Doorgaan naar inhoud

Doorgaan naar secundair menu

Doorgaan naar inhoudsopgave

Jehovah’s Getuigen

Nederlands

De Wachttoren — studie-uitgave  |  juli 2014

„Gij zult getuigen van mij zijn”

„Gij zult getuigen van mij zijn”

„[Jezus] zei tot hen: ’(...) Gij zult getuigen van mij zijn (...) tot de verst verwijderde streek der aarde.’” — HAND. 1:7, 8.

1, 2. (a) Wie is de voornaamste getuige van Jehovah? (b) Wat betekent de naam Jezus, en hoe leefde hij in harmonie met die naam?

„HIERTOE ben ik geboren en hiertoe ben ik in de wereld gekomen, om getuigenis af te leggen van de waarheid.” (Lees Johannes 18:33-37.) Jezus Christus sprak deze woorden tot de Romeinse stadhouder van Judea tijdens het proces dat uit zou lopen op zijn terechtstelling. Kort daarvoor had hij gezegd dat hij een koning was. Jaren later verwees Paulus naar dit moedige voorbeeld van Jezus, „die als een getuige voor Pontius Pilatus de voortreffelijke openbare bekendmaking heeft afgelegd” (1 Tim. 6:13). Het vereist inderdaad soms veel moed om een „getrouwe en waarachtige getuige” te zijn in Satans wereld vol haat (Openb. 3:14).

2 Omdat Jezus deel uitmaakte van het Joodse volk, was hij door geboorte een getuige van Jehovah (Jes. 43:10). Hij werd de grootste getuige die God ooit voor Zijn naam heeft gehad. Jezus nam de betekenis van de naam die hij van God had gekregen serieus. Toen een engel aan Jozef, Jezus’ adoptievader, vertelde dat Maria zwanger was door heilige geest, voegde hij eraan toe: „Zij zal een zoon baren, en gij moet hem de naam Jezus geven, want hij zal zijn volk van hun zonden redden” (Matth. 1:20, 21; vtn.). Bijbelgeleerden zijn het er in het algemeen over eens dat de naam Jezus is afgeleid van de Hebreeuwse naam Jesua en een verkorte vorm van Gods naam bevat. De naam betekent:  „Jehovah is redding.” In harmonie met de betekenis van zijn naam hielp Jezus „de verloren schapen van het huis van Israël” om berouw te hebben van hun zonden zodat ze weer Jehovah’s goedkeuring konden krijgen (Matth. 10:6; 15:24; Luk. 19:10). Daarom gaf Jezus ijverig getuigenis over Gods Koninkrijk. De evangelieschrijver Markus zei: „Jezus [ging] naar Galilea en predikte het goede nieuws van God en zei: ’De bestemde tijd is vervuld en het koninkrijk Gods is nabij gekomen. Hebt berouw en stelt geloof in het goede nieuws’” (Mark. 1:14, 15). Jezus stelde ook moedig de Joodse religieuze leiders aan de kaak, wat ertoe bijdroeg dat ze hem aan een paal lieten terechtstellen (Mark. 11:17, 18; 15:1-15).

„DE GROTE DADEN VAN GOD”

3. Wat gebeurde er op de derde dag na Jezus’ dood?

3 Maar er gebeurde een groot wonder! Op de derde dag na Jezus’ wrede dood gaf Jehovah hem een opstanding tot leven — niet als mens, maar als onsterfelijk geestelijk schepsel (1 Petr. 3:18). Om dat aan te tonen, materialiseerde Jezus zich in een menselijk lichaam en bewees hij dat hij weer tot leven was gekomen. Op de dag van zijn opstanding verscheen hij vijf keer aan verschillende discipelen (Matth. 28:8-10; Luk. 24:13-16, 30-36; Joh. 20:11-18).

