Toegankelijkheidsinstelling

Search

Taal selecteren

Doorgaan naar secundair menu

Doorgaan naar inhoudsopgave

Doorgaan naar inhoud

Jehovah’s Getuigen

Nederlands

DE WACHTTOREN (STUDIE-UITGAVE) JULI 2013

 LEVENSVERHAAL

Bereid om Jehovah overal te dienen

Bereid om Jehovah overal te dienen

Ik had nog nooit alleen gewerkt in de velddienst. Elke keer dat ik ging, was ik zo zenuwachtig dat ik stond te trillen op mijn benen. Tot overmaat van ramp was het gebied ook nog erg moeilijk. Sommige mensen reageerden zelfs agressief en dreigden me in elkaar te slaan. In de eerste maand dat ik pionierde, verspreidde ik maar één brochure! — Markus.

DAT gebeurde meer dan zestig jaar geleden, in 1949. Maar mijn verhaal begint jaren daarvoor. Mijn vader, Hendrik, was klompenmaker en tuinman in Donderen, een klein dorpje in het noorden van Drenthe. Daar werd ik in 1927 geboren als de vierde van zeven kinderen. Ons huis stond aan een zandweg in een landelijke omgeving. De meesten van onze buren waren boer, en ik hield van het leven op het platteland. In 1947, toen ik negentien was, leerde ik de waarheid kennen via Theunis Been, een van onze buren. Ik kan me herinneren dat ik hem in het begin niet echt mocht, maar niet lang na de Tweede Wereldoorlog werd hij een van Jehovah’s Getuigen en het viel me op dat hij veel vriendelijker was geworden. Die verandering van persoonlijkheid fascineerde me, dus luisterde ik toen hij me vertelde over Gods belofte van een paradijs op aarde. Al snel aanvaardde ik de waarheid, en er ontstond een levenslange vriendschap. *

In mei 1948 ging ik voor het eerst in de velddienst en op 20 juni, nog maar een maand later, werd ik op een congres in Utrecht gedoopt. Ik begon op 1 januari 1949 met pionieren en werd toegewezen aan een kleine gemeente in Borculo, in het oosten van het land. Omdat het een reis van zo’n 130 kilometer was, besloot ik er met  de fiets naartoe te gaan. Ik had verwacht er ongeveer 6 uur over te doen, maar ik had veel tegenwind en de regen viel met bakken uit de hemel. Hoewel ik de laatste 90 kilometer de trein nam, deed ik er uiteindelijk 12 uur over! Laat op de avond kwam ik eindelijk op mijn bestemming aan: een Getuigengezin bij wie ik inwoonde terwijl ik in dat gebied pionierde.

In de jaren na de oorlog hadden de mensen niet veel bezittingen. Ik had maar één pak en één broek: het pak was te groot en de broek te kort! Zoals ik in de inleiding zei, was de eerste maand in Borculo niet makkelijk, maar Jehovah zegende me met een aantal Bijbelstudies. Negen maanden later kreeg ik een nieuwe toewijzing: Amsterdam.

VAN HET PLATTELAND NAAR DE STAD

Ik kwam van het platteland, maar nu zat ik ineens in een grote stad als Amsterdam! De velddienst was heel productief. In de eerste maand verspreidde ik meer lectuur dan in de negen maanden daarvoor. Al snel leidde ik wel acht Bijbelstudies. Nadat ik was aangesteld als gemeentedienaar (nu coördinator van het lichaam van ouderlingen), kreeg ik de toewijzing om mijn eerste openbare lezing te houden. Ik zag er als een berg tegenop, dus ik was enorm opgelucht toen ik vlak voordat ik de lezing moest uitspreken aan een andere gemeente werd toegewezen. Toen wist ik nog niet dat ik in de loop van de tijd meer dan vijfduizend lezingen zou houden!

Markus (helemaal rechts) bezig met straatwerk in Amsterdam in 1950

In mei 1950 werd ik toegewezen aan Haarlem en daarna werd ik gevraagd voor de kringdienst. Drie nachten lang deed ik bijna geen oog dicht. Ik zei tegen Robert Winkler, een van de broeders op het bijkantoor, dat ik me niet bekwaam genoeg voelde, maar hij antwoordde: „Vul de formulieren maar gewoon in, je leert het vanzelf.” Niet lang daarna kreeg ik een opleiding van een maand en begon ik als kringdienaar (kringopziener). Tijdens een bezoek aan een van de gemeenten leerde ik Janny Taatgen kennen, een vrolijke jonge pionierster die veel van Jehovah hield en een zelfopofferende instelling had. We trouwden in 1955. Maar voor ik verderga, zal Janny vertellen hoe ze is gaan pionieren en hoe we elkaar hebben ontmoet.

