Doorgaan naar inhoud

Doorgaan naar secundair menu

Doorgaan naar inhoudsopgave

Jehovah’s Getuigen

Nederlands

De Wachttoren — studie-uitgave  |  juli 2006

Gods koninkrijk: In elk opzicht superieur

Gods koninkrijk: In elk opzicht superieur

JEZUS CHRISTUS leerde zijn volgelingen: „Gij dan moet aldus bidden: ’Onze Vader in de hemelen, uw naam worde geheiligd. Uw koninkrijk kome. Uw wil geschiede, gelijk in de hemel, zo ook op aarde’” (Mattheüs 6:9, 10). Dit gebed, bij velen bekend als het Onze Vader, verklaart het doel van Gods koninkrijk.

Door middel van het Koninkrijk zal Gods naam geheiligd worden. Zijn naam zal gezuiverd worden van alle smaad die erop geworpen is als gevolg van de opstand van Satan en de mensheid. Dat is uitermate belangrijk omdat voor alle met verstand begiftigde schepselen geldt dat ze alleen gelukkig kunnen worden als ze Gods naam als heilig beschouwen en bereidwillig zijn recht om te regeren aanvaarden. — Openbaring 4:11.

Daarnaast heeft het Koninkrijk ten doel ’Gods wil te laten geschieden, gelijk in de hemel, zo ook op aarde’. En wat is die wil? Dat de band tussen God en de mensheid die Adam verbeurd heeft, wordt hersteld. Het Koninkrijk dient ook het voornemen van de Universele Soeverein, Jehovah, om een paradijs op aarde tot stand te brengen waar goede mensen eeuwig kunnen leven. Gods koninkrijk zal echt alle schade die door de erfzonde is aangericht ongedaan maken en Gods liefdevolle voornemen met de aarde verwezenlijken (1 Johannes 3:8). Dat koninkrijk en wat het tot stand zal brengen, is in feite de voornaamste boodschap van de bijbel.

In welke opzichten superieur?

Gods koninkrijk is een echte, zeer machtige regering. De profeet Daniël heeft ons er een idee van gegeven hoe machtig het wel is. Lang geleden voorzei hij: ’De God des hemels zal een koninkrijk oprichten dat alle [menselijke] koninkrijken zal verbrijzelen en er een eind aan zal maken.’ Bovendien zal Gods koninkrijk, in tegenstelling tot menselijke regeringen, die in de loop van de geschiedenis zijn gekomen en gegaan, ’nooit te gronde worden gericht’ (Daniël 2:44). En dat is nog niet alles. Dit koninkrijk is in elk opzicht veruit superieur aan elke menselijke regering.

Gods koninkrijk heeft een superieure Koning.

Sta eens stil bij de identiteit van die Koning. In „een droom en visioenen” die Daniël kreeg, zag hij hoe de Heerser van Gods koninkrijk als „iemand gelijk een mensenzoon” voor de almachtige God werd gebracht en blijvende „heerschappij en waardigheid en een koninkrijk” kreeg (Daniël 7:1, 13, 14). Die Mensenzoon is niemand minder dan Jezus Christus, de Messias (Mattheüs 16:13-17). Jehovah God stelde zijn eigen Zoon, Jezus, aan als Koning van Zijn koninkrijk. Toen Jezus op aarde was, zei hij tegen de goddeloze Farizeeën: „Het koninkrijk Gods is in uw midden”, waarmee hij wilde zeggen dat hij, de toekomstige Koning van dat koninkrijk, zich bij hen bevond. — Lukas 17:21.

Wie uit de mensheid kan Jezus’ kwalificaties als Regeerder evenaren? Jezus heeft al bewezen een door en door rechtvaardig, betrouwbaar en meedogend Leider te zijn. De Evangeliën schilderen hem af als een man van actie  maar ook als een intens warme en gevoelige persoonlijkheid (Mattheüs 4:23; Markus 1:40, 41; 6:31-34; Lukas 7:11-17). Bovendien is de uit de doden opgewekte Jezus niet onderhevig aan de dood of andere menselijke beperkingen. — Jesaja 9:6, 7.

