Toegankelijkheidsinstelling

Search

Taal selecteren

Doorgaan naar secundair menu

Doorgaan naar inhoudsopgave

Doorgaan naar inhoud

Jehovah’s Getuigen

Nederlands

DE WACHTTOREN (STUDIE-UITGAVE) FEBRUARI 2016

Volg het voorbeeld van Jehovah’s vrienden

Volg het voorbeeld van Jehovah’s vrienden

‘De vertrouwelijke omgang met Jehovah behoort hun toe die hem vrezen.’ — PS. 25:14.

LIEDEREN: 106, 118

1-3. (a) Waarom hoeven we er niet aan te twijfelen of we vrienden van God kunnen worden? (b) Welke voorbeelden gaan we in dit artikel bespreken?

ABRAHAM wordt in de Bijbel een vriend van God genoemd (Jes. 41:8; Jak. 2:23). Sterker nog, hij is de enige die in de Bijbel letterlijk zo wordt genoemd. Maar wil dat zeggen dat geen enkel ander mens ooit een vriend van Jehovah is geworden? Nee. Volgens de Bijbel is vriendschap met God voor ons allemaal bereikbaar.

2 Gods Woord staat vol verslagen over getrouwe mannen en vrouwen die Jehovah vreesden, in hem geloofden en goede vrienden van hem werden. (Lees Psalm 25:14.) Paulus had het over een ‘grote wolk van getuigen’ — beslist allemaal vrienden van Jehovah (Hebr. 12:1). En het waren mensen met de meest uiteenlopende achtergronden en karakters.

3 Laten we eens inzoomen op drie goede vrienden van Jehovah uit de Bijbel: (1) Ruth, de trouwe jonge weduwe uit Moab; (2) Hizkia, een rechtvaardige koning van Juda; en (3) Maria, de nederige moeder van Jezus. Wat kunnen we leren van de  manier waarop deze personen een vriendschap met God opbouwden?

ZE TOONDE LOYALE LIEFDE

4, 5. Voor welke moeilijke beslissing stond Ruth, en waarom was die zo moeilijk? (Zie beginplaatje.)

4 Drie weduwen lopen over een weg in Moab. Hun kleren wapperen in de wind terwijl ze over de hoogvlakte lopen. Het zijn Naomi en haar schoondochters, Ruth en Orpa. We zien Orpa weglopen, omdat ze heeft besloten terug te gaan naar haar huis in Moab. Naomi is vastbesloten naar haar geboorteland, Israël, te gaan. Naast haar loopt Ruth, die nu misschien wel de belangrijkste beslissing van haar leven moet nemen. Ze kan terugkeren tot haar volk in Moab of met haar schoonmoeder meegaan naar Bethlehem (Ruth 1:1-8, 14).

5 Terugkeren was misschien een voor de hand liggende keuze geweest. In Moab woonde haar familie — haar moeder en andere familieleden die deze jonge weduwe in hun huis zouden opnemen en voor haar zouden zorgen. Moab was haar thuis. Moabs cultuur was haar cultuur, Moabs taal was haar taal, Moabs volk was haar volk. Zulke voordelen kon Naomi haar in Bethlehem niet bieden. Naomi was bang dat ze geen man of woning voor Ruth zou kunnen vinden. Daarom raadde ze haar aan om in Moab te blijven. Wat zou Ruth doen? Let op het contrast tussen haar en Orpa, die ‘naar haar volk en haar goden terugkeerde’ (Ruth 1:9-15). Wilde Ruth ook terug naar de afgoden van haar volk? Nee, dat wilde ze niet.

6. (a) Welke verstandige beslissing nam Ruth? (b) Waarom zei Boaz dat Ruth haar toevlucht had gezocht onder Jehovah’s vleugels?