4. Welke bijeenkomst leidde Jezus op de dag van zijn opstanding, en welke opdracht gaf hij zijn discipelen?

4 De vijfde keer dat Jezus verscheen, was aan zijn apostelen en anderen die met hen vergaderd waren. Bij die bijzondere gelegenheid leidde hij als het ware een studie van Gods Woord. Het verslag zegt: „Toen opende hij hun verstand volledig zodat zij de betekenis van de Schriften begrepen.” Daardoor gingen ze inzien dat zijn dood door Gods vijanden en ook zijn wonderbaarlijke opstanding in de Schriften waren voorzegd. Aan het eind van die bijeenkomst op de dag van zijn opstanding maakte Jezus duidelijk wat hun verantwoordelijkheid was: „Op basis van zijn naam zou er in alle natiën berouw tot vergeving van zonden gepredikt worden — te beginnen vanuit Jeruzalem.” Hij voegde eraan toe: „Gij [moet] getuigen van deze dingen zijn” (Luk. 24:44-48).

5, 6. (a) Waarom zei Jezus: „Gij zult getuigen van mij zijn”? (b) Welk nieuwe aspect van Jehovah’s voornemen moesten Jezus’ discipelen bekendmaken?

5 Toen Jezus veertig dagen later voor de laatste keer verscheen, zullen zijn apostelen dan ook begrepen hebben wat hij bedoelde toen hij de volgende eenvoudige maar krachtige opdracht gaf: „Gij zult getuigen van mij zijn zowel in Jeruzalem als in geheel Judea en Samaria en tot de verst verwijderde streek der aarde” (Hand. 1:8). Waarom zei Jezus: „Gij zult getuigen van mij zijn”, en niet van Jehovah? Dat laatste had hij ook kunnen zeggen, maar de personen tot wie hij sprak waren al getuigen van Jehovah omdat ze Israëlieten waren.

Net als Jezus’ discipelen blijven we Jehovah’s voornemen bekendmaken (Zie alinea 5, 6)

6 Nu moesten Jezus’ discipelen een nieuw aspect van Jehovah’s voornemen bekendmaken — iets veel groters dan Israëls bevrijding van slavernij in Egypte of van gevangenschap in Babylon. De dood en opstanding van Jezus Christus voorzagen in de basis voor vrijheid van de ergste vorm van gevangenschap, namelijk slavernij aan zonde en dood. Met Pinksteren van het jaar 33 maakten Jezus’ pasgezalfde discipelen „de grote daden van God” bekend, en veel mensen reageerden positief. Jezus, die aan de rechterhand van zijn Vader in de hemel was gaan zitten, zag dan ook dat zijn naam nog meer betekenis kreeg toen duizenden berouw hadden  en geloof stelden in hem als Jehovah’s middel tot redding (Hand. 2:5, 11, 37-41).

„EEN LOSPRIJS IN RUIL VOOR VELEN”

7. Wat werd bewezen door de gebeurtenissen met Pinksteren 33?

7 De gebeurtenissen met Pinksteren 33 waren een bewijs dat Jehovah in zijn goedheid de waarde van Jezus’ volmaakte menselijke slachtoffer als verzoening of bedekking van zonde had geaccepteerd (Hebr. 9:11, 12, 24). Jezus legde uit dat hij niet gekomen was „om gediend te worden, maar om te dienen en zijn ziel te geven als een losprijs in ruil voor velen” (Matth. 20:28). De term „velen” sloeg niet alleen op de Joden die berouw hadden. Het is Gods wil dat „alle soorten van mensen worden gered”, want de losprijs neemt „de zonde der wereld” weg (1 Tim. 2:4-6; Joh. 1:29).

8. Waardoor konden Jezus’ eerste discipelen van hem blijven getuigen, en wat hebben ze bereikt?

8 Hadden die eerste discipelen van Jezus de moed om van hem te blijven getuigen? Natuurlijk! Maar ze deden dat niet in eigen kracht. Jehovah’s krachtige heilige geest gaf ze de motivatie en energie om getuigenis te blijven geven. (Lees Handelingen 5:30-32.) Ongeveer 27 jaar na Pinksteren 33 kon er gezegd worden dat „de prediking van de waarheid van dat goede nieuws” Joden en heidenen „in heel de schepping die onder de hemel is” had bereikt (Kol. 1:5, 23).

