Toegankelijkheidsinstelling

Search

Taal selecteren

Doorgaan naar secundair menu

Doorgaan naar inhoudsopgave

Doorgaan naar inhoud

Jehovah’s Getuigen

Nederlands

DE WACHTTOREN (STUDIE-UITGAVE) AUGUSTUS 2014

Vragen van lezers

Vragen van lezers

Jezus zei tegen de sadduceeën over personen die een opstanding zouden krijgen: „[Zij] huwen niet noch worden zij ten huwelijk gegeven” (Luk. 20:34-36). Had hij het over de opstanding op aarde?

Dat is een belangrijke vraag, vooral als je je geliefde huwelijkspartner in de dood hebt verloren. Misschien verlang je ernaar in de nieuwe wereld in het huwelijk herenigd te worden met je partner die een opstanding heeft gekregen. Een weduwnaar zei: „Mijn vrouw en ik hebben er niet voor gekozen om ons huwelijk te beëindigen. Het was onze innige wens om Jehovah voor altijd als echtpaar te blijven dienen. Die gevoelens heb ik nog steeds.” Is er gegronde reden om te hopen dat personen die een opstanding krijgen, zullen kunnen trouwen? Eenvoudig gezegd: we weten het niet.

Jarenlang is er in onze publicaties gezegd dat Jezus’ woorden over de opstanding en trouwen waarschijnlijk naar de opstanding op aarde verwezen en dat degenen die in de nieuwe wereld een opstanding krijgen blijkbaar niet zouden trouwen (Matth. 22:29, 30; Mark. 12:24, 25; Luk. 20:34-36). * Maar zou het kunnen zijn dat Jezus het had over de hemelse opstanding? Laten we zonder een stellige conclusie te trekken eens kijken wat Jezus zei.

Sta eens stil bij de context. (Lees Lukas 20:27-33.) De sadduceeën, die niet in de opstanding geloofden, probeerden Jezus in de val te lokken met een vraag over de opstanding en het zwagerhuwelijk *. Jezus antwoordde: „De kinderen van dit samenstel van dingen huwen en worden ten huwelijk gegeven, maar zij die waardig gerekend zijn dat samenstel van dingen en de opstanding uit de doden te verwerven, huwen niet noch worden zij ten huwelijk gegeven. Zij kunnen trouwens ook niet meer sterven, want zij zijn gelijk de engelen, en zij zijn Gods kinderen doordat zij kinderen van de opstanding zijn” (Luk. 20:34-36).

Waarom is er in onze publicaties gezegd dat Jezus het waarschijnlijk over de aardse opstanding had? Die conclusie is voornamelijk gebaseerd op twee redenaties: Ten eerste hadden de sadduceeën waarschijnlijk een aardse opstanding in gedachten en daarom leek het logisch dat Jezus in zijn antwoord daarop inging. Ten tweede verwees Jezus aan het einde van zijn antwoord naar Abraham, Isaäk en Jakob — trouwe patriarchen die in aanmerking komen voor een opstanding tot leven op aarde (Luk. 20:37, 38).

Toch kan het zijn dat Jezus de hemelse opstanding in gedachten had. Op grond waarvan zouden we die conclusie kunnen trekken? Laten we eens twee belangrijke zinnen uit zijn antwoord bespreken.

„Zij die waardig gerekend zijn (...) de opstanding uit de doden te verwerven.” Trouwe gezalfden worden „het koninkrijk Gods waardig” geacht (2 Thess. 1:5, 11). Ze zijn rechtvaardig verklaard ten leven op basis van de losprijs; ze zullen dan ook niet sterven als veroordeelde zondaars (Rom. 5:1, 18; 8:1). Zulke personen worden „gelukkig en heilig” genoemd en worden waardig gerekend om een opstanding in de hemel te krijgen (Openb. 20:5, 6). Maar tot degenen die een opstanding op  aarde krijgen, behoren ook „de onrechtvaardigen” (Hand. 24:15). Kan er over hen gezegd worden dat ze „waardig gerekend” worden om een opstanding te krijgen?

