Toegankelijkheidsinstelling

Search

Taal selecteren

Doorgaan naar secundair menu

Doorgaan naar inhoud

Jehovah’s Getuigen

Nederlands

ONTWAAKT! APRIL 2011

Een boek waarop u kunt vertrouwen: Deel 6

Rome in de Bijbelse geschiedenis

Een boek waarop u kunt vertrouwen: Deel 6

Dit is deel zes van een serie van zeven artikelen in opeenvolgende uitgaven van „Ontwaakt!” over de zeven wereldmachten in de Bijbelse geschiedenis. Het doel ervan is te laten zien dat de Bijbel betrouwbaar en door God geïnspireerd is, en dat de boodschap erin hoop biedt op een eind aan het leed dat veroorzaakt wordt door de wrede overheersing van de ene mens over de andere.

Paulus reisde over de Via Appia

JEZUS stichtte het christendom, en zijn volgelingen verbreidden het naar andere landen. Dat was in de tijd van het Romeinse Rijk. In Europa, het Midden-Oosten en Noord-Afrika zijn nog steeds Romeinse wegen, aquaducten en monumenten te zien. Die overblijfselen doordringen ons ervan dat Jezus en zijn apostelen echt hebben geleefd en dat de dingen die ze zeiden en deden ook echt waren. Het is in deze tijd bijvoorbeeld nog mogelijk om over de Via Appia te lopen, de weg waarover de apostel Paulus naar Rome reisde (Handelingen 28:15, 16).

Betrouwbare geschiedenis

Het Bijbelse verslag over Jezus en zijn discipelen bevat talloze verwijzingen naar historische gebeurtenissen in de eerste eeuw. Zo gaf de Bijbelschrijver Lukas nauwkeurig het jaar  aan waarin twee uiterst belangrijke gebeurtenissen plaatsvonden: het begin van de bediening van Johannes de Doper en de doop van Jezus, het moment waarop hij de Christus of Messias werd. Volgens Lukas gebeurde dat in „het vijftiende regeringsjaar van Tiberius Caesar [het jaar 29], toen Pontius Pilatus stadhouder van Judea was, en Herodes districtsregeerder van Galilea” (Lukas 3:1-3, 21). Hij noemde nog vier belangrijke personen: Filippus (de broer van Herodes), Lysanias, Annas en Kajafas. Die zeven namen worden allemaal door historici bevestigd. Laten we nu eens stilstaan bij Tiberius, Pilatus en Herodes.

Tiberius Caesar is een van de Romeinse bestuurders die in het evangelie van Lukas worden genoemd

Tiberius Caesar is algemeen bekend en er bestaan nog steeds afbeeldingen van hem. Op 15 september van het jaar 14 benoemde de Romeinse senaat hem tot keizer. Jezus was toen ongeveer vijftien jaar oud.

Inscriptie met de naam Pontius Pilatus

Pontius Pilatus wordt samen met Tiberius genoemd in een verslag dat de Romeinse historicus Tacitus schreef kort nadat de Bijbel was voltooid. Over de term christenen schreef hij: „De benaming is ontleend aan Christus, die tijdens de regering van Tiberius door de procurator Pontius Pilatus met de doodstraf was bestraft.”

Herodes Antipas staat erom bekend dat hij de stad Tiberias aan de Zee van Galilea bouwde. Dat was ook de plaats die hij als zijn residentie uitkoos. Waarschijnlijk liet hij daar Johannes de Doper onthoofden.

De Bijbel vermeldt ook opmerkelijke gebeurtenissen in de Romeinse tijd. Over de tijd van Jezus’ geboorte zegt de Bijbel: „In die dagen nu ging er een verordening uit van Caesar Augustus, dat de gehele bewoonde aarde zich moest laten inschrijven (deze eerste inschrijving vond plaats toen Quirinius stadhouder van Syrië was); en alle mensen gingen op reis om zich te laten inschrijven, een ieder naar zijn eigen stad” (Lukas 2:1-3).

