Toegankelijkheidsinstelling

Search

Taal selecteren

Doorgaan naar secundair menu

Doorgaan naar inhoudsopgave

Doorgaan naar inhoud

Jehovah’s Getuigen

Nederlands

Jezus: De weg, de waarheid, het leven

 HOOFDSTUK 126

Petrus houdt vol dat hij Jezus niet kent

Petrus houdt vol dat hij Jezus niet kent

Als Jezus in de tuin van Gethsemané wordt gearresteerd, vluchten de apostelen uit angst en laten hem in de steek. Maar twee van hen bedenken zich. Het zijn Petrus en ‘een andere discipel’, waarschijnlijk de apostel Johannes (Johannes 18:15; 19:35; 21:24). Mogelijk halen ze Jezus in terwijl hij naar het huis van Annas wordt meegenomen. Als Jezus vervolgens naar de hogepriester Kajafas wordt gebracht, volgen Petrus en Johannes op een afstand, kennelijk heen en weer geslingerd tussen vrees voor hun eigen leven en bezorgdheid voor hun Meester.

Omdat Johannes een bekende is van de hogepriester, lukt het hem toegang te krijgen tot de binnenplaats van Kajafas’ huis. Petrus blijft buiten bij de deur staan. Dan komt Johannes terug, praat met het dienstmeisje dat portier is en vervolgens mag ook Petrus naar binnen.

Het is een koude nacht, dus hebben de aanwezigen op de binnenplaats een houtskoolvuur aangestoken. Om zich warm te houden gaat Petrus bij ze zitten terwijl hij afwacht hoe Jezus’ verhoor afloopt (Mattheüs 26:58). Nu, bij het licht van het vuur, kan het dienstmeisje Petrus beter zien. ‘Ben jij soms ook een discipel van die man?’, vraagt ze (Johannes 18:17). En ze is niet de enige die Petrus herkent en hem ervan beschuldigt dat hij bij Jezus hoort (Mattheüs 26:69, 71-73; Markus 14:70).

Petrus schrikt hier enorm van. Hij probeert niet op te vallen en trekt zich terug naar het portaal. Hij ontkent dat hij bij Jezus was en beweert op een gegeven moment: ‘Ik ken hem niet. Ik weet niet waar je het over hebt’ (Markus 14:67, 68). Ook begint hij ‘te vloeken en te zweren’, wat betekent dat hij een eed wil afleggen dat zijn woorden waar zijn en dat hij bereid is rampspoed te ondergaan bij het tegendeel (Mattheüs 26:74).

Intussen is Jezus’ verhoor in volle gang, blijkbaar in een deel van Kajafas’ huis dat zicht heeft op de binnenplaats beneden, waar Petrus en de anderen staan te wachten. Ze zien misschien het komen en gaan van getuigen die worden opgeroepen om een verklaring af te leggen.

Petrus’ Galilese accent verraadt hem. Bovendien bevindt zich onder de aanwezigen ook een familielid van Malchus, degene bij wie Petrus met een zwaard een oor had afgeslagen. Die man zegt dan ook: ‘Ik heb je toch in de tuin bij hem gezien?’ Als Petrus het voor de derde keer ontkent, kraait er een haan, zoals voorzegd (Johannes 13:38; 18:26, 27).

Jezus bevindt zich op dat moment blijkbaar op een balkon boven de binnenplaats. Hij draait zich om en kijkt Petrus aan. Zijn blik zal Petrus door de ziel snijden. Hij herinnert zich wat Jezus nog maar een paar uur geleden in de bovenkamer had gezegd. Stel je voor hoe Petrus zich voelt nu tot hem doordringt wat hij heeft gedaan! Hij gaat naar buiten en huilt bitter (Lukas 22:61, 62).

Hoe kon dit gebeuren? Hoe kon Petrus, zo overtuigd van zijn geestelijke kracht en loyaliteit, zijn eigen Meester verloochenen? Bedenk dat de waarheid werd verdraaid en dat Jezus werd afgeschilderd als een verachtelijke misdadiger. Op het moment dat Petrus had kunnen opkomen voor een onschuldige man, liet hij hem in de steek, de Zoon van God, die ‘woorden van eeuwig leven’ heeft (Johannes 6:68).

Petrus’ tragische ervaring laat zien dat zelfs een toegewijd persoon met een sterk geloof zijn evenwicht kan verliezen als hij niet goed is voorbereid op plotselinge beproevingen of verleidingen. Wat Petrus heeft meegemaakt is een waarschuwing voor al Gods aanbidders!