Toegankelijkheidsinstelling

Search

Taal selecteren

Doorgaan naar secundair menu

Doorgaan naar inhoudsopgave

Doorgaan naar inhoud

Jehovah’s Getuigen

Nederlands

DE WACHTTOREN (STUDIE-UITGAVE) OKTOBER 2013

Leef in overeenstemming met Jezus’ gebed

Leef in overeenstemming met Jezus’ gebed

„Vader, (...) verheerlijk uw zoon, opdat uw zoon u verheerlijkt.” — JOHANNES 17:1.

1, 2. Wat deed Jezus nadat hij in het jaar 33 met zijn trouwe apostelen het Pascha had gevierd?

HET is laat op de avond van 14 Nisan in het jaar 33. Jezus heeft net met zijn goede vrienden het Pascha gevierd, dat ze herinnert aan de manier waarop God hun voorvaders uit Egypte heeft bevrijd. Maar zijn trouwe discipelen zullen een veel grotere „eeuwige bevrijding” meemaken. De volgende dag zal Jezus gedood worden door zijn vijanden. Maar deze boosaardige daad zal in een zegen veranderd worden. Jezus’ vergoten bloed zal het mogelijk maken dat de mensheid van zonde en dood bevrijd wordt (Hebr. 9:12-14).

2 Om ervoor te zorgen dat we deze liefdevolle voorziening niet vergeten, stelde Jezus een nieuwe jaarlijkse herdenking in die het Pascha verving. Hij nam een stuk ongezuurd brood, gaf het door aan zijn elf trouwe apostelen en zei: „Dit betekent mijn lichaam, dat ten behoeve van u gegeven zal worden. Blijft dit tot een gedachtenis aan mij doen.” Hetzelfde deed hij met een beker rode wijn, en hij zei: „Deze beker betekent het nieuwe verbond krachtens mijn bloed, dat ten behoeve van u vergoten zal worden” (Luk. 22:19, 20).

3. (a) Welke grote verandering volgde op Jezus’ dood? (b) Over welke vragen moeten we nadenken als het gaat om Jezus’ gebed in Johannes 17?

3 Er zou binnenkort een eind komen aan het Wetsverbond tussen God en het volk Israël. Het zou vervangen worden door een nieuw verbond tussen Jehovah en Jezus’ gezalfde volgelingen. Jezus wilde graag dat het goed zou gaan met deze nieuwe geestelijke natie. Het letterlijke Israël was religieus en sociaal enorm verdeeld, en dat bracht smaad op Gods heilige naam (Joh. 7:45-49; Hand. 23:6-9). Maar Jezus wilde dat zijn volgelingen in eenheid zouden samenwerken  om Gods naam te verheerlijken. Dus wat deed Jezus? Hij sprak het mooiste gebed uit dat mensen ooit zullen kunnen lezen (Joh. 17:1-26; zie beginplaatje). Als we daar nu op terugkijken, kunnen we ons afvragen: heeft God Jezus’ gebed verhoord? En het is goed onszelf te onderzoeken en ons af te vragen: leef ik in overeenstemming met het gebed?

JEZUS’ PRIORITEITEN

4, 5. (a) Wat leren we van het eerste deel van Jezus’ gebed? (b) Hoe verhoorde Jehovah het verzoek dat Jezus voor zichzelf deed?

4 Jezus zit tot diep in de nacht met zijn discipelen te praten en leert ze kostbare dingen over God. Dan slaat hij zijn ogen op naar de hemel en bidt: „Vader, het uur is gekomen; verheerlijk uw zoon, opdat uw zoon u verheerlijkt, gelijk gij hem autoriteit over alle vlees hebt gegeven, opdat hij, wat het gehele aantal betreft van hen die gij hem hebt gegeven, hun eeuwig leven moge geven. (...) Ik heb u op de aarde verheerlijkt, daar ik het werk heb voleindigd dat gij mij te doen hebt gegeven. En nu, Vader, verheerlijk mij naast uzelf met de heerlijkheid die ik naast u had voordat de wereld was” (Joh. 17:1-5).