Jezus en zijn medeheersers regeren vanuit een superieure positie.

In zijn droomvisioen zag Daniël ook dat „het koninkrijk en de heerschappij . . . aan het volk der heiligen” gegeven werden (Daniël 7:27). Jezus regeert niet alleen. Er zijn anderen bij hem die als koningen zullen regeren en als priesters zullen dienen (Openbaring 5:9, 10; 20:6). Over hen schreef de apostel Johannes: „Ik zag, en zie! het Lam stond op de berg Sion, en met hem honderd vierenveertig duizend . . . die van de aarde zijn gekocht.” — Openbaring 14:1-3.

Het Lam is Jezus Christus in zijn positie als Koning (Johannes 1:29; Openbaring 22:3). Met deze berg Sion wordt de hemel bedoeld (Hebreeën 12:22). * Jezus en zijn 144.000 medeheersers regeren vanuit de hemel. Wat een verheven positie! Daar ze zich in de hemel bevinden, hebben ze een breder perspectief. Omdat „het koninkrijk Gods” in de hemel zetelt, wordt het ook „het koninkrijk der hemelen” genoemd (Lukas 8:10; Mattheüs 13:11). Met geen enkel wapen, zelfs niet met nucleaire aanvallen, is die hemelse regering te bereiken en ten val te brengen. Gods koninkrijk is onoverwinnelijk en zal het voornemen dat Jehovah ermee heeft, verwezenlijken. — Hebreeën 12:28.

Gods koninkrijk heeft betrouwbare vertegenwoordigers op aarde.

Hoe weten we dat? In Psalm 45:16 lezen we: ’Gij zult vorsten aanstellen op de gehele aarde.’ In deze profetie is ’gij’ de Zoon van God (Psalm 45:6, 7; Hebreeën 1:7, 8). Jezus Christus zelf zal dus de vorstelijke vertegenwoordigers aanstellen. We kunnen er zeker van zijn dat ze zijn aanwijzingen trouw zullen opvolgen. Nu al wordt bekwame mannen die als ouderling in de christelijke gemeente dienen geleerd, niet over hun geloofsgenoten te „heersen” maar hen te beschermen, te verkwikken en te troosten. — Mattheüs 20:25-28; Jesaja 32:2.

Het Koninkrijk heeft rechtvaardige onderdanen.

Ze zijn onberispelijk en oprecht in Gods ogen (Spreuken 2:21, 22). „De zachtmoedigen . . . zullen de aarde bezitten,” zegt de bijbel, „en zij zullen inderdaad hun heerlijke verrukking vinden in de overvloed van vrede” (Psalm 37:11). De onderdanen van het Koninkrijk zijn zachtmoedig: ze laten zich onderwijzen en zijn nederig, zachtaardig en vriendelijk. Hun belangstelling gaat in de eerste plaats uit naar geestelijke zaken (Mattheüs 5:3). Ze willen het goede doen en staan open voor Gods leiding.

Voor Gods koninkrijk gelden superieure wetten.

De voor het Koninkrijk geldende wetten en beginselen komen van Jehovah God zelf. In plaats dat ze ons onrechtvaardige beperkingen opleggen, strekken ze ons tot voordeel (Psalm 19:7-11). Velen hebben er nu al voordeel van dat ze naar Jehovah’s rechtvaardige vereisten leven. Ons gezinsleven wordt er bijvoorbeeld beter op als we de bijbelse raad voor mannen, vrouwen en kinderen opvolgen (Efeziërs 5:33–6:3). Als we het gebod om ’ons met liefde te bekleden’ gehoorzamen, verbetert onze relatie met anderen (Kolossenzen 3:13, 14). Leven we naar bijbelse beginselen, dan ontwikkelen we ook goede werkgewoonten en een evenwichtige kijk op geld (Spreuken 13:4; 1 Timotheüs 6:9, 10). Door dronkenschap, seksuele immoraliteit, tabak en verslavende drugs te vermijden, beschermen we onze gezondheid. — Spreuken 7:21-23; 23:29, 30; 2 Korinthiërs 7:1.