6 Het lijkt erop dat Ruth Jehovah inmiddels had leren kennen. Misschien via haar man of Naomi. Jehovah was heel anders dan de goden van Moab. Ruth wist dat Jehovah haar liefde en aanbidding verdiende. Maar kennis alleen was niet genoeg. Ruth moest een keuze maken. Zou ze Jehovah als haar God kiezen? Ze nam een verstandige beslissing. ‘Uw volk zal mijn volk zijn,’ zei ze tegen Naomi, ‘en uw God mijn God’ (Ruth 1:16). Ruths liefde voor Naomi is ontroerend, maar veel belangrijker nog is de liefde die ze voor Jehovah had. Later prees de grondbezitter Boaz haar omdat ze haar toevlucht had gezocht onder Jehovah’s vleugels. (Lees Ruth 2:12.) Dat kan doen denken aan een jong vogeltje dat bescherming zoekt onder de grote vleugels van een beschermende ouder (Ps. 36:7; 91:1-4). Jehovah werd zo’n ouder voor Ruth. Hij beloonde haar geloof, en ze heeft nooit reden gehad om spijt te hebben van haar beslissing.

7. Wat kan je helpen als je aarzelt om je aan Jehovah op te dragen?

7 Veel mensen leren wel over Jehovah, maar maken hem niet tot degene bij wie ze hun bescherming zoeken. Ze dragen zich niet aan hem op. Als jij aarzelt om je op te dragen aan Jehovah, heb je je dan weleens afgevraagd waarom? Ieder mens dient wel de een of andere god (Joz. 24:15). Waarom zou je dan niet je bescherming zoeken bij de enige God die het waard is aanbeden te worden? Je aan Jehovah opdragen is een uitstekende manier om je geloof in hem te tonen. Hij zal je helpen om je aan je woord te houden, wat er ook op je pad komt. Dat deed hij ook voor Ruth.

‘HIJ BLEEF AAN JEHOVAH GEHECHT’, ONDANKS ZIJN ACHTERGROND

8. Beschrijf Hizkia’s achtergrond.

8 Hizkia’s achtergrond was heel anders dan die van Ruth. Hij was geboren in een natie die aan Jehovah was opgedragen.  Maar niet alle Israëlieten leefden naar die opdracht. Hizkia’s vader, koning Achaz, is een typisch voorbeeld. Die slechte man bracht het koninkrijk Juda tot afgoderij; hij ontheiligde zelfs Jehovah’s tempel in Jeruzalem. Het is nauwelijks voor te stellen wat voor jeugd Hizkia moet hebben gehad: een aantal van zijn broers zijn op gruwelijke wijze omgekomen, levend verbrand als offers aan een afgod! — 2 Kon. 16:2-4, 10-17; 2 Kron. 28:1-3.

9, 10. (a) Waarom had Hizkia makkelijk verbitterd kunnen raken? (b) Waarom moeten we niet ‘woedend op Jehovah’ worden? (c) Waarom moeten we niet denken dat onze achtergrond hoe dan ook bepaalt wat voor persoon we worden?

9 Hizkia had makkelijk verbitterd kunnen raken en zich tegen Jehovah kunnen keren. Sommigen die veel kleinere beproevingen hebben meegemaakt, vonden dat ze een geldige reden hadden om ‘woedend op Jehovah’ te worden of verbitterd ten opzichte van zijn organisatie (Spr. 19:3). En sommigen zijn ervan overtuigd dat ze door hun moeilijke jeugd gedoemd zijn om een slecht leven te leiden, waarbij ze misschien de fouten van hun ouders herhalen (Ezech. 18:2, 3). Maar hebben ze gelijk?

10 Zeker niet! Dat blijkt duidelijk uit het voorbeeld van Hizkia. Het is nooit terecht om boos te worden op Jehovah, want hij is niet de oorzaak van de erge dingen die mensen in deze slechte wereld overkomen (Job 34:10). Het is waar dat ouders een grote invloed kunnen hebben op hun kinderen, in positieve of negatieve zin (Spr. 22:6; Kol. 3:21). Maar dat betekent niet dat je achtergrond per definitie bepaalt wat je de rest van je leven zult doen. Integendeel, Jehovah heeft ons een prachtig geschenk gegeven: het vermogen om zelf keuzes te maken, te bepalen wat we doen en wat voor persoon we worden (Deut. 30:19). Hoe gebruikte Hizkia dat geschenk?