5 Merk op waar Jezus in het begin van zijn gebed prioriteit aan geeft. De verheerlijking van zijn hemelse Vader is zijn voornaamste zorg, en dat stemt overeen met het eerste verzoek in zijn modelgebed: „Vader, uw naam worde geheiligd” (Luk. 11:2). Vervolgens richt hij zich op de behoeften van zijn discipelen: dat hij „hun eeuwig leven moge geven”. Daarna vraagt hij iets voor zichzelf: „Vader, verheerlijk mij naast uzelf met de heerlijkheid die ik naast u had voordat de wereld was.” Jehovah verhoort het gebed van zijn trouwe Zoon door hem zelfs meer te geven dan waar hij om vraagt: ’een naam welke uitnemender is dan’ die van alle engelen (Hebr. 1:4).

’DE ENIGE WARE GOD KENNEN’

6. Wat moesten de apostelen doen om eeuwig leven te krijgen, en hoe weten we dat dat ze gelukt is?

6 In zijn gebed zegt Jezus ook wat we als zondaars moeten doen om de onverdiende gave van eeuwig leven te krijgen. (Lees Johannes 17:3.) Hij zegt dat we kennis van God en van Christus in ons moeten blijven opnemen. Hoe kunnen we dat doen? Ten eerste door ons best te doen meer over Jehovah en zijn Zoon te weten te komen. Ten tweede door wat we leren in ons leven toe te passen en te ervaren welke vreugde dat geeft. De apostelen hadden dit levengevende proces gevolgd, want Jezus zei in zijn gebed: „De woorden die gij mij hebt gegeven, heb ik hun gegeven, en zij hebben ze aangenomen” (Joh. 17:8). Maar om eeuwig leven te krijgen, moesten ze over Gods woorden blijven mediteren en die in hun dagelijks leven toepassen. Is het de apostelen gelukt om dat tot het eind van hun leven op aarde te doen? Absoluut. En dat weten we omdat hun namen allemaal onuitwisbaar op de twaalf fundamentstenen van het hemelse Nieuwe Jeruzalem staan geschreven (Openb. 21:14).

7. Wat houdt het in God te „kennen”, en waarom is dat zo belangrijk?

7 Volgens kenners van het oude Grieks kan de uitdrukking voor „voortdurend kennis in zich opnemen” ook vertaald worden met ’ermee voortgaan te kennen’. Deze twee betekenissen sluiten op elkaar aan en zijn beide belangrijk. De voetnoot bij Johannes 17:3 in de Studiebijbel geeft dan ook de alternatieve weergave „dat zij u blijven kennen”. „Kennis in zich opnemen” van God is dus een voortdurend proces dat leidt tot het voorrecht  hem te „kennen”. Maar om de belangrijkste Persoon in het universum te kennen is meer nodig dan weten wat zijn voornemen en eigenschappen zijn. Jehovah kennen houdt in dat we een hechte band van liefde met hem en onze broeders en zusters hebben. De Bijbel legt uit: „Wie niet liefheeft, heeft God niet leren kennen” (1 Joh. 4:8). God kennen houdt ook in dat we hem gehoorzamen. (Lees 1 Johannes 2:3-5.) Wat is het een groot voorrecht tot degenen te behoren die Jehovah kennen! Maar net als Judas Iskariot zouden we die kostbare band kunnen verliezen. Laten we dus ons best doen om onze vriendschap met Jehovah te versterken. Dan zullen we uiteindelijk in aanmerking komen voor de onverdiende gave van eeuwig leven (Matth. 24:13).

„TER WILLE VAN UW NAAM”

8, 9. (a) Wat vond Jezus het belangrijkste toen hij op aarde was? (b) Welke traditie moet hij verworpen hebben?

8 Wie kan er na het lezen van Jezus’ gebed in Johannes 17 nog twijfelen aan zijn diepe liefde voor zowel zijn apostelen, die erbij waren, als zijn toekomstige discipelen? (Joh. 17:20) Maar tegelijk moeten we beseffen dat het Jezus niet in de eerste plaats om onze redding ging. Van het begin tot het eind van zijn bediening op aarde was de heiliging en verheerlijking van Gods naam voor hem het belangrijkste. Toen hij bijvoorbeeld in de synagoge van Nazareth bekendmaakte wat zijn opdracht was, las hij uit de boekrol van Jesaja: „Jehovah’s geest is op mij, omdat hij mij heeft gezalfd om de armen goed nieuws bekend te maken.” Ongetwijfeld heeft Jezus Gods naam duidelijk uitgesproken toen hij dat voorlas (Luk. 4:16-21).

