Doorgaan naar inhoud

Doorgaan naar secundair menu

Doorgaan naar inhoudsopgave

Jehovah’s Getuigen

Nederlands

De Wachttoren — studie-uitgave  |  maart 2014

Eer de ouderen onder ons

Eer de ouderen onder ons

„Gij moet de persoon van een oud man consideratie [of „eer”] betonen.” — LEV. 19:32.

1. In welke trieste toestand bevindt de mensheid zich?

HET was nooit Jehovah’s bedoeling dat mensen de slopende gevolgen van het ouder worden zouden meemaken. Het was zijn voornemen dat mannen en vrouwen volmaakt gezond in het paradijs zouden leven. Maar de realiteit is dat „de gehele schepping tot nu toe voortdurend te zamen zucht en te zamen pijn lijdt” (Rom. 8:22). Hoe denk je dat God zich voelt wanneer hij de tragische gevolgen van de zonde bij mensen ziet? En helaas worden veel ouderen verwaarloosd, juist in een fase van hun leven dat ze meer hulp nodig hebben (Ps. 39:5; 2 Tim. 3:3).

2. Waarom zijn we blij met de ouderen in onze gemeente?

2 Jehovah’s volk is blij met de ouderen in de gemeenten. We hebben veel aan hun wijsheid en worden geïnspireerd door hun voorbeeld van geloof. Velen van ons zijn familie van een of meerdere van deze dierbare broeders en zusters. Maar of dat nu wel of niet het geval is, we zijn bezorgd om hun welzijn (Gal. 6:10; 1 Petr. 1:22). Het is voor ons allemaal nuttig om te bespreken hoe God ouderen beziet. We gaan ook bekijken welke verantwoordelijkheden familieleden en de gemeente hebben tegenover onze geliefde ouderen.

„WERP MIJ NIET WEG”

3, 4. (a) Welk verzoek deed de schrijver van Psalm 71 aan Jehovah? (b) Wat kunnen oudere broeders en zusters aan God vragen?

3 De geïnspireerde schrijver van Psalm 71:9 smeekte God:  „Werp mij niet weg ten tijde van de ouderdom; verlaat mij niet juist wanneer mijn kracht het begeeft.” Het lijkt erop dat deze psalm een vervolg is op Psalm 70, die het opschrift heeft: „Van David.” Het verzoek in Psalm 71:9 was dus waarschijnlijk van hem. Hij diende Jehovah vanaf zijn jeugd tot aan zijn oude dag, en Jehovah gebruikte hem op indrukwekkende manieren (1 Sam. 17:33-37, 50; 1 Kon. 2:1-3, 10). Toch had David de behoefte Jehovah te vragen om hem te blijven steunen. (Lees Psalm 71:17, 18.)

4 Velen in deze tijd zijn net als David. Ondanks gevorderde leeftijd en „rampspoedige dagen” blijven ze God naar hun beste vermogen loven (Pred. 12:1-7). Misschien dat ze op diverse terreinen van het leven, zoals de dienst, niet meer zo veel kunnen doen als vroeger. Maar ook zij kunnen Jehovah smeken of hij hun zijn zegen en zijn zorg wil blijven geven. Zulke getrouwe ouderen kunnen er zeker van zijn dat God hun gebeden zal verhoren. Dat weten we omdat David onder inspiratie over dezelfde gerechtvaardigde bezorgdheden bad.

5. Hoe beziet Jehovah getrouwe ouderen?

5 De Bijbel maakt duidelijk dat Jehovah getrouwe ouderen heel kostbaar vindt en dat hij van zijn aanbidders verwacht dat ze zulke personen eren (Ps. 22:24-26; Spr. 16:31; 20:29). Leviticus 19:32 zegt: „Voor het grijze haar dient gij op te staan, en gij moet de persoon van een oud man consideratie [of „eer”] betonen, en gij moet vrezen voor uw God. Ik ben Jehovah.” Het eren van de ouderen was dus een ernstige verantwoordelijkheid toen dit opgeschreven werd, en dat is het nog steeds. Maar hoe zit het met de zorg voor de ouderen? Wie is daar verantwoordelijk voor?