ALS ECHTPAAR JEHOVAH DIENEN

Janny: Mijn moeder werd in 1945 een Getuige. Ik was toen elf. Ze zag meteen in dat het heel belangrijk was om haar drie kinderen Bijbelstudie te geven. Maar omdat mijn vader een tegenstander was, studeerde ze met ons als hij er niet was.

De eerste vergadering die ik bijwoonde was een congres in Den Haag in 1950. Een week later ging ik naar mijn eerste vergadering in de plaatselijke Koninkrijkszaal in Assen. Mijn vader was woest en zette me het huis uit. Mijn moeder zei: „Je  weet waar je terechtkunt.” Ik wist dat ze het over mijn geestelijke familie had. Ik trok eerst in bij een Getuigengezin in de buurt, maar mijn vader maakte het me nog steeds moeilijk, dus verhuisde ik naar een gemeente in Deventer, zo’n 95 kilometer verderop. Toen kreeg mijn vader problemen met de overheid omdat hij me het huis had uitgezet terwijl ik nog minderjarig was. Daarom zei hij dat ik weer thuis kon komen wonen. Mijn vader is nooit in de waarheid gekomen, maar uiteindelijk mocht ik van hem naar alle vergaderingen en in de velddienst.

Janny (helemaal rechts) als vakantiepionier in 1952

Kort nadat ik weer thuis was komen wonen, werd mijn moeder ernstig ziek en moest ik voor het huishouden zorgen. Toch bleef ik geestelijk groeien, en in 1951 werd ik op mijn zeventiende gedoopt. Toen in 1952 mijn moeder weer beter was, diende ik met drie andere pioniersters twee maanden als vakantiepionier (hulppionier). We sliepen op een woonboot en predikten in Beilen en Hoogeveen. In 1953 ging ik in de gewone pioniersdienst. Een jaar later bezocht een jonge kringopziener onze gemeente. Dat was Markus. In mei 1955 trouwden we, omdat we vonden dat we Jehovah als echtpaar beter konden dienen (Pred. 4:9-12).

Onze trouwdag in 1955

Markus: Na ons trouwen werden we als pioniers toegewezen aan Veendam. We hadden een klein kamertje van twee bij drie meter, maar Janny maakte het heel gezellig. Elke avond moesten we onze tafel en twee stoeltjes aan de kant schuiven om ruimte te maken voor het opklapbed.

Zes maanden later kregen we een uitnodiging voor de kringdienst in België. Toen waren daar nog maar zo’n vierduizend verkondigers. Nu zijn dat er zes keer zo veel! Hoewel er in Vlaanderen ook Nederlands wordt gesproken, is het accent heel anders en moesten we in het begin toch een soort taalbarrière overwinnen.

Janny: Voor het reizende werk is een zelfopofferende instelling nodig. We gingen op de fiets naar de gemeenten en logeerden bij broeders en zusters. Omdat we geen huis hadden, bleven we tot en met maandag op ons logeeradres en gingen dan op dinsdagochtend naar de volgende gemeente. Desondanks bezagen we onze dienst altijd als een zegen van Jehovah.

Markus: Eerst kenden we niemand in de gemeenten, maar de broeders en zusters waren vriendelijk en gastvrij (Hebr. 13:2, vtn.). Door de jaren heen hebben we alle Nederlandstalige gemeenten in België meerdere keren bezocht. Dat heeft ons veel zegeningen gebracht. Zo hebben we bijna alle broeders en zusters in het Nederlandstalige district leren kennen, en we zijn veel van ze gaan houden. We hebben gezien dat honderden jongeren niet alleen letterlijk maar ook geestelijk opgroeiden, zich aan Jehovah opdroegen en het  Koninkrijk op de eerste plaats in hun leven stelden. Het geeft veel vreugde te zien dat velen van hen Jehovah trouw dienen in de volletijddienst (3 Joh. 4). Deze „uitwisseling van aanmoediging” heeft ons geholpen met hart en ziel in onze toewijzing te blijven dienen (Rom. 1:12).

EEN GROTE UITDAGING EN EEN ECHTE ZEGEN

Markus: Vanaf de dag dat we trouwden, wilden we graag naar Gilead. Elke dag besteedden we minstens een uur aan het leren van Engels. Maar het was niet makkelijk om Engels uit een boek te leren, dus besloten we in onze vakantie naar Engeland te gaan om de taal te oefenen terwijl we predikten. In 1963 kregen we uiteindelijk twee brieven van het hoofdbureau in Brooklyn, een voor Janny en een voor mij. Ik werd uitgenodigd voor een speciale Gileadopleiding van tien maanden. De cursus was vooral bedoeld om broeders op te leiden voor organisatorisch werk. Daarom waren 82 van de 100 studenten broeders.

