Toegankelijkheidsinstelling

Search

Taal selecteren

Doorgaan naar secundair menu

Doorgaan naar inhoudsopgave

Doorgaan naar inhoud

Jehovah’s Getuigen

Nederlands

DE WACHTTOREN (STUDIE-UITGAVE) APRIL 2014

Wist je dit?

Wist je dit?

Waarom scheurden sommigen in Bijbelse tijden met opzet hun kleren?

DE Bijbel noemt een aantal situaties waarin personen hun eigen kleren scheurden. Zoiets zou in deze tijd vreemd zijn, maar onder de Joden was het een uiting van een sterke emotie, veroorzaakt door wanhoop, verdriet, vernedering of woede.

Toen Ruben bijvoorbeeld ontdekte dat zijn broer Jozef in slavernij was verkocht en daardoor zijn plan om hem te bevrijden in duigen was gevallen, „scheurde hij zijn kleren”. Hun vader, Jakob, scheurde „zijn mantels” toen hij dacht dat Jozef door een wild dier was verslonden (Gen. 37:18-35). Job „scheurde zijn schoudermantel” toen hij hoorde dat al zijn kinderen waren omgekomen (Job 1:18-20). Een boodschapper „met gescheurde kleren” kwam bij Eli, de hogepriester, om hem te vertellen dat de Israëlieten verslagen waren, Eli’s twee zoons gedood waren en de ark van het verbond als buit was meegenomen (1 Sam. 4:12-17). Toen de Wet aan Josia werd voorgelezen, werd hij zich bewust van de fouten van zijn volk, waarna hij „zijn klederen scheurde” (2 Kon. 22:8-13).

Tijdens de berechting van Jezus „scheurde de hogepriester zijn bovenklederen” toen hij onterecht meende dat er sprake was van godslastering (Matth. 26:59-66). Een rabbijnse overlevering schreef voor dat iedereen die hoorde dat Gods naam belasterd werd, zijn kleren moest scheuren. Maar een andere rabbijnse opvatting, die na de vernietiging van Jeruzalems tempel ontstond, luidde: „Iemand die hoort dat Gods naam belasterd wordt, hoeft zijn kleren niet te scheuren, want tegenwoordig zou er van iemands kleren alleen maar een hoopje vodden overblijven.”

Als iemands verdriet niet oprecht was, had het scheuren van zijn kleren natuurlijk geen waarde voor Jehovah. Daarom zei Jehovah tegen zijn volk dat ze hun hart en niet hun kleren moesten scheuren en tot hem moesten terugkeren (Joël 2:13).