Doorgaan naar inhoud

Doorgaan naar secundair menu

Doorgaan naar inhoudsopgave

Jehovah’s Getuigen

Nederlands

Leer van de verhalen uit de Bijbel

Inleiding deel 10

Inleiding deel 10

Jehovah is Koning over alles en iedereen. Hij heeft altijd alles onder controle gehad, en dat zal ook altijd zo blijven. Toen Jeremia bijvoorbeeld vastzat in een diepe put, redde Jehovah hem van de dood. Ook redde hij Sadrach, Mesach en Abednego uit een brandende oven en Daniël uit een kuil vol leeuwen. Hij beschermde Esther zodat ze haar volk kon redden. Jehovah zal niet toelaten dat slechtheid blijft bestaan. De profetie van het grote beeld en die van de enorme boom geven ons de zekerheid dat Jehovah’s Koninkrijk binnenkort alle slechtheid zal verwijderen en over de aarde zal regeren.

IN DIT DEEL

VERHAAL 57

Jeremia gaat prediken

Wat deze jonge profeet zei, maakte de oudsten van Juda heel kwaad.

VERHAAL 58

Jeruzalem wordt verwoest

Het volk van Juda blijft valse goden aanbidden. Daarom helpt Jehovah ze niet meer.

VERHAAL 59

Vier jongens gehoorzamen Jehovah

Vier jongens uit Juda zijn vastbesloten om trouw te blijven aan Jehovah, zelfs aan het koninklijk hof van Babylon.

VERHAAL 60

Een koninkrijk dat altijd zal blijven bestaan

Daniël legt uit wat de vreemde droom van Nebukadnezar betekent.

VERHAAL 61

Ze weigeren te buigen

Sadrach, Mesach en Abednego weigeren het gouden beeld van koning Nebukadnezar te aanbidden.

VERHAAL 62

Een koninkrijk als een grote boom

Nebukadnezars toekomst wordt voorspeld in een droom.

VERHAAL 63

Geheimzinnige woorden op een muur

Wanneer verschijnen die geheimzinnige woorden en wat betekenen ze?

VERHAAL 64

Daniël in de leeuwenkuil

Bid, net als Daniël, elke dag tot Jehovah!

VERHAAL 65

Esther redt haar volk

Een weeskind uit het buitenland wordt koningin.

VERHAAL 66

Ezra geeft onderwijs over Gods wet

De Israëlieten hebben geluisterd naar Ezra. Nu doen ze een speciale belofte aan Jehovah.

VERHAAL 67

De muren van Jeruzalem

Nehemia ontdekt dat zijn vijanden Jeruzalem willen aanvallen. Waarom is hij niet bang?