Doorgaan naar inhoud

Doorgaan naar secundair menu

Doorgaan naar inhoudsopgave

Jehovah’s Getuigen

Nederlands

De Wachttoren — studie-uitgave  |  november 2012

„Leer mij uw wil te doen”

„Leer mij uw wil te doen”

„Leer mij uw wil te doen, want gij zijt mijn God.” — PSALM 143:10.

1, 2. Welk voordeel heeft het als we Gods wil in gedachte houden, en welk voorbeeld gaf David in dit verband?

HEB je weleens een routeplanner gebruikt waarmee je satellietbeelden van je bestemming kon bekijken? Zo kon je makkelijker bepalen welke route het beste was. Hetzelfde principe geldt voor het nemen van belangrijke beslissingen. Als we de dingen vanuit Jehovah’s verheven standpunt bekijken, zijn we in staat de weg te bewandelen die hij goedkeurt (Jes. 30:21).

2 Het grootste deel van zijn leven hield koning David van Israël Gods wil in gedachte. Laten we eens een aantal gebeurtenissen uit zijn leven bekijken om te leren van het voorbeeld van deze man, die Jehovah met hart en ziel toegewijd was (1 Kon. 11:4).

DAVID TOONDE DIEP RESPECT VOOR JEHOVAH’S NAAM

3, 4. (a) Wat bracht David ertoe het op te nemen tegen Goliath? (b) Hoe bezag David Gods naam?

3 Neem bijvoorbeeld Davids confrontatie met de Filistijnse kampvechter Goliath. Wat bracht de jonge David ertoe de strijd aan te gaan met een zwaarbewapende man van bijna drie meter lang? (1 Sam. 17:4, vtn.) Was het zijn moed? Was het zijn geloof in God? Beide eigenschappen speelden een belangrijke rol bij zijn heldendaad. Maar het was vooral zijn respect voor Jehovah en Zijn grote naam dat hem motiveerde het op te nemen tegen die enorme reus. Verontwaardigd zei David: „Wie is die onbesneden Filistijn, dat hij de gevechtslinies van de levende God moet honen?” — 1 Sam. 17:26.

4 Toen David tegenover Goliath stond, verklaarde hij: „Gij komt tot mij met een zwaard en met een speer en met een werpspies, maar ik kom tot u  met de naam van Jehovah der legerscharen, de God van de gevechtslinies van Israël, die gij gehoond hebt” (1 Sam. 17:45). Vast vertrouwend op de ware God doodde David de Filistijnse kampvechter met één steen uit zijn slinger. Ook zijn verdere leven vertrouwde David op Jehovah en toonde hij diep respect voor Gods naam. En hij spoorde andere Israëlieten aan ’zich te beroemen in Jehovah’s heilige naam’. (Lees 1 Kronieken 16:8-10.)

5. Wat zou vergelijkbaar kunnen zijn met de spottende woorden van Goliath?

5 Ben je er trots op Jehovah als je God te hebben? (Jer. 9:24) Hoe reageer je als buren, collega’s, klasgenoten of familie negatieve dingen over Jehovah zeggen en zijn Getuigen belachelijk maken? Verdedig je Jehovah’s naam in het vertrouwen dat hij je helpt? Er is natuurlijk ’een tijd om ons stil te houden’, maar we mogen ons er niet voor schamen dat we een Getuige van Jehovah en een volgeling van Jezus zijn (Pred. 3:1, 7; Mark. 8:38). Hoewel we tactvol en beleefd moeten zijn als we te maken krijgen met mensen die niet positief tegenover onze boodschap staan, willen we niet op de Israëlieten lijken die ’van schrik ineenkrompen en zeer bevreesd werden’ toen ze Goliaths spottende woorden hoorden (1 Sam. 17:11). Laten we in plaats daarvan moedig opkomen voor Jehovah’s naam. We willen mensen helpen te weten te komen wat voor God hij is. Daarom gebruiken we zijn geschreven Woord om ze te laten zien hoe belangrijk het is een hechte band met hem te krijgen (Jak. 4:8).

6. Wat wilde David bereiken toen hij op Goliath afging, en wat moet ons voornaamste doel zijn?

6 Davids ontmoeting met Goliath leert ons nog een belangrijke les. Toen David bij de gevechtslinie aankwam, vroeg hij: „Wat zal er worden gedaan met de man die de Filistijn daarginds neerslaat en werkelijk de smaad van Israël afwentelt?” Het volk herhaalde wat het eerder had gezegd: ’De man die Goliath neerslaat, zal door de koning verrijkt worden met grote rijkdom, en hij zal hem zijn eigen dochter geven’ (1 Sam. 17:25-27). Maar een materiële beloning was voor David niet het belangrijkst. Hij had een hoger doel. Hij wilde de ware God verheerlijken. (Lees 1 Samuël 17:46, 47.) En wij? Willen wij in de eerste plaats een naam maken door rijk en beroemd te worden? Natuurlijk willen we als David zijn, die zong: „O maakt met mij Jehovah groot, en laten wij te zamen zijn naam verhogen” (Ps. 34:3). Laten we daarom op God vertrouwen en zijn naam op de eerste plaats stellen (Matth. 6:9).