9. Wat gebeurde er zoals voorzegd met de oorspronkelijke christelijke gemeente?

9 Maar jammer genoeg werd de oorspronkelijke christelijke gemeente geleidelijk beïnvloed door valse leringen (Hand. 20:29, 30; 2 Petr. 2:2, 3; Jud. 3, 4). Zoals Jezus had aangegeven zou die afval, gepromoot door „de goddeloze”, Satan, toenemen en het ware christelijke geloof overschaduwen tot „het besluit van het samenstel van dingen” (Matth. 13:37-43). Vervolgens zou Jehovah Jezus als Koning installeren over de mensheid. Dat gebeurde in oktober 1914 en markeerde het begin van „de laatste dagen” van Satans slechte wereld (2 Tim. 3:1).

10. (a) Op welke belangrijke datum wezen de gezalfde christenen? (b) Wat gebeurde er in oktober 1914, en welke gebeurtenissen maken dat duidelijk?

10 Gezalfde christenen wezen van tevoren op oktober 1914 als een betekenisvolle  datum. Ze baseerden dat op Daniëls profetie over een grote boom die werd omgehakt en na „zeven tijden” weer zou uitlopen (Dan. 4:16). Jezus verwees in zijn profetie over zijn toekomstige tegenwoordigheid en „het besluit van het samenstel van dingen”, naar dezelfde periode als „de bestemde tijden der natiën”. Vanaf 1914 is het teken van Christus’ tegenwoordigheid als nieuwe Koning over de aarde voor iedereen duidelijk zichtbaar geworden (Matth. 24:3, 7, 14; Luk. 21:24). Sinds die tijd maakt Jezus’ installatie als Koning over de mensheid dus deel uit van „de grote daden van God”.

11, 12. (a) Waarmee begon de nieuwe Koning van de aarde in 1919? (b) Wat werd vanaf het midden van de jaren dertig duidelijk? (Zie beginplaatje.)

11 Als nieuwe Koning van de aarde begon Jezus Christus al gauw zijn gezalfde volgelingen uit gevangenschap in „Babylon de Grote” te bevrijden (Openb. 18:2, 4). In 1919 werd de mogelijkheid geopend om wereldwijd getuigenis te geven over Gods middel tot redding en over het goede nieuws van het opgerichte Koninkrijk. Gezalfde christenen grepen deze kans aan, waardoor nog eens duizenden gezalfden bijeenvergaderd werden om mede-erfgenamen met Christus te worden.

12 Vanaf het midden van de jaren dertig van de vorige eeuw werd duidelijk dat Christus een begin had gemaakt met het bijeenbrengen van miljoenen van zijn „andere schapen”, die een internationale „grote schare” zouden vormen. Onder leiding van de gezalfde christenen volgen ook de leden van deze grote schare het moedige voorbeeld van Jezus en maken ze openlijk bekend dat ze hun redding te danken hebben aan God en Christus. Door in dit getuigeniswerk te volharden en geloof te blijven stellen in Christus’ loskoopoffer, zullen deze personen het voorrecht hebben „de grote verdrukking” te overleven, die een eind zal maken aan Satans wereld (Joh. 10:16; Openb. 7:9, 10, 14).

