me toe. Zijn naam was Jim Gardner. Hij liet me een boek zien met de titel De waarheid die tot eeuwig leven leidt en zei: ‘Mag ik je dit geven?’ We maakten een afspraak om die donderdagochtend met Bijbelstudie te beginnen.

Die zondagavond moest ik werken. Ik had een baan in een privékliniek in Boca Raton (Florida), waar ik op de eerste hulp werkte. Mijn dienst duurde van 11 uur ’s avonds tot 7 uur ’s ochtends. Omdat het een rustige nacht was, kon ik het Waarheid-boek lezen. Terwijl ik daar zat, kwam er een hoofdverpleegkundige naar me toe. Ze rukte het boek uit mijn handen, keek naar de cover en snauwde: ‘Je gaat me toch niet vertellen dat je je bij die mensen gaat aansluiten?’ Ik pakte mijn Waarheid-boek terug en zei: ‘Ik ben nog maar op de helft van het boek, maar ik zit er sterk aan te denken.’ Ze liet me verder met rust, en ik las het boek die nacht uit.

Ik kreeg Bijbelstudie van Jim Gardner, een gezalfde broeder die Charles Taze Russell nog had gekend

Ik begon mijn eerste Bijbelles met de vraag: ‘Wat gaan we bestuderen?’ Broeder Gardner antwoordde: ‘Het boek dat ik je gegeven heb.’ ‘Dat heb ik al uit’, zei ik. Broeder Gardner zei vriendelijk: ‘Laten we gewoon eens samen het eerste hoofdstuk bekijken.’ Ik was verbaasd hoeveel ik over het hoofd had gezien. Broeder Gardner liet me veel Bijbelteksten opzoeken in mijn eigen exemplaar van de King James Version. Eindelijk leerde ik dingen over de ware God, Jehovah. Die ochtend bestudeerde broeder  Gardner, die ik Jim mocht noemen, drie hoofdstukken van het Waarheid-boek met me. Vanaf die tijd bestudeerden we elke donderdagochtend drie hoofdstukken. Ik genoot enorm van de besprekingen. Wat een voorrecht om onderwijs te krijgen van deze gezalfde broeder, die Charles Taze Russell nog persoonlijk had gekend!

Na een paar weken werd ik goedgekeurd om een verkondiger van het goede nieuws te zijn. Jim hielp me met allerlei dingen waar ik moeite mee had, waaronder de prediking van huis tot huis (Hand. 20:20). Jim werkte regelmatig met me samen in de velddienst, en ik kreeg er plezier in. Nog steeds zie ik de dienst als mijn grootste voorrecht. Wat is het uniek om medewerkers van God te mogen zijn! — 1 Kor. 3:9.

MIJN EERSTE LIEFDE VOOR JEHOVAH

Laat me nu eens vertellen over iets heel persoonlijks: mijn eerste liefde voor Jehovah (Openb. 2:4). Die liefde heeft me geholpen om met pijnlijke oorlogsherinneringen en veel andere beproevingen om te gaan (Jes. 65:17).

Mijn liefde voor Jehovah heeft me geholpen om met pijnlijke oorlogsherinneringen en veel andere beproevingen om te gaan

Ik ben in juli 1971 gedoopt, tijdens de ‘Goddelijke Naam’-districtsvergadering in het Yankeestadion

Eén moment in de lente van 1971 herinner ik me nog als de dag van gisteren. Kort daarvoor was ik zonder huis komen te zitten; ik woonde namelijk in een appartement van mijn ouders, maar mijn stiefvader zette me eruit omdat hij er absoluut geen Getuige van Jehovah in wilde hebben. Ik had op dat moment niet veel geld. Het ziekenhuis waar ik werkte, betaalde me elke twee weken uit, en ik had het meeste van mijn geld kort daarvoor gebruikt om nette velddienstkleding te kopen zodat ik Jehovah op een waardige manier kon vertegenwoordigen. Ik had nog wel wat spaargeld, maar dat stond op een bank in Michigan, de staat waar ik was opgegroeid. Er zat dus niets anders op dan een paar  dagen in mijn auto te slapen. Wassen en scheren deed ik maar in toiletruimten bij tankstations.