7. Hoe kunnen we het sterke geloof ontwikkelen dat we nodig hebben als we mensen ontmoeten die niet positief reageren?

7 Davids moedige optreden tegen Goliath vereiste een volledig vertrouwen in Jehovah. Hij had een sterk geloof. Dat had hij onder andere opgebouwd door tijdens zijn werk als herder op God te vertrouwen (1 Sam. 17:34-37). Ook wij hebben een sterk geloof nodig om met onze dienst door te gaan, vooral als mensen niet positief reageren. Zo’n geloof kunnen we ontwikkelen door in onze dagelijkse bezigheden op God te vertrouwen. Als we bijvoorbeeld met het openbaar vervoer reizen, zouden we over de waarheid kunnen beginnen met iemand die naast ons zit. En als we van huis tot huis prediken, zouden we ook mensen op straat kunnen aanspreken (Hand. 20:20, 21).

DAVID WACHTTE OP JEHOVAH

Waarom doodde David Saul niet toen hij daar de kans voor had?

8, 9. Hoe liet David in zijn contacten met Saul zien dat hij Jehovah’s wil in gedachte hield?

8 Nog een voorbeeld van Davids bereidheid  op Jehovah te vertrouwen, had te maken met Saul, de eerste koning van Israël. Drie keer probeerde de jaloerse Saul David met een speer aan de muur te spietsen, maar David kon telkens uitwijken en weigerde wraak te nemen. Op het laatst vluchtte hij voor Saul (1 Sam. 18:7-11; 19:10). Toen nam Saul drieduizend van de beste mannen van heel Israël en ging op zoek naar David in de wildernis (1 Sam. 24:2). Uiteindelijk ging Saul zonder het te weten de grot binnen waar David en zijn mannen zich verborgen hielden. David had van die gelegenheid gebruik kunnen maken om de koning die hem wilde doden, uit de weg te ruimen. Tenslotte was het Gods wil dat David de koning van Israël zou worden (1 Sam. 16:1, 13). Als David naar zijn mannen had geluisterd, zou de koning inderdaad aan zijn eind gekomen zijn. Maar hij zei: „Het is voor mij, van Jehovah’s standpunt uit bezien, ondenkbaar dat ik mijn heer, de gezalfde van Jehovah, zo iets zou aandoen.” (Lees 1 Samuël 24:4-7.) Saul was nog steeds Gods gezalfde koning. David wilde hem niet het koningschap afnemen, want Jehovah had hem nog niet afgezet. Door alleen de slip van Sauls schoudermantel af te snijden, liet David zien dat hij hem geen kwaad wilde doen (1 Sam. 24:11).

9 David toonde opnieuw respect voor Gods gezalfde toen hij hem voor de laatste keer zag. David en Abisaï kwamen op de plek waar Saul gelegerd was, en ze zagen dat hij sliep. Abisaï trok de conclusie dat God de vijand in Davids hand had overgeleverd en bood aan om Saul met een speer aan de grond te spietsen, maar David stond dat niet toe (1 Sam. 26:8-11). Omdat David steeds Gods leiding zocht, bleef hij vastbesloten in overeenstemming met Jehovah’s wil te handelen, ondanks het aandringen van Abisaï.

10. Met wat voor een moeilijke situatie kunnen wij te maken krijgen, en hoe kunnen we standvastig blijven?

10 Ook wij kunnen met een moeilijke situatie te maken krijgen als anderen ons onder druk zetten om hun denkwijze te volgen, in plaats dat ze ons aanmoedigen Jehovah’s wil te doen. Net als Abisaï kunnen sommigen ons proberen over te halen iets te doen zonder Jehovah’s kijk op de zaak in aanmerking te nemen. Om standvastig te kunnen zijn moeten we duidelijk voor ogen hebben wat Jehovah’s zienswijze is en vastbesloten zijn daaraan vast te houden.

11. Wat heb je van David geleerd over het op de eerste plaats stellen van Gods wil?

 11 David bad tot Jehovah God: „Leer mij uw wil te doen.” (Lees Psalm 143:5, 8, 10.) In plaats van op zijn eigen ideeën te vertrouwen of toe te geven aan druk van anderen, wilde David graag door God onderwezen worden. Hij zei: „Ik heb gemediteerd over al uw activiteit; gaarne heb ik mij steeds intens beziggehouden met het werk van úw handen.” Wij kunnen Gods wil te weten komen door een grondige studie van de Bijbel en door te mediteren over wat Jehovah in het verleden voor mensen heeft gedaan.

DAVID BEGREEP DE BEGINSELEN ACHTER DE WET

12, 13. Waarom goot David het water dat drie van zijn mannen hem brachten, op de aarde uit?