9 Lang voordat Jezus naar de aarde kwam, leerden Joodse religieuze leiders de mensen Gods naam niet te gebruiken. We kunnen er zeker van zijn dat Jezus zo’n onbijbelse traditie resoluut verwierp. Hij zei tegen zijn tegenstanders: „Ik ben in de naam van mijn Vader gekomen, maar gij aanvaardt mij niet; indien iemand anders in zijn eigen naam kwam,  zoudt gij hem aanvaarden” (Joh. 5:43). En een paar dagen voor zijn dood liet Jezus merken wat het belangrijkste was in zijn leven toen hij bad: „Vader, verheerlijk uw naam” (Joh. 12:28). Ook uit het gebed dat we nu bespreken blijkt duidelijk dat de verheerlijking van Gods naam het belangrijkste was in Jezus’ leven.

10, 11. (a) Hoe maakte Jezus de naam van zijn Vader bekend? (b) Waarom maken Jezus’ discipelen Gods naam bekend?

10 Jezus bad: „Ik heb uw naam openbaar gemaakt aan de mensen die gij mij uit de wereld hebt gegeven. Zij waren van u, en gij hebt hen aan mij gegeven, en zij hebben uw woord onderhouden. Ook ben ik niet langer in de wereld, maar zij zijn in de wereld en ik kom naar u toe. Heilige Vader, waak over hen ter wille van uw naam, die gij mij hebt gegeven, opdat zij één mogen zijn zoals wij” (Joh. 17:6, 11).

11 Om de naam van zijn Vader bekend te maken aan zijn discipelen, deed Jezus veel meer dan die uitspreken. Hij hielp ze ook te begrijpen waar die naam voor staat, namelijk Gods schitterende eigenschappen en de manier waarop hij met ons omgaat (Ex. 34:5-7). En als Koning in de hemel blijft hij zijn discipelen helpen Jehovah’s naam overal op aarde bekend te maken. Waarom wordt dat werk gedaan? Om nog meer discipelen bijeen te brengen voordat dit goddeloze samenstel aan zijn eind komt. En als dat gebeurt, zal Jehovah zijn loyale getuigen bevrijden en zal iedereen zijn grote naam kennen (Ezech. 36:23).

„OPDAT DE WERELD MOGE GELOVEN”

12. Welke drie dingen zijn noodzakelijk om ons levensreddende werk goed te kunnen doen?

12 Toen Jezus op aarde was, deed hij zijn best om zijn discipelen te helpen hun zwakheden te overwinnen. Dit was essentieel om het werk te kunnen voltooien waarmee Jezus was begonnen. Hij bad: „Zoals gij mij in de wereld hebt uitgezonden, heb ook ik hen in de wereld uitgezonden.” Jezus benadrukt drie dingen die noodzakelijk zijn om dit levensreddende werk goed te kunnen doen. Ten eerste bidt hij of zijn discipelen geen deel van Satans wereld mogen zijn. Ten tweede vraagt hij of ze geheiligd mogen worden, heilig mogen blijven, doordat ze de waarheid uit Gods Woord op zichzelf toepassen. Ten derde smeekt Jezus herhaaldelijk of zijn discipelen verenigd mogen zijn in dezelfde band van liefde die tussen hem en zijn Vader bestaat. Dit vereist zelfonderzoek. Elk van ons moet zich afvragen: leef ik in overeenstemming met de drie punten die Jezus noemt? Jezus had het vertrouwen dat als zijn discipelen die dingen deden, veel mensen hun boodschap zouden aanvaarden. (Lees Johannes 17:15-21.)

