Toegankelijkheidsinstelling

Search

Taal selecteren

Doorgaan naar secundair menu

Doorgaan naar inhoudsopgave

Doorgaan naar inhoud

Jehovah’s Getuigen

Nederlands

DE WACHTTOREN (STUDIE-UITGAVE) APRIL 2013

 LEVENSVERHAAL

Vijftig jaar volletijddienst bij de poolcirkel

Vijftig jaar volletijddienst bij de poolcirkel

„Voor jou is het makkelijk om te pionieren. Jouw ouders zijn in de waarheid en ze kunnen je ondersteunen”, zeiden we tegen een vriendin die in de volletijddienst was. „Hoor eens even, we hebben allemaal dezelfde Vader”, antwoordde ze. Daar zat een belangrijke les in: onze hemelse Vader zorgt voor zijn aanbidders en geeft ze kracht. Ons levensverhaal bewijst dat dat waar is.

 WE ZIJN geboren op een boerderij in Noord-Österbotten (Finland), in een gezin met tien kinderen. Onze kindertijd werd overschaduwd door de Tweede Wereldoorlog. Al woonden we honderden kilometers van het front, de verschrikkingen van de oorlog maakten diepe indruk op ons. Toen de steden Oulu en Kalajoki ’s nachts werden gebombardeerd, zagen we een rode gloed aan de hemel. Onze ouders prentten ons in dat we onmiddellijk moesten schuilen als we oorlogsvliegtuigen zagen overkomen. Dus toen onze oudste broer, Tauno, vertelde over een paradijs op aarde waar geen onrecht zou zijn, raakte ons dat diep.

Tauno leerde op zijn veertiende de Bijbelse waarheid kennen door lectuur van de Bijbelonderzoekers. Toen de Tweede Wereldoorlog uitbrak, weigerde hij in militaire dienst te gaan en kwam hij in de gevangenis terecht. Daar werd hij heel slecht behandeld. Maar dat maakte hem alleen maar vastbeslotener om Jehovah te dienen, en na zijn vrijlating was hij nog ijveriger in de dienst. Zijn goede voorbeeld was voor ons een stimulans om naar de vergaderingen te gaan die de Getuigen in een dorp in de buurt hielden. We gingen ook naar congressen, al kostte het veel moeite om genoeg geld voor de reis bij elkaar te krijgen. We naaiden kleren voor mensen in de omgeving, en we verbouwden uien en plukten bessen. Omdat we veel te doen hadden op de boerderij, konden we meestal niet samen naar het congres, dus gingen we om beurten.

Van links naar rechts: Matti (vader), Tauno, Saimi, Maria Emilia (moeder), Väinö (baby), Aili en Annikki in 1935

Door wat we over Jehovah en zijn voornemens leerden, groeide onze liefde voor hem, en we besloten ons aan hem op te dragen. In 1947 symboliseerden we die opdracht door de doop. Annikki was toen vijftien en Aili zeventien. Onze zus Saimi werd datzelfde jaar gedoopt. We studeerden ook met onze zus Linnea, die al getrouwd was. Zij en haar gezin werden ook Getuigen. Na de doop hadden we het doel om te gaan pionieren. Ondertussen dienden we af en toe als vakantiepionier (of hulppionier).

IN DE VOLLETIJDDIENST

Van links naar rechts: Eeva Kallio, Saimi Mattila-Syrjälä, Aili, Annikki en Saara Noponen in 1949

In 1955 verhuisden we naar Kemi, een stad verder naar het noorden. Hoewel we allebei hele dagen werkten, wilden we nog steeds pionieren, maar we waren bang dat we niet in ons onderhoud konden voorzien. We dachten dat we eerst iets gespaard moesten hebben. Rond die tijd hadden we het eerder genoemde gesprek met de pionierster. Daardoor zagen we in dat het niet per se van je inkomen of de hulp van je familie afhangt of je Jehovah fulltime kunt dienen. Je moet vooral op je hemelse Vader vertrouwen.