Zowel Tacitus als de eerste-eeuwse Joodse historicus Josephus heeft het over Quirinius. Dat zulke inschrijvingen plaatsvonden, wordt bevestigd door een edict van een Romeinse stadhouder dat bewaard wordt in de British Library. Daarin staat: „Aangezien de volkstelling ophanden is, is het nodig al degenen die om welke reden ook buiten hun district verblijven te gebieden naar hun eigen huis terug te keren.”

De Bijbel heeft het ook over „een grote hongersnood (...) in de tijd van [de Romeinse keizer] Claudius” (Handelingen 11:28). Josephus bevestigt dit verslag. Hij schreef: „Hun stad werd op dat moment (...) geteisterd door hongersnood, veel mensen stierven.”

In Handelingen 18:2 zegt de Bijbel bovendien dat „Claudius bevolen had dat alle joden  uit Rome moesten vertrekken”. Dit wordt ondersteund door een biografie van Claudius die rond het jaar 120 door de Romeinse historicus Suetonius werd geschreven. Hij schrijft dat Claudius alle Joden uit Rome verdreef en dat de Joden vanwege hun vijandigheid tegenover de christenen „voortdurend ongeregeldheden veroorzaakten”.

De Bijbel zegt dat Herodes Agrippa omstreeks de tijd van de eerder genoemde hongersnood „in een koninklijk gewaad” een toespraak hield. Het publiek riep vol bewondering: „De stem van een god en niet van een mens!” Daarna ’werd hij door wormen opgegeten en blies hij de laatste adem uit’ (Handelingen 12:21-23). Ook Josephus maakt melding van deze gebeurtenis en voegt er enkele details aan toe. Hij zegt dat Herodes een toespraak hield in „een gewaad dat helemaal gemaakt was van zilver”. Daarna „werd hij getroffen door een constante pijn in zijn buikholte. Het was vanaf het allereerste begin een hevige pijn.” Vijf dagen later was hij dood.

Betrouwbare profetieën

De Bijbel bevat ook opmerkelijke profetieën die in de Romeinse tijd opgeschreven en vervuld werden. Toen Jezus bijvoorbeeld de stad Jeruzalem binnenreed, ’weende hij over haar’ en voorzei hij hoe de Romeinse legers haar zouden verwoesten. „Er zullen dagen over u komen waarin uw vijanden een versterking rondom u zullen bouwen met puntige palen”, zei hij. „Zij zullen in u geen steen op de andere laten, omdat gij de tijd waarin gij werdt geïnspecteerd, niet hebt onderscheiden” (Lukas 19:41-44).

Jezus’ volgelingen zouden echter de kans krijgen te ontkomen. Hij gaf hun namelijk van tevoren specifieke instructies: „Wanneer gij voorts Jeruzalem door legerkampen ingesloten ziet, weet dan dat haar verwoesting nabij gekomen is. Laten dan zij die in Judea zijn, naar de bergen vluchten, en laten zij die in haar midden zijn, eruit trekken” (Lukas 21:20, 21). Misschien vroegen ze zich af hoe ze konden ontkomen als de stad belegerd was.

Josephus heeft opgetekend wat er gebeurde. Toen een Romeinse stadhouder in het jaar 66 beslag legde op de achterstallige belasting uit de tempelschatkist, slachtten woedende Joodse opstandelingen de Romeinse strijdkrachten af en verklaarden zich daarmee onafhankelijk van Rome. Later dat jaar marcheerde Cestius Gallus, de Romeinse bestuurder van Syrië, met 30.000 soldaten naar het zuiden en arriveerde tijdens een religieus feest in Jeruzalem. Gallus drong de buitenwijken van de stad binnen en ondermijnde zelfs de muren van de tempel, waar de opstandelingen hun toevlucht hadden gezocht. Plotseling trok Gallus zich zonder duidelijke reden terug! Opgewonden joegen de Joden de soldaten achterna.