Christenen in de eerste eeuw werkten met de heilige geest samen om de eenheid te bewaren (Zie paragraaf 13)

13. Hoe werd Jezus’ gebed in de eerste eeuw verhoord?

13 Als we het boek Handelingen bestuderen, zien we dat Jezus’ gebed verhoord werd. De gemeenten in de eerste eeuw bestonden uit Joden en niet-Joden, rijken en armen, slaven en slaveneigenaars. Er was dus een reële kans dat er verdeeldheid zou ontstaan. Toch waren ze zo eensgezind dat ze vergeleken konden worden met de verschillende delen van een menselijk lichaam met Jezus als hun hoofd (Ef. 4:15, 16). In Satans verdeelde wereld was zo’n eenheid alleen mogelijk dankzij de werking van Jehovah’s machtige heilige geest (1 Kor. 3:5-7).

Overal op aarde is er eenheid onder Jehovah’s volk (Zie paragraaf 14)

14. Hoe is Jezus’ gebed in deze tijd verhoord?

14 Helaas verdween deze bijzondere eenheid na de dood van de apostelen. Zoals voorzegd begon een grote afval die leidde tot de verdeelde sekten van de christenheid (Hand. 20:29, 30). Maar in  1919 bevrijdde Jezus zijn gezalfde volgelingen uit gevangenschap aan valse religie en bracht hij ze samen in „een volmaakte band van eenheid” (Kol. 3:14). Wat is het resultaat geweest van hun prediking? Meer dan zeven miljoen „andere schapen” uit „alle natiën en stammen en volken en talen” zijn met de gezalfden in één verenigde kudde samengebracht (Joh. 10:16; Openb. 7:9). Wat een spectaculaire verhoring van Jezus’ gebed: „Opdat de wereld moge weten dat gij [Jehovah] mij hebt uitgezonden en dat gij hen hebt liefgehad evenals gij mij hebt liefgehad”! — Joh. 17:23.

EEN MOOI BESLUIT

15. Welk speciale verzoek deed Jezus voor zijn gezalfde volgelingen?

15 Eerder op de avond van 14 Nisan had Jezus zijn apostelen heerlijkheid of eer gegeven door een verbond met ze te sluiten om met hem in zijn Koninkrijk te regeren (Luk. 22:28-30; Joh. 17:22). Daarom bidt hij nu voor iedereen die zijn gezalfde volgeling zal worden: „Vader, met betrekking tot wat gij mij hebt gegeven, wens ik dat waar ik ben, ook zij bij mij mogen zijn, opdat zij mijn heerlijkheid mogen aanschouwen die gij mij hebt gegeven, omdat gij mij hebt liefgehad vóór de grondlegging der wereld” (Joh. 17:24). Dit veroorzaakt bij Jezus’ andere schapen blijdschap, en geen jaloezie. En het is een bewijs van de eenheid die er is onder alle ware christenen in deze tijd.

16, 17. (a) Wat zou Jezus blijven doen, zoals hij in het besluit van zijn gebed zei? (b) Wat moeten wij blijven doen?

16 Onder invloed van hun religieuze leiders kiezen de meeste mensen in de wereld ervoor het duidelijke bewijs te negeren dat Jehovah een verenigd volk heeft dat hem echt kent. Dat was ook zo in Jezus’ tijd. Daarom besluit hij zijn gebed met deze innemende woorden: „Rechtvaardige Vader, de wereld heeft u weliswaar niet leren kennen, maar ik heb u leren kennen, en dezen zijn te weten gekomen dat gij mij hebt uitgezonden. En ik heb hun uw naam bekendgemaakt en zal hem bekendmaken, opdat de liefde waarmee gij mij hebt liefgehad, in hen moge zijn en ik in eendracht met hen” (Joh. 17:25, 26).

17 Wie kan ontkennen dat Jezus in overeenstemming met zijn gebed heeft gehandeld? Als Hoofd van de gemeente blijft hij ons helpen zijn Vaders naam en voornemen bekend te maken. Laten we ons blijven onderwerpen aan zijn gezag door ijverig te prediken en discipelen te maken (Matth. 28:19, 20; Hand. 10:42). En laten we ook ons best doen om onze kostbare eenheid te bewaren. Op die manier zullen we in overeenstemming met Jezus’ gebed leven, tot eer van Jehovah’s naam en tot ons eeuwige geluk.