Op weg naar een congres in Kuopio in 1952. Van links naar rechts: Annikki, Aili en Eeva Kallio

Op dat moment hadden we genoeg om twee maanden van te leven. Dus gaven we ons in mei 1957 aarzelend op om eerst twee maanden te gaan  pionieren in Pello, een dorp in Lapland, boven de poolcirkel. Na twee maanden hadden we al ons spaargeld nog, dus gaven we ons weer voor twee maanden op. Daarna hadden we nog steeds al ons geld. Nu wisten we zeker dat Jehovah voor ons zou zorgen. Na vijftig jaar pioniersdienst hebben we al ons spaargeld nog! Als we nu terugkijken, is het alsof Jehovah ons bij de hand nam en zei: „Wees niet bevreesd. Ikzelf wil u helpen” (Jes. 41:13).

Na vijftig jaar pioniersdienst hebben we nog steeds al ons spaargeld!

Kaisu Reikko en Aili in de velddienst

In 1958 deed onze kringopziener de aanbeveling dat we als speciale pioniers naar Sodankylä (Lapland) zouden verhuizen. Er was toen maar één Getuige in dat gebied, een zuster. Ze had de waarheid op een bijzondere manier leren kennen. Haar zoon was op schoolreis in Helsinki. Toen de klas een wandeling door de stad maakte, kreeg de jongen, die achteraan liep, een Wachttoren van een oudere zuster. Ze vroeg hem die aan zijn moeder te geven. Dat deed hij, en zijn moeder begreep meteen dat het de waarheid was.

We huurden een kamer boven een houtzagerij. Daar hielden we vergaderingen. Eerst waren wij en de plaatselijke zuster met haar dochter de enige aanwezigen. We lazen samen het studiemateriaal. Later kwam er bij de houtzagerij een man werken die al eerder met Getuigen had gestudeerd. Hij sloot zich met zijn hele gezin bij onze groep aan en na een tijdje werden hij en zijn vrouw gedoopt. Nu hadden we een broeder om de vergaderingen te leiden. Ook een aantal andere mannen die bij de zagerij werkten, begonnen de vergaderingen te bezoeken en kwamen in de waarheid. Een paar jaar later was de groep zo gegroeid dat er een gemeente werd opgericht.

BARRE OMSTANDIGHEDEN

De lange afstanden maakten de prediking moeilijk. In de zomer gingen we lopend, fietsend of zelfs met een roeiboot naar de mensen in ons gebied. We hadden vooral veel aan onze fietsen, die we ook gebruikten om naar congressen te gaan en om onze ouders te bezoeken, die honderden kilometers verderop woonden. In de winter namen we ’s ochtends vroeg de bus naar een dorp in de omgeving en gingen dan lopend van huis tot huis. Als we dat dorp hadden bewerkt, liepen we naar het volgende. Er lag veel sneeuw en de wegen waren niet altijd vrijgemaakt. Vaak volgden we de sporen van paardensleeën, maar soms  waren die weer uitgewist door verse sneeuw. In het vroege voorjaar werd de sneeuw zo zacht en papperig dat we erdoorheen moesten ploeteren.

Samen in de velddienst op een koude winterdag

Door de ijzige temperatuur en de sneeuw leerden we ons warm te kleden. We droegen wollen kousen, twee of drie paar sokken en hoge laarzen. Toch zaten onze laarzen vaak vol sneeuw. Als we bij de trappen van een huis kwamen, deden we onze laarzen uit en schudden de sneeuw eruit. Ook werden de zomen van onze lange winterjassen nat als we door de sneeuw liepen. Als het dan kouder werd, bevroren de zomen en werden ze keihard. Eén vrouw zei: „Je moet wel echt geloof hebben als je vrijwillig met dit weer naar buiten gaat.” We hadden meer dan elf kilometer gelopen om dat huis te bereiken.