DE VERANTWOORDELIJKHEID VAN DE FAMILIE

6. Welk voorbeeld gaf Jezus als het gaat om de zorg voor ouders?

6 Gods Woord zegt ons: „Eer uw vader en uw moeder” (Ex. 20:12; Ef. 6:2). Jezus benadrukte dit gebod door de farizeeën en schriftgeleerden te veroordelen die weigerden voor hun ouders te zorgen (Mark. 7:5, 10-13). Jezus gaf zelf een goed voorbeeld. Vlak voor zijn dood aan de martelpaal vertrouwde hij de zorg voor zijn moeder, die toen kennelijk weduwe was, toe aan zijn geliefde discipel Johannes (Joh. 19:26, 27).

7. (a) Welk principe in verband met de zorg voor familieleden noemde Paulus? (b) Wat is de context van zijn woorden?

7 Paulus schreef onder inspiratie dat gelovigen voor hun eigen huisgezin moesten zorgen. (Lees 1 Timotheüs 5:4, 8, 16.) Sta eens stil bij de context van Paulus’ woorden. Hij besprak wie in aanmerking zou komen voor financiële hulp van de gemeente. Hij maakte duidelijk dat gelovige kinderen, kleinkinderen en andere familieleden de hoofdverantwoordelijkheid hadden om voor oudere weduwen te zorgen. Zo zou de gemeente niet onnodig financieel belast worden. Eén manier waarop christenen in deze tijd „godvruchtige toewijding” beoefenen, is door in materieel opzicht voor behoeftige familieleden te zorgen.

8. Waarom geeft de Bijbel geen specifieke instructies als het gaat om de zorg voor ouders?

8 Het komt erop neer dat volwassen kinderen de verplichting hebben om in materieel opzicht voor hun ouders te zorgen. Paulus had het hier over gelovige familieleden, maar ook ouders die geen deel uitmaken van de gemeente mogen niet verwaarloosd worden. Hoe kinderen voor hun ouders zorgen, kan sterk verschillen. Behoeften, persoonlijkheid  en gezondheid variëren. Sommige ouderen hebben veel kinderen; andere maar een. Sommige krijgen steun van de overheid, en andere niet. Ook de persoonlijke voorkeuren van degenen die zorg nodig hebben, lopen uiteen. Het zou daarom niet verstandig of liefdevol zijn om kritiek te hebben op de manier waarop iemand voor oudere familieleden probeert te zorgen. Jehovah kan tenslotte elke Bijbelse beslissing zegenen zodat die goed uitpakt. Dat is al zo sinds de dagen van Mozes (Num. 11:23).

9-11. (a) Met welke situaties krijgen sommigen te maken? (Zie beginplaatje.) (b) Waarom moeten kinderen niet overhaast beslissen de volletijddienst te verlaten? Geef een voorbeeld.

9 Als ouders en kinderen ver uit elkaar wonen, kan het een hele uitdaging zijn om ouders de nodige hulp te geven. Soms moeten kinderen plotseling naar hun ouders toe omdat een van hen is gevallen, een botbreuk heeft of omdat er een ander ernstig probleem is ontstaan. En daarna hebben de ouders misschien tijdelijk of voor langere tijd hulp nodig. *

10 Volletijddienaren die vanwege theocratische toewijzingen ver van hun familie wonen, staan soms voor bijzonder moeilijke beslissingen. Bethelieten, zendelingen en reizende opzieners bezien hun toewijzing als een kostbare zegen van Jehovah. Maar als hun ouders ziek worden, zou hun eerste reactie kunnen zijn: we moeten onze toewijzing verlaten om voor onze ouders te zorgen. Toch zou het verstandig zijn om onder gebed te overwegen of de ouders dat echt nodig hebben of willen. Het zou niet goed zijn om zulke dienstvoorrechten overhaast op te geven, en dat is misschien ook niet altijd nodig. Is het gezondheidsprobleem tijdelijk en zouden sommigen in de gemeente van de ouders misschien graag willen helpen? — Spr. 21:5.

