Toegankelijkheidsinstelling

Search

Taal selecteren

Doorgaan naar secundair menu

Doorgaan naar inhoudsopgave

Doorgaan naar inhoud

Jehovah’s Getuigen

Nederlands

DE WACHTTOREN (STUDIE-UITGAVE) FEBRUARI 2014

Vragen van lezers

Vragen van lezers

Welke redenen hadden de Joden in de eerste eeuw om de Messias te verwachten?

In de tijd van Johannes de Doper was het volk „vol verwachting”. Ze vroegen zich over Johannes af: „Zou hij misschien de Christus zijn?” (Luk. 3:15) Waarom verwachtten de Joden dat de Messias in die tijd zou verschijnen? Daar zijn een aantal redenen voor.

Na Jezus’ geboorte verscheen Jehovah’s engel aan herders die hun kudden aan het weiden waren in de velden vlak bij Bethlehem. De engel zei: „Heden is u in Davids stad een Redder geboren, die Christus de Heer is” (Luk. 2:8-11). Daarna voegde zich bij de engel „een menigte van de hemelse legerschare, die God loofde en zei *: ’Glorie in de hoogste hoogten aan God, en op aarde vrede onder mensen van goede wil’” (Luk. 2:13, 14).

Die aankondiging had beslist een krachtig effect op die nederige herders. Ze gingen meteen op weg naar Bethlehem, en toen ze Jozef en Maria en het kind vonden „maakten zij het woord bekend dat betreffende dit jonge kind tot hen was gesproken”. Het gevolg? „Allen die het hoorden, stonden verwonderd over hetgeen hun door de herders werd verteld” (Luk. 2:17, 18). De woorden „allen die het hoorden” laten uitkomen dat de herders er behalve met Jozef en Maria ook nog met anderen over gepraat hebben. „Toen keerden de herders terug, terwijl zij God verheerlijkten en loofden om alles wat zij gehoord en gezien hadden, precies zoals het hun was gezegd” (Luk. 2:20). De herders hielden de goede dingen die ze over de Christus hadden gehoord dus niet voor zichzelf.

Toen Maria haar eerstgeboren zoon naar Jeruzalem bracht om hem zoals de Wet van Mozes voorschreef aan Jehovah aan te bieden, begon de profetes Anna „dank aan God [te] brengen en tot allen die Jeruzalems bevrijding verwachtten, over het kind [te] spreken” (Luk. 2:36-38; Ex. 13:12). Het nieuws over de Messias bleef zich dus verspreiden.

Later kwamen er astrologen uit het oosten naar Jeruzalem die zeiden: „Waar is degene die als koning der joden geboren is? Want wij hebben zijn ster gezien toen wij in het oosten waren, en wij zijn gekomen om hem hulde te brengen” (Matth. 2:1, 2). Toen koning Herodes dit te horen kreeg, „raakte hij in beroering en heel Jeruzalem met hem; en na alle overpriesters en schriftgeleerden van het  volk bijeengeroepen te hebben, ging hij bij hen informeren waar de Christus geboren zou worden” (Matth. 2:3, 4). Heel veel mensen kregen dus te horen dat de toekomstige Messias was gearriveerd. *

Lukas 3:15 laat zien dat sommige Joden dachten dat Johannes de Doper misschien de Christus was. Maar Johannes sprak dat tegen: „Hij die na mij komt, is sterker dan ik, en ik ben niet waardig hem van zijn sandalen te ontdoen. Die zal u dopen met heilige geest en met vuur” (Matth. 3:11). Door die bescheiden woorden van Johannes zullen de Messiaanse verwachtingen alleen maar toegenomen zijn.

Zou het kunnen dat de eerste-eeuwse Joden de komst van de Messias berekend hadden aan de hand van de profetie van de zeventig weken in Daniël 9:24-27? Die mogelijkheid kan niet uitgesloten en ook niet bevestigd worden. Er waren in Jezus’ tijd veel tegenstrijdige interpretaties van de zeventig weken, en geen daarvan komt in de buurt van ons huidige begrip. *

De essenen, die in het algemeen worden gezien als een Joodse kloostersekte, onderwezen dat er aan het eind van 490 jaar twee messiassen zouden verschijnen. We kunnen er alleen niet zeker van zijn of de essenen hun berekeningen op Daniëls profetie baseerden. Als dat wel het geval is geweest, is het moeilijk voor te stellen hoe de Joden beïnvloed zouden kunnen zijn door de berekeningen van zo’n teruggetrokken groep.

In de tweede eeuw geloofden sommige Joden dat de zeventig weken de periode besloegen vanaf de vernietiging van de eerste tempel in 607 v.Chr. tot de vernietiging van de tweede tempel in het jaar 70. Andere dachten dat de profetie in vervulling ging in de periode van de Makkabeeën in de tweede eeuw v.Chr. Er was dus geen duidelijke consensus over de manier waarop de zeventig weken geteld moesten worden.

Als de profetie van de zeventig weken in de eerste eeuw goed begrepen was, zou je verwachten dat de apostelen en andere christenen in de eerste eeuw ernaar verwezen zouden hebben als bewijs dat de beloofde Messias precies op tijd gekomen was in de persoon van Jezus Christus. Maar er zijn geen bewijzen dat de eerste christenen dat hebben gedaan.

Er is nog een belangrijk punt. Evangelieschrijvers maakten vaak duidelijk dat bepaalde profetieën uit de Hebreeuwse Geschriften een vervulling hadden in Jezus (Matth. 1:22, 23; 2:13-15; 4:13-16). Toch brengt geen van hen Jezus’ komst op aarde in verband met de profetie van de zeventig weken.

We kunnen dus niet met zekerheid zeggen of mensen in Jezus’ tijd de profetie van de zeventig weken goed begrepen. Maar zoals we hebben besproken, geven de evangeliën goede redenen waarom de mensen in die tijd de Messias verwachtten.

^ ¶4 De Bijbel zegt niet dat de engelen bij Jezus’ geboorte zongen.

^ ¶7 Je kunt je afvragen hoe de astrologen de link hebben gelegd tussen het verschijnen van de „ster” in het oosten en de geboorte van de „koning der joden”. Kan het zijn dat ze het nieuws over Jezus’ geboorte hebben gehoord op hun reis door Israël?

^ ¶9 Zie voor ons huidige begrip van de profetie van de zeventig weken hoofdstuk 11 van Schenk aandacht aan Daniëls profetie!