Vanwege de grote afstanden sliepen we vaak bij mensen thuis. Als het tegen de avond liep, begonnen we te vragen of we ergens konden overnachten. De huizen waren eenvoudig, maar de mensen waren vriendelijk en gastvrij, en ze boden ons niet alleen een slaapplaats aan maar ook iets te eten. Vaak sliepen we op de vacht van een rendier, een eland of zelfs een beer. Soms hadden we wat luxe. Zo bracht een dame in een groot huis ons naar een logeerkamer waar een schitterend bed met schone witte lakens voor ons klaarstond. Heel wat keren praatten we tot laat in de avond met een gezin over de Bijbel. In één huis waar we overnachtten, sliepen de bewoners aan de ene kant van de kamer en wij aan de andere. We bleven van ’s avonds laat tot ‘s ochtends vroeg over de Bijbel praten. De man en zijn vrouw stelden de ene vraag na de andere.

EEN DANKBAAR WERK

Lapland is een ruig maar mooi land. Elk jaargetijde heeft zijn eigen schoonheid. Toch waren voor ons de mensen die Jehovah wilden leren kennen, nog mooier. Sommige oprechte mensen tot wie we predikten waren arbeiders die naar de houthakkerskampen waren gekomen. Soms stapten we met z’n tweetjes een hut binnen waar tientallen mannen zaten. Die stoere houthakkers waren blij met de boodschap van de Bijbel en namen graag lectuur.

We maakten veel bijzondere dingen mee. Op een dag misten we onze bus omdat de klok van het busstation vijf minuten voorliep. We besloten een bus naar een ander dorp te nemen, in een gebied waar we nog nooit gewerkt hadden. Bij het eerste huis ontmoetten we een jonge vrouw die zei: „Daar zijn jullie dan. Ik verwachtte jullie al.” De vrouw had haar zus, die Bijbelstudie van ons had, gevraagd te regelen dat we haar die dag zouden bezoeken. Maar wij wisten nergens van. We begonnen een Bijbelstudie met haar en met familie van haar die in de buurt woonde. Niet lang daarna  voegden we de studies samen en studeerden we met meer dan tien personen tegelijk. Een groot deel van die familie is in de waarheid gekomen.

In 1965 werden we toegewezen aan de gemeente in Kuusamo, net onder de poolcirkel, waar we nog steeds dienen. De gemeente bestond toen uit een handjevol verkondigers. Eerst leek ons nieuwe gebied wat moeilijk. De bevolking was erg religieus en had vooroordelen tegen ons. Maar veel mensen hadden wel respect voor de Bijbel, zodat we een gemeenschappelijke basis hadden. Beetje bij beetje leerden we de mensen kennen en na ongeveer twee jaar werd het makkelijker om Bijbelstudies op te richten.

NOG STEEDS ACTIEF

Sommigen met wie we gestudeerd hebben

We hebben nu niet meer de energie om lange dagen te maken in de velddienst, maar we gaan nog steeds bijna elke dag. Het werd makkelijker om de mensen in ons uitgestrekte gebied te bereiken toen Aili op advies van onze neef rijlessen nam en in 1987, op 56-jarige leeftijd, haar rijbewijs haalde. Het is ook fijn dat we nu in een appartement bij onze nieuwe Koninkrijkszaal wonen.

Het geeft ons veel vreugde te zien dat het werk in het noorden van Finland zo gegroeid is. Toen we daar begonnen met pionieren, waren er maar weinig verkondigers in dat grote gebied. Nu is er een kring die uit verschillende gemeenten bestaat. Op congressen en andere grote vergaderingen gebeurt het vaak dat iemand naar ons toekomt en vraagt of we hem nog kennen. Soms hadden we dan bij hem thuis een Bijbelstudie geleid toen hij nog klein was. Het zaad dat misschien wel tientallen jaren eerder gezaaid was, had vrucht gedragen! — 1 Kor. 3:6.

Zelfs als het regent, genieten we van de velddienst

In 2008 waren we vijftig jaar in de speciale pioniersdienst. We danken Jehovah dat we elkaar hebben kunnen helpen dit prachtige werk vol te houden. We hebben een eenvoudig leven geleid, maar we zijn nooit iets tekortgekomen (Ps. 23:1). De angst die we in het begin hadden bleek dus totaal ongegrond! In al die jaren heeft Jehovah ons kracht gegeven, zoals hij belooft in Jesaja 41:10: „Ik wil u sterken. Ik wil u werkelijk helpen. Ik wil u werkelijk stevig vasthouden met mijn rechterhand van rechtvaardigheid.”