„Zij kunnen (...) ook niet meer sterven.” Jezus zei niet: „Zij zullen ook niet meer sterven.” Hij zei: „Zij kunnen (...) ook niet meer sterven.” Gezalfden die hun aardse loopbaan in getrouwheid voltooid hebben, worden opgenomen in de hemel en krijgen onsterfelijkheid — eindeloos, onvernietigbaar leven (1 Kor. 15:53, 54). De dood heeft geen macht meer over degenen die een hemelse opstanding krijgen. *

Wat zouden we hieruit kunnen concluderen? Het is mogelijk dat Jezus’ woorden over trouwen en de opstanding op de hemelse opstanding slaan. In dat geval zouden zijn woorden een aantal dingen onthullen over degenen die opgenomen worden in de hemel: ze trouwen niet, ze kunnen niet sterven en ze zijn in bepaalde opzichten als engelen — geestelijke schepselen die in het geestenrijk wonen. Maar zo’n conclusie roept diverse vragen op.

Ten eerste, waarom zou Jezus in zijn antwoord aan de sadduceeën — die waarschijnlijk aan de aardse opstanding dachten — naar de hemelse opstanding verwijzen? Jezus gaf zijn tegenstanders niet altijd een antwoord dat overeenstemde met hun manier van denken. Zo zei hij tegen de Joden die hem om een teken vroegen: „Breekt deze tempel af en in drie dagen zal ik hem oprichten.” Jezus wist waarschijnlijk dat ze aan de letterlijke tempel dachten, maar hij had het over „de tempel van zijn lichaam” (Joh. 2:18-21). Misschien vond Jezus het niet nodig om een antwoord te geven aan de onoprechte sadduceeën, die niet in de opstanding of in het bestaan van engelen geloofden (Spr. 23:9; Matth. 7:6; Hand. 23:8). Het kan zijn dat hij juist waarheden over de hemelse opstanding wilde onthullen aan zijn oprechte discipelen, die op een dag voor zo’n opstanding in aanmerking zouden komen.

Ten tweede, waarom zou Jezus zijn woorden besluiten met een verwijzing naar Abraham, Isaäk en Jakob, die een opstanding zullen krijgen tot leven op aarde? (Lees Mattheüs 22:31, 32.) Merk op dat Jezus zijn woorden over die patriarchen inleidt door te zeggen „wat de opstanding der doden betreft”. Het is mogelijk dat die overgangszin de focus verlegt. Vervolgens haalt Jezus de geschriften van Mozes aan, die door de sadduceeën werden aanvaard, en gebruikt hij Jehovah’s woorden tot Mozes bij de brandende struik om te bewijzen dat het zeker is dat de opstanding — een aardse — deel uitmaakt van Gods voornemen (Ex. 3:1-6).

Ten derde, als Jezus’ woorden over de opstanding en trouwen over de hemelse opstanding gaan, wil dat dan zeggen dat degenen die een opstanding op aarde krijgen, zullen kunnen trouwen? Gods Woord geeft geen direct antwoord op die specifieke vraag. Als Jezus het in werkelijkheid over de hemelse opstanding had, dan onthullen zijn woorden niets over de vraag of degenen die een opstanding op aarde krijgen, in de nieuwe wereld zullen kunnen trouwen.

Ondertussen hebben we de zekerheid uit de Bijbel dat de dood de huwelijksband beëindigt. Een weduwnaar of een weduwe hoeft zich dan ook niet schuldig te voelen als hij of zij besluit te hertrouwen. Dat is een persoonlijke beslissing, en niemand mag kritiek hebben op iemand die het gezelschap van een huwelijkspartner zoekt (Rom. 7:2, 3; 1 Kor. 7:39).

Misschien hebben we veel vragen over het leven in de nieuwe wereld. Maar in plaats van onnodig te speculeren over het antwoord op die vragen, zullen we gewoon moeten afwachten. Eén ding weten we zeker: gehoorzame mensen zullen gelukkig zijn, want Jehovah zal hun behoeften en verlangens op de best mogelijke manier vervullen (Ps. 145:16).

^ ¶4 Zie De Wachttoren van 1 juni 1987, blz. 30, 31.

^ ¶5 Het zwager- of leviraatshuwelijk was een gebruik in Bijbelse tijden. Als een man stierf zonder een zoon na te laten, trouwde zijn broer met de weduwe om nageslacht voort te brengen en de geslachtslijn van zijn broer voort te zetten (Gen. 38:8; Deut. 25:5, 6).

^ ¶9 Degenen die terugkomen in de aardse opstanding hebben het vooruitzicht om eeuwig leven te krijgen, geen onsterfelijkheid. Zie voor meer informatie over het verschil tussen onsterfelijkheid en eeuwig leven De Wachttoren van 1 juli 1984, blz. 30, 31.