11 Neem het voorbeeld van een ouder echtpaar in Japan. Ze hadden twee zoons; de een was zendeling in Paraguay, de ander werkte op het hoofdkantoor in Brooklyn. Toen de ouders hulpbehoevend werden, gingen de zoons met hun vrouwen naar Japan om te zien wat er gedaan kon worden. Na een tijdje overwoog het echtpaar in Paraguay hun toewijzing te verlaten om voor hun ouders te gaan zorgen. Op dat moment kregen ze een telefoontje van de coördinator in de gemeente van de ouders. De ouderlingen hadden de situatie besproken en wilden dat de zendelingen zo lang mogelijk in hun toewijzing konden blijven. De ouderlingen hadden waardering voor de dienst van dit echtpaar en wilden alles doen wat ze konden om ze te helpen bij de zorg voor hun ouders. De familie was heel dankbaar voor die liefdevolle hulp.

12. Waar zal een familie rekening mee moeten houden als ze een beslissing nemen over de zorg voor hun ouders?

12 Welke aanpak familieleden ook kiezen in verband met de zorg voor hun ouders, alle betrokkenen zullen er zeker van willen zijn dat daarmee een gunstig licht op Gods naam wordt geworpen. We zouden nooit willen zijn als de religieuze leiders in Jezus’ tijd (Matth. 15:3-6). We willen beslissingen nemen die God en de gemeente verheerlijken (2 Kor. 6:3).

DE VERANTWOORDELIJKHEID VAN DE GEMEENTE

13, 14. Hoe laat de Bijbel zien dat gemeenten aandacht hebben voor de zorg voor oudere gemeenteleden?

13 Niet iedereen kan volletijddienaren op de eerder genoemde manier helpen.  Maar uit een situatie in de eerste eeuw blijkt dat gemeenten aandacht hebben voor de zorg voor voorbeeldige oudere broeders en zusters. De Bijbel zegt over de gemeente in Jeruzalem: „Er was geen enkele behoeftige onder hen.” Het was niet zo dat ze het allemaal breed hadden. Kennelijk waren sommigen arm, maar er werd aan iedereen „uitgedeeld naar zijn behoefte” (Hand. 4:34, 35). Later ontstond er een probleem in die gemeente. Er waren berichten dat bepaalde „weduwen bij de dagelijkse voedselverdeling over het hoofd werden gezien”. Onder leiding van de apostelen werden er daarom bekwame mannen aangesteld die toezagen op een eerlijke verdeling zodat de weduwen kregen wat ze nodig hadden (Hand. 6:1-5). Het is waar dat de voedselverdeling een tijdelijke regeling was voor personen die met Pinksteren 33 christenen waren geworden en in Jeruzalem waren gebleven om geestelijk opgebouwd te worden. Maar de reactie van de apostelen laat in ieder geval zien dat de gemeente kan helpen bij de zorg voor behoeftige broeders en zusters.

14 Zoals eerder opgemerkt, legde Paulus aan Timotheüs uit in welke omstandigheden een christelijke weduwe in aanmerking zou komen voor materiële hulp van de gemeente (1 Tim. 5:3-16). Jakobus werd ertoe geïnspireerd te schrijven over de christelijke verplichting om zorg te dragen voor wezen, weduwen en anderen die het moeilijk hebben (Jak. 1:27; 2:15-17). En Johannes zei: „Als iemand echter de middelen van deze wereld voor de instandhouding van het leven bezit en zijn broeder gebrek ziet lijden en toch de deur van zijn gevoelens van teder mededogen voor hem sluit, in welk opzicht blijft de liefde Gods dan in hem?” (1 Joh. 3:17) Als afzonderlijke christenen zulke verplichtingen hebben tegenover de behoeftigen, geldt dat dan niet ook voor de gemeenten?