12 Davids begrip van de beginselen achter de Wet en zijn verlangen ernaar te leven, zijn ook het navolgen waard. Denk eens aan wat er gebeurde toen David zei dat hij er hevig naar verlangde „water [te] drinken uit de regenbak van Bethlehem”. Drie van zijn mannen drongen de stad binnen, die bezet was door de Filistijnen, en kwamen terug met het water. „David wilde het niet drinken, maar goot het uit voor Jehovah.” Waarom? Hij legde uit: „Het is mijnerzijds niet denkbaar, ten opzichte van mijn God, dit te doen! Zou ik het bloed van deze mannen drinken, die met gevaar voor hun ziel er op uit zijn gegaan? Want met gevaar voor hun ziel hebben zij het gebracht” (1 Kron. 11:15-19).

Wat kunnen we leren van Davids weigering het water te drinken dat zijn mannen hem brachten?

13 David wist dat bloed volgens de Wet voor Jehovah uitgegoten moest worden en niet gegeten mocht worden. Hij begreep ook waarom: omdat ’de ziel van het vlees in het bloed is’. Maar dit was water en geen bloed. Waarom wilde hij het dan niet drinken? Hij begreep het beginsel achter dit gebod. Voor hem was het water net zo kostbaar als het bloed van de drie mannen. Daarom vond hij het ondenkbaar het te drinken. Hij kwam tot de conclusie dat hij het op de  aarde moest uitgieten (Lev. 17:11; Deut. 12:23, 24).

14. Wat hielp David Jehovah’s zienswijze te krijgen?

14 David wilde Gods Wet helemaal in zich opnemen. Hij zong: „In het doen van uw wil, o mijn God, heb ik behagen geschept, en uw wet is in mijn inwendige delen” (Ps. 40:8). Hij bestudeerde Gods Wet en dacht er diep over na. Hij had vertrouwen in de wijsheid van Jehovah’s geboden. Daarom wilde hij graag de geest van de Wet volgen en niet alleen de letter. Als wij de Bijbel bestuderen is het goed te mediteren over wat we lezen en het in ons hart te laten doordringen, zodat we begrijpen wat Jehovah’s zienswijze is in een bepaald geval.

15. In welk opzicht toonde Salomo geen respect voor Gods Wet?

15 Davids zoon Salomo werd rijk gezegend door Jehovah God. Maar na verloop van tijd toonde Salomo geen respect meer voor Gods Wet. Hij hield zich niet aan Gods gebod dat een Israëlitische koning ’geen menigte vrouwen mocht nemen’ (Deut. 17:17). Hij nam zelfs veel buitenlandse vrouwen. Toen hij oud was geworden, ’hadden zijn eigen vrouwen zijn hart tot het volgen van andere goden geneigd’. Wat voor excuses Salomo ook bedacht mag hebben, hij „ging doen wat slecht was in de ogen van Jehovah, en hij volgde Jehovah niet ten volle, zoals zijn vader David” (1 Kon. 11:1-6). Het is dus heel belangrijk ons aan de wetten en beginselen uit Gods Woord te houden, bijvoorbeeld als we een huwelijk overwegen.

16. Wat kunnen we leren van Jehovah’s gebod „alleen in de Heer” te trouwen?

16 Als een ongelovige romantische belangstelling voor ons heeft, maken we dan door onze reactie duidelijk dat we dezelfde zienswijze hebben als David, of als Salomo? Ware aanbidders mogen „alleen in de Heer” trouwen (1 Kor. 7:39). Als we de gedachte achter dit Bijbelse gebod begrijpen, zullen we niet met een ongelovige trouwen maar ook niet ingaan op de avances van zo iemand.

17. Wat kunnen we doen om niet verstrikt te raken in porno?

17 Laten we ook eens zien hoe Davids voorbeeld in het zoeken van Gods leiding ons kan helpen de valstrik van porno te vermijden. Lees de volgende teksten, denk na over de erbij betrokken beginselen, en doe moeite om Jehovah’s wil te begrijpen. (Lees Psalm 119:37; Mattheüs 5:28, 29; Kolossenzen 3:5.) Door te mediteren over Jehovah’s hoge normen zijn we in staat de verleiding van porno te weerstaan.

HOUD ALTIJD GODS ZIENSWIJZE IN GEDACHTE

18, 19. (a) Wat hielp David in Gods gunst te blijven, ook al was hij onvolmaakt? (b) Wat is je vaste besluit?

18 Hoewel David in veel opzichten een goed voorbeeld was, beging hij enkele ernstige zonden (2 Sam. 11:2-4, 14, 15, 22-27; 1 Kron. 21:1, 7). Maar David had daar altijd berouw van. Hij ’wandelde voor Gods aangezicht met rechtschapenheid van hart’ (1 Kon. 9:4). Waarom kunnen we dat zeggen? Omdat hij volgens Jehovah’s wil probeerde te handelen.

19 Ondanks onze onvolmaaktheid kunnen we in Jehovah’s gunst blijven. Om dat te bereiken moeten we ijverig zijn Woord bestuderen, mediteren over wat we leren, het in ons hart laten doordringen en ernaar handelen. Eigenlijk vragen we Jehovah dan hetzelfde als wat de psalmist nederig vroeg: „Leer mij uw wil te doen.”