VRIJMOEDIGHEID VERZAMELEN OM HET GOEDE NIEUWS TE VERTELLEN

13. Wat zijn we vastbesloten te doen, en hoe zullen we daarin slagen?

13 Laten we altijd waardering hebben voor het voorrecht te getuigen van „de grote daden” die Jehovah heeft verricht en van zijn beloften voor de toekomst. Het is waar dat dit niet altijd makkelijk is. Veel van onze broeders en zusters werken in gebieden waar ze te maken hebben met veel apathie, spot of regelrechte vervolging. We kunnen hetzelfde doen als Paulus en zijn metgezellen. Hij zei dat ze vrijmoedigheid hadden verzameld „om onder veel strijd het goede nieuws van God” tot anderen te spreken (1 Thess.  2:2). Laten we het dus nooit opgeven maar vastbesloten zijn naar onze opdracht te leven terwijl Satans stelsel instort (Jes. 6:11). Dat kunnen we niet in eigen kracht. We moeten net als de eerste christenen bidden of Jehovah ons door middel van zijn geest de kracht wil geven „die datgene wat normaal is te boven gaat” (lees 2 Korinthiërs 4:1, 7; Luk. 11:13).

14, 15. (a) Hoe werd er in de eerste eeuw tegen christenen aangekeken, en wat zei Petrus daarover? (b) Wat moeten we bedenken als we slecht behandeld worden omdat we Jehovah’s Getuigen zijn?

14 In deze tijd beweren miljoenen mensen christen te zijn, „maar zij verloochenen hem [God] door hun werken, omdat zij verfoeilijk zijn en ongehoorzaam en ongeschikt voor enig goed werk” (Tit. 1:16). Het is goed in gedachte te houden dat ware christenen in de eerste eeuw gehaat werden door veel — zo niet de meerderheid — van hun tijdgenoten. Om die reden schreef de apostel Petrus: „Indien gij om de naam van Christus wordt gesmaad, zijt gij gelukkig, want (...) de geest van God (...) rust op u” (1 Petr. 4:14).

15 Kunnen die geïnspireerde woorden toegepast worden op Jehovah’s Getuigen in deze tijd? Jazeker, want we leggen getuigenis af van Jezus’ koningschap. Gehaat worden omdat we Jehovah’s naam dragen, is dus hetzelfde als te worden gesmaad „om de naam van [Jezus] Christus”, die tegen zijn tegenstanders zei: „Ik ben in de naam van mijn Vader gekomen, maar gij aanvaardt mij niet” (Joh. 5:43). Vat daarom moed als je met tegenstand te maken krijgt. Zo’n slechte behandeling is een bewijs dat je Gods goedkeuring hebt en dat zijn geest op je rust.

16, 17. (a) Wat maakt Jehovah’s volk in veel delen van de wereld mee? (b) Wat ben je vastbesloten te doen?

16 Houd ook in gedachte dat er wereldwijd veel mensen in de waarheid komen. Zelfs in gebieden waar veel gepredikt wordt, vinden we nog steeds mensen die willen luisteren naar onze prachtige boodschap van redding. Laten we ons best doen om terug te gaan naar geïnteresseerde personen en waar mogelijk de Bijbel met ze bestuderen om ze te begeleiden richting opdracht en doop. Waarschijnlijk kun je je vinden in de woorden van Sarie in Zuid-Afrika, die al meer dan zestig jaar een actieve verkondigster is: „Ik ben erg dankbaar dat ik dankzij Jezus’ offer een goede band met Jehovah, de Soeverein van het universum, kan hebben, en ik ben blij dat ik zijn grote naam bekend mag maken.” Zij en haar man, Martinus, hebben veel personen, onder wie hun drie kinderen, geholpen aanbidders van Jehovah te worden. Sarie zegt verder: „Er is niets wat meer voldoening geeft, en door middel van zijn heilige geest geeft Jehovah ons allemaal de kracht die we nodig hebben om door te gaan met dit levensreddende werk.”

17 Of we nu gedoopt zijn of naar de doop toe werken, we kunnen echt dankbaar zijn dat we met de wereldwijde gemeente van Jehovah’s Getuigen mogen omgaan. Doe er daarom alles aan om te voorkomen dat je besmet wordt door Satans verdorven wereld en blijf grondig getuigenis afleggen. Als je dat doet, geef je eer aan onze liefdevolle hemelse Vader. Wat is het een voorrecht dat we zijn grote naam mogen dragen!