Het koninkrijk Gods is een door God ingestelde regering. De Koning ervan — de Messias, Jezus Christus — en al zijn mederegeerders zijn God rekenschap verschuldigd voor het hoog houden van Zijn rechtvaardige wetten en  liefdevolle beginselen. De onderdanen van het Koninkrijk, met inbegrip van degenen die het op aarde vertegenwoordigen, leven graag naar Gods wetten. God staat dan ook centraal in het leven van de regeerders en van de onderdanen van het Koninkrijk. Daarom is het Koninkrijk een echte theocratie: een bestuur door God. Het kan niet anders of het doel waarvoor het is opgericht, zal verwezenlijkt worden. Maar wanneer begint Gods koninkrijk, ook bekend als het Messiaanse koninkrijk, te regeren?

De Koninkrijksheerschappij begint

Een sleutel om te begrijpen wanneer de Koninkrijksheerschappij begint, vinden we in de woorden van Jezus. „Jeruzalem zal door de natiën worden vertreden”, zei hij, „totdat de bestemde tijden der natiën zijn vervuld” (Lukas 21:24). Jeruzalem was de enige stad op heel de aarde die rechtstreeks in verband stond met Gods naam (1 Koningen 11:36; Mattheüs 5:35). Het was de hoofdstad van een door God goedgekeurd aards koninkrijk. Die stad zou door de naties worden vertreden in de zin dat Gods bestuur over zijn volk door wereldse regeringen onderbroken zou worden. Wanneer zou dat beginnen?

Tegen de laatste koning die op Jehovah’s troon in Jeruzalem zou zitten, werd gezegd: „Verwijder de tulband en zet af de kroon. . . . Ze zal stellig van niemand worden totdat hij komt die het wettelijke recht heeft, en ik moet het aan hem geven” (Ezechiël 21:25-27). De kroon moest van het hoofd van die koning worden gezet en Gods heerschappij over Zijn volk moest onderbroken worden. Dat gebeurde in 607 v.G.T. toen de Babyloniërs Jeruzalem verwoestten. Tijdens „de bestemde tijden” die daarop zouden volgen, zou God geen regering op aarde hebben om zijn heerschappij te vertegenwoordigen. Pas aan het eind van die tijden zou Jehovah de macht om te regeren geven aan degene „die het wettelijke recht heeft”: Jezus Christus. Hoe lang zou die periode zijn?

In een profetie in het bijbelboek Daniël lezen we: „Hakt de boom om en verderft hem. Laat zijn wortelstomp evenwel in de aarde staan, maar met een band van ijzer en van koper . . . totdat er zeven tijden over hem voorbijgaan” (Daniël 4:23). Zoals we zullen zien, zijn de hier genoemde „zeven tijden” even lang als „de bestemde tijden der natiën”.