Veel jongeren aanvaarden de waarheid ondanks hun achtergrond (Zie alinea 9, 10)

11. Waardoor was Hizkia een van de beste koningen van Juda?

11 Hoewel Hizkia de zoon was van één van de slechtste koningen van Juda, werd hij zelf één van de beste. (Lees 2 Koningen 18:5, 6.) Hij koos ervoor om zich  niet door zijn vader te laten beïnvloeden, maar door profeten als Jesaja, Micha en Hosea. Zie je al voor je hoe koning Hizkia aandachtig zat te luisteren naar de geïnspireerde verklaringen van die getrouwe mannen? Hij liet Jehovah’s raad en correctie in zijn hart toe, en dat motiveerde hem om de verschrikkelijke wandaden van zijn vader recht te zetten. Hij reinigde bijvoorbeeld de tempel, deed verzoening voor het volk en startte een daadkrachtige en verreikende campagne om heidense afgoden te vernietigen (2 Kron. 29:1-11, 18-24; 31:1). Op moeilijke momenten, zoals toen Jeruzalem aangevallen dreigde te worden door de Assyrische koning Sanherib, toonde Hizkia veel moed en geloof. Hij vertrouwde op God voor redding en versterkte zijn volk in woord en daad (2 Kron. 32:7, 8). Later, toen hij moest worden gecorrigeerd omdat hij zich hoogmoedig had opgesteld, vernederde hij zich en toonde hij berouw (2 Kron. 32:24-26). Hizkia liet niet toe dat zijn verleden zijn leven ruïneerde of hem van zijn toekomst beroofde. Hij was een echte vriend van Jehovah en een mooi voorbeeld voor ons.

12. Hoe laten velen in deze tijd zien dat ze echte vrienden van Jehovah zijn?

12 Omdat we in een liefdeloze wereld leven, groeien veel kinderen niet op met lieve, beschermende ouders (2 Tim. 3:1-5). Veel christenen in deze tijd hebben een moeilijke jeugd gehad. Toch hebben ze een vriendschap met Jehovah opgebouwd. Net als Hizkia laten ze zien dat je verleden niet je toekomst hoeft te bepalen. God heeft ons waardigheid verleend door ons een vrije wil te geven, en we hebben het voorrecht om die goed te gebruiken — door Jehovah trouw te dienen en hem met ons gedrag te eren.

‘ZIE! JEHOVAH’S SLAVIN!’

13, 14. Waarom kan de taak die Maria kreeg te moeilijk hebben geleken, maar hoe reageerde ze?

13 Eeuwen na Hizkia ontwikkelde een nederige Joodse vrouw uit Nazareth een unieke vriendschap met Jehovah. Geen ander mens heeft ooit zo’n toewijzing gekregen. Ze zou Gods eniggeboren Zoon ter wereld brengen en opvoeden. Wat een vertrouwen moet Jehovah in haar hebben gehad! Maar wat zal er door Maria heen zijn gegaan toen ze hoorde wat er ging gebeuren?

‘Zie! Jehovah’s slavin!’ (Zie alinea 13, 14)

14 Natuurlijk was dit een schitterend voorrecht. Maar we zouden makkelijk de praktische bezwaren over het hoofd kunnen zien waar ze misschien mee zat. Gods engel Gabriël zei dat ze door een wonder zwanger zou worden, zonder dat ze gemeenschap met een man zou hebben. Maar hij bood niet aan om Maria’s familie  en buren uit te leggen hoe het kwam dat ze zwanger was. Wat zouden zij denken? Maria zal zich ongetwijfeld ook zorgen hebben gemaakt over haar verloofde, Jozef. Hoe zou ze hem ervan kunnen overtuigen dat ze hem niet ontrouw was geweest? Om nog maar niet te spreken van de enorme verantwoordelijkheid om voor de eniggeboren Zoon van de Allerhoogste te zorgen en hem op te voeden! We weten niet wat er allemaal door Maria heen ging, maar we weten wel haar antwoord: ‘Zie! Jehovah’s slavin! Mij geschiede naar uw verklaring’ (Luk. 1:26-38).

