In Egypte werden Jakob en zijn familie Israëlieten genoemd. Na een tijd, toen Jakob en Jozef niet meer leefden, begon een nieuwe farao te regeren. Die was bang dat de Israëlieten machtiger werden dan de Egyptenaren. Daarom maakte hij slaven van de Israëlieten. Ze moesten bakstenen maken en heel hard op het land werken. Maar hoe moeilijker deze farao het voor de Israëlieten maakte, hoe groter het volk werd. De farao was daar helemaal niet blij mee. Daarom gaf hij het bevel dat alle pasgeboren Israëlitische jongetjes gedood moesten worden. Kun je je voorstellen hoe bang de Israëlieten waren?

Een Israëlitische vrouw die Jochebed heette, kreeg een heel mooi kindje. Het was een jongetje. Om hem te beschermen legde ze hem in een mandje en verstopte ze hem tussen het riet van de rivier de Nijl. De zus van het jongetje, Mirjam, bleef in de buurt om te kijken wat er zou gebeuren.

 Toen kwam de dochter van de farao naar de rivier om zich te wassen. Ze ontdekte de mand, deed hem open en zag dat er een baby in lag. Het jongetje huilde, en ze vond het zielig. Toen vroeg Mirjam: ‘Zal ik een vrouw zoeken die het kindje voor u kan voeden?’ De dochter van de farao vond dat goed. Dus wat deed Mirjam? Ze haalde haar eigen moeder, Jochebed. De dochter van de farao zei tegen haar: ‘Neem deze baby mee en voed hem voor mij. Ik zal je ervoor betalen.’

Toen het kind wat ouder was, bracht Jochebed hem naar de dochter van de farao. Die noemde hem Mozes en voedde hem op alsof het haar eigen zoon was. Mozes groeide op als prins en hij kon alles krijgen wat hij maar wilde. Maar Mozes vergat Jehovah niet. Hij wist dat hij eigenlijk een Israëliet was, geen Egyptenaar. En hij koos ervoor om Jehovah te dienen.

Toen Mozes 40 jaar was, besloot hij om zijn volk te helpen. Hij zag dat een Israëlitische slaaf door een Egyptenaar in elkaar werd geslagen. Mozes sloeg de Egyptenaar dood en verstopte het lichaam onder het zand. Maar de farao kwam erachter en wilde Mozes doden. Snel vluchtte Mozes naar het land Midian. Daar zorgde Jehovah voor hem.

‘Door geloof weigerde Mozes (...) de zoon van de dochter van de farao genoemd te worden. Hij wilde liever met het volk van God slecht behandeld worden.’ — Hebreeën 11:24, 25