In de bijbel kunnen bomen personen, heersers en koninkrijken voorstellen (Psalm 1:3; Jeremia 17:7, 8; Ezechiël hfst. 31). De symbolische boom „was zichtbaar tot het uiteinde van de gehele aarde” (Daniël 4:11). De heerschappij die voorgesteld werd door de boom die omgehakt en met banden omsloten moest worden, strekte zich dus uit „tot het uiteinde der aarde”; ze omvatte het hele koninkrijk der mensheid (Daniël 4:17, 20, 22). De boom stelt dan ook de opperheerschappij van God voor, in het bijzonder in relatie tot de aarde. Die heerschappij werd een tijdlang uitgeoefend via het koninkrijk dat Jehovah over de natie Israël had opgericht. De symbolische boom werd omgehakt en de stomp werd voorzien van banden  van ijzer en koper om te voorkomen dat hij weer zou groeien. Dat duidde erop dat het koninkrijk dat Gods heerschappij op aarde vertegenwoordigde, zou ophouden met functioneren, wat in 607 v.G.T. gebeurde — maar niet voor altijd. De boom zou van banden voorzien blijven totdat er „zeven tijden” voorbij waren gegaan. Aan het eind van die periode zou Jehovah de heerschappij geven aan de wettige erfgenaam, Jezus Christus. Het is duidelijk dat de „zeven tijden” en „de bestemde tijden der natiën” op dezelfde periode slaan.

De bijbel helpt ons de lengte van de „zeven tijden” vast te stellen. Hij stelt 1260 dagen gelijk met „een tijd [één tijd] en tijden [twee tijden, meervoud] en een halve tijd” — in totaal drie en een halve tijd (Openbaring 12:6, 14). Dat houdt in dat tweemaal dat aantal, oftewel zeven tijden, 2520 dagen is.

Tellen we 2520 letterlijke dagen vanaf 607 v.G.T., dan komen we uit bij 600 v.G.T. Maar de zeven tijden hebben veel langer geduurd. Ze duurden nog voort toen Jezus sprak over „de bestemde tijden der natiën”. De zeven tijden zijn dus profetisch. Daarom moeten we de bijbelse regel „een dag voor een jaar” toepassen (Numeri 14:34; Ezechiël 4:6). In dat geval komen de zeven tijden waarin de aarde zonder goddelijke inmenging door wereldse machten overheerst wordt, op 2520 jaar neer. Tellen we 2520 jaar vanaf 607 v.G.T., dan komen we uit bij 1914 G.T. Dat is het jaar waarin „de bestemde tijden der natiën” of de zeven tijden eindigden. Dat betekent dat Jezus Christus in 1914 als Koning van Gods koninkrijk is gaan regeren.

„Uw koninkrijk kome”

Moeten we, nu het Messiaanse koninkrijk al in de hemel opgericht is, blijven bidden om de komst ervan, zoals Jezus in het modelgebed onderwees? (Mattheüs 6:9, 10) Ja. Dat verzoek is juist en nog steeds heel zinvol. Gods koninkrijk zal in de nabije toekomst zijn volledige macht tegenover de aarde laten gelden.

Wat een zegeningen zal de getrouwe mensheid meemaken als dat gebeurt! „God zelf zal bij hen zijn”, zegt de bijbel, „en hij zal elke traan uit hun ogen wegwissen, en de dood zal niet meer zijn, noch rouw, noch geschreeuw, noch pijn zal er meer zijn. De vroegere dingen zijn voorbijgegaan” (Openbaring 21:3, 4). Dan zal „geen inwoner . . . zeggen: ’Ik ben ziek’” (Jesaja 33:24). Mensen die God behagen, zullen eeuwig leven ontvangen (Johannes 17:3). Laten we dus, in afwachting van de vervulling van deze en andere prachtige bijbelprofetieën, ’eerst het koninkrijk en Gods rechtvaardigheid blijven zoeken’. — Mattheüs 6:33.

De aardse onderdanen van Gods koninkrijk zullen veel zegeningen ontvangen

^ ¶10 Koning David van het oude Israël veroverde de aardse berg Sion, de vesting van de Jebusieten, en maakte die tot zijn hoofdstad (2 Samuël 5:6, 7, 9). Hij bracht ook de heilige Ark naar die lokatie over (2 Samuël 6:17). Omdat de Ark met Jehovah’s tegenwoordigheid in verband werd gebracht, werd Sion als Gods woonplaats aangeduid, waarmee het een passend symbool voor de hemel werd. — Exodus 25:22; Leviticus 16:2; Psalm 9:11; Openbaring 11:19.