15. Waarom was Maria’s geloof opmerkelijk?

15 Wat een opmerkelijk geloof! Een slavin doet alles wat haar meester vraagt. Maria vertrouwde zich dus volledig aan Jehovah’s wil en zorg toe. Ze wilde hem dienen op de manier die hij het best vond. Hoe kwam ze aan zo’n geloof? Geloof is niet iets waar je mee geboren wordt, maar het resultaat van je inspanningen en Gods zegen (Gal. 5:22; Ef. 2:8). Hoe weten we dat Maria actief moeite deed om haar geloof te versterken? Kijk eens hoe ze luisterde en hoe ze sprak.

16. Waaruit blijkt dat Maria een goede luisteraar was?

16 Hoe Maria luisterde. De Bijbel zegt dat we ‘vlug moeten zijn om te horen, langzaam om te spreken’ (Jak. 1:19). Was Maria een goede luisteraar? Blijkbaar wel. Lukas vermeldt twee keer dat Maria aandachtig luisterde naar woorden met een diepe geestelijke betekenis, en later nam ze de tijd om erover te mediteren. Toen Jezus geboren werd, brachten nederige herders een boodschap van engelen aan Maria over. Zo’n 12 jaar later zei Jezus, hoewel hij nog een kind was, iets wat een diepe geestelijke betekenis had. In beide gevallen luisterde Maria, onthield ze wat ze had gehoord, en dacht ze er zorgvuldig over na. (Lees Lukas 2:16-19, 49, 51.)

17. Wat leren we over Maria uit de manier waarop ze sprak?

17 Hoe Maria sprak. Maar weinig van wat Maria heeft gezegd staat in de Bijbel. Het langste citaat staat in Lukas 1:46-55. Die woorden van Maria laten zien dat ze de Schriften goed kende. Haar woordkeus doet denken aan een gebed van Hanna, de moeder van de profeet Samuël (1 Sam. 2:1-10). Volgens één schatting deed Maria bij deze gelegenheid ongeveer 20 aanhalingen uit de Schriften. Ze was duidelijk iemand die graag over geestelijke zaken sprak. Haar hart was een schatkamer vol kostbare waarheden die ze had geleerd van haar grootste Vriend, Jehovah.

18. Op welke manieren kunnen we Maria’s geloof navolgen?

18 Voel jij je weleens overweldigd door een toewijzing van Jehovah? Onderwerp je dan net als Maria nederig aan Jehovah’s wil, vol vertrouwen dat hij het beste met je voor heeft. We kunnen Maria’s geloof navolgen door goed te luisteren als we iets over Jehovah en zijn voornemens leren, door te mediteren over geestelijke waarheden, en door anderen graag te vertellen wat we hebben geleerd (Ps. 77:11, 12; Luk. 8:18; Rom. 10:15).

19. Waar kunnen we zeker van zijn als we al die prachtige voorbeelden van geloof uit de Bijbel navolgen?

19 Bestaat er ook maar enige twijfel dat Ruth, Hizkia en Maria vrienden van Jehovah waren, net als Abraham? Er zijn door de geschiedenis heen nog veel meer personen geweest die dat schitterende voorrecht hadden — een ‘grote wolk van getuigen’. Blijf zulke voorbeelden van geloof navolgen (Hebr. 6:11, 12). Als je dat doet, kun je zeker zijn van een schitterende beloning: vriendschap met Jehovah, voor altijd!