Hoe kan de gemeente helpen als er iets gebeurt? (Zie alinea 15, 16)

15. Welke factoren kunnen een rol spelen als het gaat om hulp voor oudere broeders en zusters?

15 In sommige landen heeft de overheid voorzieningen getroffen voor uitkeringen en thuiszorg voor ouderen (Rom. 13:6). In andere landen is dat niet het geval. Hoeveel hulp familieleden en de gemeente moeten geven aan oudere broeders en zusters verschilt dus per situatie. Als gelovige kinderen ver van hun ouders wonen, kan dat invloed hebben op de hoeveelheid hulp die ze kunnen geven. Open communicatie tussen de kinderen en de ouderlingen in de gemeente  van de ouders zal ertoe bijdragen dat iedereen de omstandigheden van de familie begrijpt. De ouderlingen kunnen de ouders bijvoorbeeld helpen uit te zoeken welke plaatselijke sociale voorzieningen er zijn. Misschien merken ze dingen op — zoals ongeopende rekeningen of verkeerd medicijngebruik — die ze onder de aandacht kunnen brengen van de volwassen kinderen. Zo’n vriendelijke uitwisseling van informatie kan voorkomen dat een situatie verergert en kan tot praktische oplossingen leiden. Het is duidelijk dat personen die ter plekke hulp bieden en namens de familie een oogje in het zeil houden, de zorgen van een familie kunnen verlichten.

16. Wat doen sommigen in de gemeente om de ouderen te helpen?

16 Uit liefde voor onze ouderen bieden sommige broeders en zusters graag hun tijd en energie aan om waar mogelijk te helpen. Ze doen bewust moeite om extra aandacht te geven aan de ouderen. Sommigen delen de taken met anderen in de gemeente en zorgen bij toerbeurt voor de ouderen. In het besef dat hun eigen omstandigheden het niet toelaten dat ze zelf in de volletijddienst staan, helpen ze de kinderen graag zo lang mogelijk in hun toewijzing te blijven. Wat een schitterende instelling! Maar hoeveel hulp anderen ook bieden, de kinderen hebben natuurlijk nog steeds de verantwoordelijkheid om voor hun ouders te doen wat ze kunnen.

EER DE OUDEREN MET VERSTERKENDE WOORDEN

17, 18. Welke rol speelt iemands instelling als hij zorg geeft of krijgt?

17 Iedereen die betrokken is bij het verlenen van zorg kan proberen de situatie zo aangenaam mogelijk te maken. Doe je best om een positieve instelling te houden. In sommige gevallen veroorzaakt het ouder worden moedeloosheid en zelfs depressiviteit. Misschien moet je daarom extra moeite doen om oudere broeders en zusters te eren en aan te moedigen. Dat kun je doen door gesprekken opbouwend te houden. Broeders en zusters met een lange staat van dienst verdienen een compliment. Jehovah vergeet niet wat ze in zijn dienst hebben gedaan, en dat doen wij ook niet. (Lees Maleachi 3:16; Hebreeën 6:10.)

18 Daarnaast kunnen moeilijke dagelijkse taken makkelijker gemaakt worden als de ouderen en hun verzorgers af en toe humor gebruiken (Pred. 3:1, 4). Veel ouderen doen hun best niet veeleisend te zijn. Ze beseffen dat de hoeveelheid aandacht en bezoekjes die ze krijgen, beïnvloed kan worden door hun opstelling. Je hoort weleens zeggen: „Ik ging op bezoek bij een oudere om hem aan te moedigen, maar toen ik vertrok, was ik zelf aangemoedigd” (Spr. 15:13; 17:22).

19. Waarom is geloof in Gods beloften belangrijk voor zowel jong als oud?

19 We kijken uit naar de tijd dat er een eind zal komen aan lijden en de gevolgen van onvolmaaktheid. Ondertussen moeten Gods aanbidders hun hoop gericht houden op dat wat eeuwig is. We weten dat geloof in Gods beloften ons kracht geeft in tijden van problemen of verdrukking. Dankzij dat geloof „geven wij de moed niet op, maar ook al vervalt de mens die wij uiterlijk zijn, de mens die wij innerlijk zijn, wordt stellig van dag tot dag vernieuwd” (2 Kor. 4:16-18; Hebr. 6:18, 19). Wat kan je nog meer helpen de verantwoordelijkheid om zorg te geven na te komen? In het volgende artikel gaan we een aantal nuttige suggesties bespreken.

^ ¶9 Het volgende artikel bespreekt enkele opties die ouderen en hun kinderen kunnen overwegen.