Toegankelijkheidsinstelling

Search

Taal selecteren

Doorgaan naar secundair menu

Doorgaan naar inhoudsopgave

Doorgaan naar inhoud

Jehovah’s Getuigen

Nederlands

Jezus: De weg, de waarheid, het leven

 HOOFDSTUK 122

Jezus’ slotgebed in de bovenkamer

Jezus’ slotgebed in de bovenkamer

JOHANNES 17:1-26

  • GOD EN ZIJN ZOON LEREN KENNEN

  • DE EENHEID TUSSEN JEHOVAH, JEZUS EN DE DISCIPELEN

Uit liefde voor zijn apostelen heeft Jezus ze voorbereid op zijn naderende vertrek. Nu richt hij zijn blik omhoog en bidt tot zijn Vader: ‘Verheerlijk uw zoon zodat uw zoon u verheerlijkt. U hebt hem autoriteit gegeven over alle mensen, zodat hij eeuwig leven kan geven aan iedereen die u hem gegeven hebt’ (Johannes 17:1, 2).

Jezus beseft dat het verheerlijken van God belangrijker is dan wat maar ook. Maar hij noemt ook een schitterend vooruitzicht: eeuwig leven! Omdat hij autoriteit heeft gekregen ‘over alle mensen’ kan Jezus de hele mensheid de voordelen van zijn losprijs aanbieden. Toch zal niet iedereen deze voordelen ontvangen. Jezus zal namelijk alleen degenen zegenen die handelen naar wat hij vervolgens zegt: ‘Dit betekent eeuwig leven, dat ze u leren kennen, de enige ware God, en ook degene die u hebt gestuurd, Jezus Christus’ (Johannes 17:3).

Iemand moet zowel de Vader als de Zoon echt leren kennen en een hechte band met ze ontwikkelen. Hij moet kwesties net zo bezien als zij. Ook moet hij proberen hun prachtige eigenschappen na te volgen in zijn omgang met anderen. En hij moet inzien dat het krijgen van eeuwig leven ondergeschikt is aan de verheerlijking van God. Jezus komt nu terug op dit thema:

‘Ik heb u op aarde verheerlijkt door het werk te voltooien dat u me te doen hebt gegeven. En nu, Vader, verheerlijk mij naast u met de glorie die ik bij u had voordat de wereld er was’ (Johannes 17:4, 5). Jezus vraagt of hij hersteld mag worden in hemelse heerlijkheid door middel van een opstanding.

Hij is echter niet vergeten wat hij tijdens zijn bediening op aarde heeft bereikt. Jezus bidt: ‘Ik heb uw naam openbaar gemaakt aan de mensen die u mij uit de wereld hebt gegeven. Ze waren van u, en u hebt ze aan mij gegeven. Ze hebben zich aan uw woord gehouden’ (Johannes 17:6). Tijdens zijn bediening gebruikte Jezus de naam van God, Jehovah. Maar hij deed meer dan dat. Hij maakte zijn apostelen duidelijk waar die naam voor staat: Gods eigenschappen en de manier waarop Hij met mensen omgaat.

De apostelen hebben Jehovah leren kennen, weten wat de rol is van zijn Zoon en zijn bekend met wat Jezus heeft onderwezen. Nederig zegt Jezus: ‘Ik heb hun de woorden doorgegeven die u mij hebt gegeven. Ze hebben ze aanvaard en weten nu echt dat ik als uw vertegenwoordiger ben gekomen, en ze geloven dat u me hebt gestuurd’ (Johannes 17:8).

Dan zegt Jezus over het verschil tussen zijn volgelingen en de mensheid in het algemeen: ‘Ik doe geen verzoek voor de wereld, maar voor hen die u me gegeven hebt, want ze zijn van u. (...) Heilige Vader, waak over hen ter wille van uw naam, die u mij gegeven hebt, zodat zij één mogen zijn zoals wij één zijn. (...) Ik heb hen beschermd, en niet één van hen is vernietigd, behalve de zoon van de vernietiging’, waarmee hij doelt op Judas Iskariot, die op weg is hem te verraden (Johannes 17:9-12).

‘De wereld heeft hen gehaat’, bidt Jezus verder. ‘Ik vraag u niet om hen uit de wereld weg te nemen, maar om over hen te waken vanwege de Duivel. Ze zijn geen deel van de wereld, net zoals ik geen deel van de wereld ben’ (Johannes 17:14-16). De apostelen en andere discipelen bevinden zich in de wereld — de menselijke samenleving die wordt geregeerd door Satan — maar ze moeten zich afzijdig houden van die wereld en haar slechtheid. Hoe?

Ze moeten ervoor zorgen dat ze heilig blijven, afgezonderd om God te dienen, door te leven naar de waarheden die te vinden zijn in de Hebreeuwse  Geschriften en in het onderwijs van Jezus zelf. Hij bidt: ‘Heilig hen door de waarheid. Uw woord is waarheid’ (Johannes 17:17). Na verloop van tijd zullen enkele apostelen geïnspireerde boeken schrijven die ook deel gaan uitmaken van ‘de waarheid’ die iemand kan heiligen.

In de toekomst zullen echter nog meer mensen ‘de waarheid’ aanvaarden. Daarom doet Jezus ‘niet alleen voor hen [zijn getrouwe apostelen] een verzoek, maar ook voor iedereen die door hun woord in [hem] gelooft’. Wat is zijn verzoek? Dat ‘ze allemaal één zullen zijn, net zoals u, Vader, in eendracht met mij bent en ik in eendracht met u ben, dat ook zij in eendracht met ons zijn’ (Johannes 17:20, 21). Jezus en zijn Vader zijn niet letterlijk één persoon, maar ze zijn één in de betekenis dat ze overal dezelfde kijk op hebben. Jezus bidt of zijn volgelingen diezelfde eenheid mogen ervaren.

Kort hiervoor had Jezus tegen Petrus en de anderen gezegd dat hij weg zou gaan om een plaats voor ze in orde te maken, een plaats in de hemel (Johannes 14:2, 3). In zijn gebed zegt Jezus hier nu over: ‘Vader, ik wil dat degenen die u mij hebt gegeven, bij mij zijn waar ik ben, zodat ze mijn glorie mogen zien die u me hebt gegeven, omdat u al vóór het begin van de wereld van mij hield’ (Johannes 17:24). Lang voordat Adam en Eva kinderen kregen, had God dus al liefde voor zijn eniggeboren Zoon, die later Jezus Christus werd.

Aan het einde van zijn gebed benadrukt Jezus opnieuw zowel het belang van de naam van zijn Vader als de liefde die God heeft voor de apostelen en anderen die ‘de waarheid’ nog zullen aanvaarden. Hij zegt: ‘Ik heb hun uw naam bekendgemaakt en zal hem bekendmaken, zodat de liefde die u voor mij hebt, in hen zal zijn en ik in eendracht zal zijn met hen’ (Johannes 17:26).