Op een van die dagen arriveerde ik bij de Koninkrijkszaal een paar uur voordat de velddienstbijeenkomst zou beginnen. Ik had zojuist mijn dienst gedraaid in het ziekenhuis. Terwijl ik zat te wachten achter de Koninkrijkszaal, waar niemand me kon zien, kwamen er allemaal Vietnam-herinneringen naar boven — de geur van verbrande lichamen en de aanblik van bloed. Opnieuw zag en hoorde ik jonge mannen smekend vragen: ‘Ga ik het redden? Ga ik het redden?’ Ik wist dat ze zouden sterven, maar ik probeerde ze zo goed als ik kon gerust te stellen en mijn blik niet te laten verraden wat de harde werkelijkheid was. Terwijl ik daar zo zat, werd ik overmand door emoties.

Ik heb steeds mijn best gedaan om mijn eerste liefde voor Jehovah te behouden, vooral als ik het moeilijk had

Ik bad terwijl de tranen over mijn wangen stroomden (Ps. 56:8). Ik dacht diep over de opstandingshoop na. Opeens drong het tot me door: Door de opstanding zal Jehovah al het bloedvergieten dat ik gezien had, ongedaan maken. Hij zal alle emotionele pijn die ik en anderen doormaakten, wegnemen. Hij zal die jonge mannen opnieuw tot leven wekken, en ze zullen dan de kans krijgen om de waarheid over hem te leren kennen (Hand. 24:15). Op dat moment liep mijn hart over van liefde voor Jehovah; ik voelde die liefde tot in het diepst van mijn ziel. Die dag zal voor altijd in mijn herinnering blijven. Sindsdien heb ik steeds mijn best gedaan om mijn eerste liefde voor Jehovah te behouden, vooral als ik het moeilijk had.

JEHOVAH IS GOED VOOR ME GEWEEST

In oorlogstijd doen mensen vreselijke dingen. Ik was geen uitzondering. Maar ik heb veel gehad aan twee van mijn favoriete Bijbelteksten. De eerste is Openbaring 12:10, 11, waar staat dat de Duivel niet alleen door het woord van ons getuigenis wordt overwonnen, maar ook door het bloed van het Lam. De tweede tekst is Galaten 2:20. Door die tekst weet ik dat Jezus ‘voor mij’ is gestorven. Jehovah kijkt door het bloed van Jezus heen naar mij, en hij heeft me vergeven wat ik heb gedaan. Die wetenschap geeft me een rein geweten, en ook de motivatie om alles te doen wat ik kan om anderen te helpen de waarheid over onze barmhartige God, Jehovah, te leren kennen! — Hebr. 9:14.

Terugkijkend besef ik dat Jehovah altijd voor me heeft gezorgd, waarvoor ik heel dankbaar ben. Toen Jim bijvoorbeeld hoorde dat ik in mijn auto moest slapen, bracht hij me dezelfde dag nog in contact met een zuster die een pension had. Ik geloof echt dat Jehovah die lieve zuster en Jim heeft gebruikt om me een goede slaapplaats te bieden. Jehovah is zo goed voor ons! Hij zorgt echt voor zijn trouwe aanbidders.

EEN EVENWICHT VINDEN TUSSEN IJVER EN TACT

In mei 1971 moest ik naar Michigan om wat zaken te regelen. Voordat ik uit de gemeente in Delray Beach (Florida) vertrok, stopte ik de kofferbak van mijn auto vol met lectuur. Toen reed ik de snelweg op in noordelijke richting. Ik predikte het goede nieuws ijverig op allerlei plekken. Ik stopte bij gevangenissen en verspreidde zelfs traktaten bij herentoiletten van parkeerplaatsen langs de snelweg. De kofferbak was al leeg voordat ik halverwege was. Tot op de dag van vandaag vraag ik me af of sommige van die waarheidszaden misschien zijn ontkiemd (1 Kor. 3:6, 7).