Janny: In mijn brief werd gevraagd of ik gebedsvol zou willen overwegen om in België te blijven terwijl Markus naar Gilead ging. Ik moet toegeven dat ik eerst teleurgesteld was. Het leek alsof Jehovah mijn inspanningen om meer te doen niet had gezegend. Maar ik dacht aan het doel van Gilead: de studenten helpen de wereldwijde prediking te volbrengen. Dus stemde ik ermee in om thuis te blijven en ik kreeg een toewijzing als speciale pionier in Gent met Anna en Maria Colpaert, twee ervaren speciale pioniersters.

Markus: Omdat ik mijn Engels moest verbeteren, werd ik uitgenodigd om vijf maanden voor het begin van de school naar Brooklyn te komen. Ik werkte op de afdeling Expeditie en de Dienstafdeling. Door op het hoofdbureau te dienen en te helpen bij het klaarmaken van lectuurzendingen naar Azië, Europa en Zuid-Amerika, werd ik me meer bewust van onze internationale broederschap. Ik herinner me vooral broeder A.H. Macmillan, die in de tijd van broeder Russell als pelgrim (reizende opziener) had gediend. Hij was al oud en behoorlijk doof, maar hij woonde trouw alle vergaderingen bij. Dat heeft een diepe indruk op me gemaakt en me geleerd dat we de omgang met onze broeders en zusters nooit als iets vanzelfsprekends mogen zien (Hebr. 10:24, 25).

Janny: We schreven elkaar een paar keer per week. We misten elkaar enorm! Toch genoot Markus van de opleiding die hij op Gilead ontving, en ik had echt vreugde in mijn dienst. Toen Markus terugkwam uit de VS leidde ik zeventien studies! Het was echt moeilijk om elkaar vijftien maanden niet te zien, maar ik merkte dat Jehovah onze offers zegende. De dag van Markus’ thuiskomst had het vliegtuig een paar uur vertraging, dus toen hij eindelijk aankwam, vielen we elkaar huilend in de armen. Sindsdien zijn we onafscheidelijk.

DANKBAAR VOOR ELK DIENSTVOORRECHT

Markus: Toen ik in december 1964 terugkwam van Gilead werden we aan Bethel toegewezen. We hadden er toen nog geen idee van dat dat niet onze vaste toewijzing zou blijven. Al na drie maanden gingen we in de districtsdienst in Vlaanderen. Toen Aalzen en Els Wiegersma als  zendelingen naar België kwamen, werden zij aan het districtswerk toegewezen, en wij gingen terug naar Bethel waar ik op de Dienstafdeling ging werken. Tussen 1968 en 1980 is onze toewijzing verschillende keren veranderd van Betheldienst naar het reizende werk. Uiteindelijk heb ik van 1980 tot 2005 weer als districtsopziener gediend.

Hoewel onze toewijzing vaak is veranderd, hebben we nooit uit het oog verloren dat we ons hadden opgedragen om Jehovah met hart en ziel te dienen. We genoten van elke toewijzing, omdat we zeker wisten dat elke verandering als doel had de Koninkrijksbelangen te bevorderen.

Janny: Ik vond het vooral een groot voorrecht in 1977 met Markus naar Brooklyn te gaan en in 1997 naar Patterson. Hij kreeg toen extra opleiding als bijkantoorcomitélid.

JEHOVAH WEET WAT WE NODIG HEBBEN

Markus: In 1982 moest Janny een operatie ondergaan, waar ze goed van herstelde. Drie jaar later was de gemeente in Leuven zo vriendelijk ons een appartement boven hun Koninkrijkszaal aan te bieden. Voor het eerst in dertig jaar hadden we een eigen plek. Als we ons op dinsdag klaarmaakten om een gemeente te bezoeken, moest ik verschillende keren 54 traptreden op en neer voor de bagage! In 2002 werd er gelukkig geregeld dat we een appartement kregen op de begane grond. Nadat ik 78 was geworden, werden we als speciale pioniers aan Lokeren toegewezen. We zijn heel blij dat we op deze manier kunnen dienen en dat we nog elke dag in de velddienst kunnen gaan.

We zijn er vast van overtuigd dat het niet belangrijk is waar we dienen of in welke hoedanigheid, maar wie we dienen

Janny: Bij elkaar staan we al meer dan 120 jaar in de volletijddienst! We hebben zelf ervaren hoe waar Jehovah’s belofte is, dat hij ons ’geenszins in de steek wil laten’ en dat ’het ons aan niets zal ontbreken’ als we hem trouw dienen (Hebr. 13:5; Deut. 2:7).

Markus: Toen we jong waren, hebben we ons aan Jehovah opgedragen. We hebben nooit grote dingen voor onszelf gezocht. We zijn bereid geweest elke toewijzing te aanvaarden omdat we er vast van overtuigd zijn dat het niet belangrijk is waar we dienen of in welke hoedanigheid, maar wie we dienen.

^ par. 5 Later werden mijn vader en moeder, een oudere zus en twee broers ook Getuigen.