Getrouwe christenen lieten zich door deze wending in de gebeurtenissen niet in de war brengen. Ze beseften dat ze de vervulling zagen van Jezus’ verrassende profetie. De stad was inderdaad ingesloten geweest door legerkampen. Nu die legers zich hadden teruggetrokken, grepen de christenen de kans aan om te vluchten. Velen gingen naar Pella, een politiek neutrale, heidense stad in de bergen, die aan de overkant van de Jordaan lag.

Wat gebeurde er met Jeruzalem? De Romeinse legers, die onder het bevel van Vespasianus en zijn zoon Titus stonden, kwamen terug, dit keer met 60.000 soldaten. Vóór de paschaviering van het jaar 70 rukten de Romeinen op naar de stad, waardoor zowel de inwoners als de pelgrims die voor de viering waren gekomen, in de val zaten. De soldaten kapten alle bomen in het district en bouwden daarmee een omheining van puntige palen, precies zoals Jezus had voorzegd. Zo’n vijf maanden later viel de stad.

De Titusboog in Rome herinnert aan de verwoesting van Jeruzalem in het jaar 70

Hoewel Titus had bevolen de tempel te sparen, werd die door een soldaat in brand gestoken en — weer precies zoals Jezus had voorzegd — steen voor steen afgebroken. Volgens Josephus kwamen zo’n 1,1 miljoen Joden en proselieten om het leven, de meeste door honger en epidemieën. Nog eens 97.000 personen werden gevangengenomen. Velen kwamen als  slaven in Rome terecht. Iemand die in deze tijd Rome bezoekt, kan nog steeds het beroemde Colosseum bezichtigen, dat door Titus werd voltooid na zijn veldtocht in Judea. Ook de Titusboog, die herinnert aan de verovering van Jeruzalem, is er te zien. Bijbelse profetieën zijn beslist tot in elk detail betrouwbaar. Het is dus belangrijk dat we stilstaan bij wat ze over de toekomst te zeggen hebben.

Een hoop waarop u kunt vertrouwen

Toen Jezus voor de Romeinse bestuurder Pontius Pilatus stond, had hij het over een koninkrijk dat „geen deel van deze wereld” was (Johannes 18:36). Jezus leerde zijn volgelingen om de komst van die koninklijke regering te bidden. „Onze Vader in de hemelen,” zei hij, „uw koninkrijk kome. Uw wil geschiede, gelijk in de hemel, zo ook op aarde” (Mattheüs 6:9, 10). Merk op dat Gods koninkrijk ervoor zal zorgen dat Gods wil op aarde wordt gedaan, en niet de wil van trotse en ambitieuze mensen.

Jezus is de Koning van dat hemelse koninkrijk. En in overeenstemming met Gods oorspronkelijke voornemen zal hij de hele aarde in een paradijs veranderen (Lukas 23:43).

Wanneer zal Gods koninkrijk op aarde ingrijpen? Toen de apostel Johannes tijdens de regering van de Romeinse keizer Domitianus (de broer van Titus) op het eiland Patmos gevangenzat, lichtte de opgestane Jezus een tipje van de sluier op. „Er zijn zeven koningen”, zei hij. „Vijf zijn gevallen, één is er, de andere is nog niet gekomen, maar als hij gekomen is, moet hij een korte tijd blijven” (Openbaring 17:10).

Toen Johannes die woorden optekende, waren er vijf „koningen” of wereldmachten gevallen: Egypte, Assyrië, Babylon, Medië-Perzië en Griekenland. De ’koning’ die in de tijd van Johannes bestond, was Rome. Er bleef er dus nog maar één over: de laatste wereldmacht in de Bijbelse geschiedenis. Welke wereldmacht is dat en hoe lang zal die regeren? Die vragen zullen in de volgende uitgave van Ontwaakt! aan de orde komen.