Maar ik moet toegeven dat ik in het begin niet erg tactvol was, vooral niet tegenover mijn naaste familie. Doordat mijn eerste liefde voor Jehovah zo sterk was, predikte ik vrijmoedig tot ze, maar ik was ook wel bot. Ik houd heel veel van mijn broers, John en Ron, en daarom had ik de neiging om de waarheid aan ze op te dringen. Later heb ik mijn excuses aangeboden voor mijn ongevoelige aanpak. Toch blijf ik bidden dat ze de waarheid  zullen aanvaarden. Jehovah heeft me sinds die tijd verder opgeleid en ik ben tactvoller geworden bij het prediken en onderwijzen (Kol. 4:6).

ANDEREN VAN WIE IK VEEL HOUD

Behalve Jehovah zijn er natuurlijk nog meer personen van wie ik heel veel houd, zoals mijn lieve vrouw, Susan. Ik wilde graag een partner die me zou ondersteunen in het Koninkrijkswerk. Susan is een sterke, geestelijk ingestelde vrouw. Ik kan me nog goed een moment uit onze verkeringstijd herinneren. Susan zat op de veranda van het huis van haar ouders in Cranston (Rhode Island) De Wachttoren te lezen. Wat indruk op me maakte, was dat ze een bijartikel las en daarbij de Bijbelteksten opzocht. Ik dacht: die is goed in de waarheid! We trouwden in december 1971 en ik ben dankbaar dat ze me sinds die tijd altijd heeft gesteund. Wat ik vooral in haar waardeer, is dat haar liefde voor Jehovah nog sterker is dan haar liefde voor mij.

Met mijn vrouw, Susan, en onze jongens, Paul en Jesse

Susan en ik zijn gezegend met twee zoons, Jesse en Paul. Terwijl ze opgroeiden, is Jehovah steeds met ze geweest (1 Sam. 3:19). Ze zijn goed in de waarheid, en dat straalt ook op ons af. Ze dienen Jehovah nog steeds, omdat ze hun eerste liefde voor hem niet zijn vergeten. Ze zijn allebei al meer dan twintig jaar in de volletijddienst. Ik ben ook trots op mijn twee prachtige schoondochters,  Stephanie en Racquel, die ik als mijn eigen dochters beschouw. Het zijn geestelijk ingestelde vrouwen die Jehovah met hart en ziel liefhebben (Ef. 6:6).

We vonden het prachtig om als gezin in zelden bewerkt gebied te prediken

Na mijn doop heb ik zestien jaar in Rhode Island gediend, waar ik kostbare vriendschappen aan heb overgehouden. Ik heb veel mooie herinneringen aan bekwame ouderlingen met wie ik heb samengewerkt. Ook ben ik dankbaar voor de goede invloed die verschillende kringopzieners op me hebben gehad. Ik vind het echt een voorrecht om samen te werken met zulke broeders, die hun eerste liefde voor Jehovah hebben behouden! In 1987 verhuisden we naar North Carolina om te dienen waar de behoefte groter was. Ook daar ontstonden kostbare vriendschappen. *

Ik leid een velddienstactie als reizend opziener

In augustus 2002 namen Susan en ik de uitnodiging aan om deel te worden van de Bethelfamilie in Patterson. Ik mocht op de Dienstafdeling werken en Susan in de wasserij. Ze genoot van dat werk. Toen kreeg ik in augustus 2005 de toewijzing om als lid van het Besturende Lichaam te dienen. Ik was onder de indruk van dit grote voorrecht. Susan was vooral overweldigd door de gedachte aan de verantwoordelijkheid, het werk en het reizen dat erbij betrokken zou zijn. Ze heeft reizen per vliegtuig nooit fijn gevonden, maar door mijn toewijzing moeten we juist veel vliegen. Ze zegt dat de vriendelijke raad van andere vrouwen van leden van het Besturende Lichaam haar heeft geholpen vastbesloten te zijn om mij zo veel mogelijk te ondersteunen. Dat doet ze ook echt, en daar ben ik haar heel dankbaar voor.

In mijn kantoor staan allemaal foto’s die veel voor me betekenen. Ze herinneren me aan het geweldige leven dat ik heb. Wat heb ik al veel schitterende beloningen ontvangen omdat ik mijn eerste liefde voor Jehovah niet ben vergeten!

Ik vind het heerlijk om tijd met mijn familie door te brengen

^ ¶31 Details over de volletijddienst van broeder Morris kun je vinden op bladzijde 26 van De Wachttoren van 15 maart 2006.